Voor tonnen beslag in onderzoek naar stelselmatige fraude met Spijsolie

De Politie heeft afgelopen week in totaal vijf schepen, drie bedrijven en 10 woningen doorzocht in een strafrechtelijk onderzoek naar circa 20 natuurlijke en rechtspersonen, die allen betrokken zijn bij de handel in vetten, spijsolie en afvalstoffen uit die handel. De verdenking is dat zij deel uit maken van een criminele organisatie die stelselmatig fraudeerde met spijsolie en afvalstoffen. Ze hebben vermoedelijk tonnen verdiend met de fraude.

Schepen die spijsolie en vetten vervoeren, geven meermalen per jaar hun slobs -met daarin afvalwater dat is ontstaan na het reinigen van de laadruimten- af aan een vethandelaar, die het op zijn beurt weer afgeeft aan de vetverwerker. Het afvalwater bevat altijd hoeveelheden bruikbare spijsolie. Voor de bruikbare spijsolie uit het afvalwater ontvangen schepen geld. Voor de verantwoorde verwerking van het water en vuil moet betaald worden. De verdenking is dat verdachten zich op grote schaal hebben bezig gehouden met het afgeven van meer afvalstoffen dan vermeld, het stelselmatig vervalsen van administratie en het witwassen van illegaal verdiende gelden.

Bij de doorzoekingen is er administratie in beslag genomen, de Inspectie Leefomgeving en Transport heeft monsters genomen en de schepen technisch onderzocht. Ook is er voor tonnen beslag gelegd op bankrekeningen, onroerend goed en op circa 20 auto's - waaronder veel oldtimers. Er zijn één bedrijf en vier woningen in de omgeving van Werkendam doorzocht, twee bedrijven en één woning in Moerdijk, vijf schepen en woningen van schippers in Zeeland (1), Zuid Holland (2) en Limburg (1).

Het onderzoek staat onder leiding van het Functioneel Parket en wordt uitgevoerd door de politie Zeeland-West Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Milieu, in samenwerking met de Landelijke Eenheid, Dienst Infra Afdeling EXO/TMC.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^

Boete voor illegaal verwijderen asbesttegels

De Inspectie SZW heeft een boete van € 16.200,- opgelegd aan een installatiebedrijf voor het illegaal saneren van asbest op een locatie in IJmuiden. De illegale sanering werd ontdekt door de Milieudienst IJmond.

Op een locatie in IJmuiden trof een inspecteur van de Milieudienst IJmond een groot aantal cementtegels aan waarin asbest is verwerkt. De cementtegels bleken afkomstig van een bitumendak en waren deels gebroken. Op het dak zelf liggen nog meer van deze tegels te wachten totdat ze verwijderd worden. Het werk is direct stilgelegd. Het bedrijf dat de werkzaamheden uitvoert geeft aan dat ze niet wist dat het om asbesthoudend afval ging.

De samenwerking tussen de Milieudienst IJmond en de Inspectie SZW is zodanig dat de bevindingen en waarnemingen van de opsporingsambtenaren van de milieudienst direct gebruikt kunnen worden. Dit maakt een snelle afhandeling door de Inspectie SZW mogelijk.  Deze vorm van samenwerking tussen de verschillende toezichthouders komt ook voor in andere regio’s.

Er bleek in dit geval sprake van verschillende overtredingen. Zo waren de werkzaamheden niet gemeld, is  onbeschermd en door een niet-gecertificeerd bedrijf het asbest verwijderd en is het afval niet op de juiste wijze verpakt. Het bedrijf krijgt hiervoor een boete van € 16.200,-.

Het bedrijf heeft een waarschuwing ontvangen dat bij herhaling van eenzelfde of soortgelijke overtreding kan worden besloten om de werkzaamheden van het bedrijf gedurende langere tijd te staken. Deze sanctie - de zogenaamde ‘(waarschuwing) preventieve stillegging’ - kan sinds januari 2013 door de Inspectie SZW worden toegepast bij ernstige en zware overtredingen.

Voor de Inspectie SZW is de aanpak van misstanden in de asbestsector een van de speerpunten. Daarom is een speciaal team geformeerd met inspecteurs, die zijn vrijgemaakt voor de aanpak van misstanden. Sinds januari 2013 zijn de boetebedragen voor het overtreden van de arbeidsomstandighedenwet fors aangescherpt.

Het gebruik van asbest is in Nederland al sinds 1994 verboden. Alle bedrijven in Nederland die asbest verwijderen, moeten dat vooraf bij de Inspectie SZW melden. In ons land zijn er ongeveer 300 bedrijven die gecertificeerd zijn om asbest te verwijderen.

Bron: Rijksoverheid

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens medeplegen van overtreding van artikel 8 Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, vrijspraak van overtreding van artikel 13

Rechtbank Oost-Brabant 26 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4731

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd:

Feit 1: artikel 13 Wet bodembescherming

dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 9 maart 2010 tot en met 27 juli 2010 te Vlijmen, gemeente Heusden, op een perceel grond (kadastraal bekend Vlijmen, gelegen aan of nabij adres 2, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten het (linksachter op het terrein) opslaan van een hoeveelheid (ongeveer 3366 ton) met minerale olie (verontreiniging tot boven de klasse Industrie) en/of zink en/of PAK en/of PCB's (overschrijding van respectievelijk de achtergrondwaarde en de klasse wonen) verontreinigde grond zonder bodembeschermende maatregelen op of in de bodem, althans een partij verontreinigde grond op en/of in de bodem heeft gebracht en/of (vervolgens) die partij grond toen aldaar heeft laten liggen zonder bodembeschermende maatregelen, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en al dan niet opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden/kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

Feit 2: artikel 8 Wet bodembescherming jo artikel 38 Besluit bodemkwaliteit

dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 12 maart 2010 tot en met 2 juni 2010 te Vlijmen, gemeente Heusden, op een perceel gelegen aan of nabij adres 2, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met bedrijf 2 en/of (een) ander(en), althans alleen, als degene die voornemens was grond of baggerspecie toe te passen in een bouwput aldaar, niet overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63, heeft laten vaststellen, immers werd een hoeveelheid grond, zonder dat de kwaliteit ervan bekend was en/of was onderzocht, tussen en/of in en/of rondom de funderings(vakken) toegepast;

Oordeel rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten behoeve van de te plegen nieuwbouw aan adres 2 te Vlijmen werden na afronding van de sanering op 9 maart 2010, in opdracht van bedrijf 2 op het bouwterrein door bedrijf 3 opgegaan in bedrijf 1 bouwputten uitgegraven. De vrijgekomen grond werd achter op het terrein in depot gezet. Bij de opslag van deze grond werden geen bodembeschermende maatregelen genomen. Uit bemonsteringen die werden uitgevoerd in opdracht van de Grondbank Noord-Oost Brabant b.v. en bedrijf 1 d.d. 10 mei 2010 bleek dat deze grond op basis van verontreiniging met minerale olie, zink, PAK en PCB’s niet toepasbaar was. De resultaten van de genomen monsters werden op 20 mei 2010 schriftelijk aan de opdrachtgevers medegedeeld en tevens werd op 20 mei 2010 aan persoon 1 van bedrijf 2 een mail verzonden met de mededeling dat de grond van het depot niet herbruikbaar was. Ook uit bemonstering door Bureau Milieumetingen van de provincie d.d. 27 mei 2010 bleek dat dit depot in zijn geheel niet toepasbaar was op basis van verontreiniging met minerale olie. Dat de grond mogelijk vervuild was blijkt ook al uit een mail vanpersoon 2 van bedrijf 4 van 1 maart 2010 aan persoon 1 van bedrijf 2 waarin zij te kennen geeft dat een partijkeuring van de grond wordt vereist en dat de kans zeer groot is dat uit de partijkeuring zal blijken dat de grond niet voldoet aan de kwaliteit “wonen” en dat er dan toch schoon zand zal moeten worden aangeleverd. Verder bevindt zich bij de stukken een mail van persoon 3 van bedrijf 4 d.d. 18 december 2009 aan persoon 1 van bedrijf 2, waarin staat dat naar aanleiding van een rapport van de bedrijf 6 de grond van het overige terrein licht verontreinigd is met diverse stoffen en dat bij graafwerkzaamheden alle vrijkomende grond gekeurd dient te worden conform het Besluit Bodemkwaliteit.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bedrijf 2 al vanaf het begin van de werkzaamheden op de hoogte was van een mogelijke verontreiniging van de grond. Dit ligt echter anders bij bedrijf 1. Verdachte ontkent de wetenschap dat de grond verontreinigd was met minerale olie, zink, PAK en PCB’s. Bedrijf 1 ging uit van schone niet vervuilde grond. Uit het dossier blijkt niet dat voornoemde mails vanpersoon 3 en  persoon 2 aan bedrijf 1 zijn gericht of dat zij daarvan kennis heeft genomen. Evenmin blijkt uit andere verklaringen en bewijsmiddelen dat bedrijf 1 wist of redelijkerwijze had kunnen vermoeden dat er sprake was van een mogelijke verontreiniging van de grond.

Feit 2:

Bedrijf 1 heeft verklaard dat in opdracht van bedrijf 2 vanuit het gronddepot door zijn bedrijf circa 800 m3 in de funderingsvakken en rondom de buitenzijde van de fundering in de bodem is gebracht. De rest van het depot moest worden afgevoerd en in dat kader zou een bemonstering plaats vinden. De getuige getuige 1, die als voorman/uitvoerder bij bedrijf 2 werkzaam was, heeft eveneens verklaard dat er grond uit het depot gebruikt is als aanvulling tussen de funderingen van de nieuwbouw. Uit werkbonnen van het loonwerkers-bedrijf bedrijf 5 blijkt dat deze werkzaamheden hebben plaats gevonden op 7 en 17 mei 2010. Pas op 10 mei 2010 vond er een partijkeuring van de grond plaats. Op 20 mei 2010 mailt persoon 4 aan persoon 1 van bedrijf 2 de analysegegevens van de hiervoor genoemde partijkeuring door. Vanaf dat moment is bij de opdrachtgever bekend dat de vanuit het depot in de bodem toegepaste grond vanwege verontreiniging met minerale olie niet toepasbaar is en dat deze grond daarom niet mag worden aangevuld in en rondom de funderingen.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er grond is toegepast in een bouwput zonder dat de kwaliteit ervan was vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank hebben bedrijf 2 en bedrijf 1 als medeplegers de keuringsplichtbepaling van artikel 38 van het Besluit bodemkwaliteit overtreden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten aanzien van feit 2

op tijdstippen in de periode 12 maart 2010 tot en met 20 mei 2010 te Vlijmen, gemeente Heusden, op een perceel gelegen aan adres 2, opzettelijk, tezamen en in vereniging met bedrijf 2, als degene die voornemens was grond toe te passen in een bouwput aldaar, niet overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63, heeft laten vaststellen, immers werd een hoeveelheid grond, zonder dat de kwaliteit ervan bekend was of was onderzocht, tussen en in en rondom de funderingsvakken toegepast.

Strafoplegging

De rechtbank houdt in positieve zin rekening met het feit dat bedrijf 1 uit eigen beweging melding heeft gemaakt van de gebeurtenissen rondom de sanering op het terrein, adres 2, te Vlijmen. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat de vennootschap inmiddels in staat van faillissement verkeert, waardoor de op te leggen geldboete (zo het in het faillissement al tot een uitkering komt) mogelijk ten koste gaat van het geldelijke belang van de overige crediteuren, die aan de bewezen verklaarde feiten part noch deel hebben gehad. In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd heeft aan het toepassen van vervuilde grond op een locatie met een woonbestemming met alle (mogelijke) gevolgen van dien voor de rechtsverkrijgenden en gebruikers van de betrokken percelen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank legt een geldboete op van 20.000 euro.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Middel tegen verwerping verweer dat het op het terrein van verdachte opgeslagen non-ferro metaal geen afvalstof was, omdat het de bedoeling was dit materiaal te recyclen, faalt

Hoge Raad 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:680

Feiten

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 8 februari 2011 voor opzettelijke overtreding van voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, veroordeeld tot een geldboete van € 2500.

Mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

Eerste middel

Het eerste middel klaagt dat het hof heeft verzuimd het verkort arrest aan te vullen met de bewijsmiddelen.

AG Machielse: Het middel mist feitelijke grondslag. Aan het verkort arrest, dat zich bevindt onder de stukken die naar de Hoge Raad zijn gezonden, is een bijdrage gehecht bevattende de bewijsmiddelen.

Tweede middel

Het tweede middel komt op tegen de beslissing van het hof dat het op het terrein van verdachte opgeslagen non-ferro metaal afvalstof was. Het was van begin af aan de bedoeling dit materiaal te recyclen. Dan is er geen sprake van afvalstof.

Uit bijlage I van Richtlijn 75/442/EEG respectievelijk Richtlijn 2006/12/EG blijkt dat vele stoffen en voorwerpen als afvalstof kunnen worden aangemerkt. De door de Commissie opgestelde lijst, de zogenaamde Europese afvalcatalogus (laatste versie: PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3-24) biedt enige houvast, in die zin dat bepaalde stoffen en voorwerpen concreet als afvalstof worden aangemerkt, mits de houder van die stoffen of voorwerpen zich daarvan ontdoet, voornemens is te ontdoen of zich moet ontdoen. Onder meer worden de volgende stoffen genoemd.

  • 12 01 03 non-ferrometaalvijlsel en -krullen
  • 12 01 04 non-ferrometaalstof en -deeltjes
  • 17 04 metaal (inclusief legeringen)
  • 17 04 02 aluminium
  • 19 10 afval van de shredding van metaalhoudend afval
  • 19 10 02 non-ferroafval
  • 19 12 03 non-ferrometalen

Of stoffen ook daadwerkelijk gekwalificeerd kunnen worden als afvalstoffen hangt vervolgens af van de intentie van de houder, namelijk of deze zich van de betreffende stoffen wil ontdoen.

Bij de beantwoording van de vraag of de houder de intentie had zich te ontdoen van de afvalstoffen moet rekening worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en moet ervoor worden gewaakt dat aan de doeltreffendheid van de richtlijn geen afbreuk wordt gedaan.

Ten aanzien van de doelstelling bepaalt de considerans van de richtlijn dat iedere regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen als voornaamste doelstelling moet hebben, de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip afvalstof dient bijgevolg niet restrictief te worden uitgelegd. Het hof bekijkt daarom - meer algemeen - ook of de door verdachte opgeslagen en overgeslagen materialen door haarzelf en door het bedrijf dat de materialen bij haar afleverde als afvalstof werden beschouwd.

Het hof leidt uit het dossier het volgende af.

Gevraagd naar de bedrijfsmatige activiteiten aan de [a-straat] te Mijdrecht - welke activiteiten in grotere omvang zijn voortgezet aan de [c-straat 1-2] te Mijdrecht – verklaarde de vertegenwoordiger van verdachte bij de politie op 2 juli 2007 (p. 5763 e.v.):

"Wij deden daar evenals nu sorteerwerkzaamheden in non-ferro afvalmetalen."

Dat de inrichting van verdachte zich bezighield met afvalstoffen, blijkt ook uit de bedrijfsomschrijving in de akte van oprichting, namelijk: 'Groothandel in non-ferro metaal en metaalafval.'

De Milieudienst hanteerde in haar communicatie met verdachte telkens het begrip 'afvalstoffen' als zij refereerde aan de bij verdachte opgeslagen stoffen. Verdachte heeft niet weersproken dat het om afvalstoffen ging.

De brief van 11 augustus 2005 van de Milieudienst aan verdachte houdt onder meer in (p. 6077 e.v.): "Hierbij bevestig ik de ontvangst van een melding op grond van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer. Tevens merk ik hierbij op dat indien een melding Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer is ingediend en bijvoorbeeld meer dan 35m3 afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, binnen de inrichting worden opgeslagen of meer dan 1.000 m3 per jaar aan afvalstoffen worden overgeslagen, dit strafbare feiten zijn waarvoor een proces verbaal kan worden opgemaakt."

De brief van 12 maart 2007 van de Milieudienst aan verdachte houdt onder meer in (p. 6072 e.v.): "Tijdens de controle is tevens een inventarisatie gemaakt van de aanwezige afvalmaterialen. Het formaat containers die [verdachte] gebruikt zijn 24m3. Dit om te bepalen of er meer dan 35m3 opslag aanwezig is. Geconstateerd is dat er:

  • 3 containers geheel gevuld waren met afval zoals aluminium, e.d.;
  • 3 containers niet geheel gevuld;
  • Op het buitenterrein een berg draad, ongeveer 6m3 (losse opslag, niet massief);
  • Onder een afdak aan de andere zijde van het terrein opslag van diverse metalen.

Er is gebleken dat de opslag van afvalstoffen afkomstig van buiten de inrichting groter is dan de hoeveelheid, welke is toegestaan voor bedrijven die onder het Besluit opslag- en transportbedrijven vallen."

Verdachte ontving het non-ferrometaal van medeverdachte 2 Dit bedrijf handelt in recyclebare non-ferrometalen, zoals aluminium(shredder) en magnesium. Medeverdachte 2 importeert het materiaal en slaat het op om het vervolgens weer te verkopen ten behoeve van recycling Dit is de standaardwerkwijze van dat bedrijf.

Gelet op die werkwijze was het bij verdachte opgeslagen non-ferrometaal derhalve 'in afwachting van recycling'. Uit die omstandigheid leidt het hof reeds af dat het materiaal, op het moment dat het door verdachte werd opgeslagen (nog) een afvalstof was.

Op de transportdocumenten is het materiaal dat door medeverdachte 2 bij verdachte werd geleverd meermaals aangemerkt als 'shredder'. Naar het oordeel van het hof kan uit de term 'shredder' worden afgeleid dat het om afval gaat. Materiaal dat door een shredder gaat, wordt immers verpulverd of versnipperd en derhalve ten opzichte van de oorspronkelijke staat vernietigd.

Uit het voorgaande blijkt dat het materiaal dat bij verdachte werd opgeslagen, zowel door verdachte als door het bedrijf dat het materiaal bij verdachte aanleverde, als afval werd beschouwd. Naar het oordeel van het hof is het materiaal reeds daarom te duiden als afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer en de Richtlijn.

Het hof overweegt dat afvalstoffen nuttig kunnen worden toegepast, zoals bij recycling waardoor de stoffen het karakter van afvalstof kunnen verliezen.

Het hof is echter van oordeel dat afvalstoffen als zodanig gekwalificeerd blijven tot zij daadwerkelijk zijn gerecycled, met name tot zij in het bewerkingsproces waarvoor zij zijn bestemd afgewerkte producten vormen en het bewerkingsproces aldus is voltooid. Voorts is het hof van oordeel dat een afvalstof slechts als gerecycled kan worden aangemerkt indien zij (opnieuw) is verwerkt ter verkrijging van nieuw materiaal of van een nieuw product met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het materiaal waaruit het afval bestond voor het oorspronkelijk doel of voor andere doeleinden.

Gelet op de omstandigheid dat het metaal bij verdachte werd op- en overgeslagen en gesorteerd om vervolgens elders gerecycled te worden, had het metaal in de periode dat het m de inrichting van verdachte lag het karakter van afvalstof nog niet verloren Deze conclusie wordt voorts nog gestaafd door het feit dat de eigenaar van de opgeslagen stoffen zich daarvan (ten behoeve van recycling) nog steeds wil ontdoen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

AG Machielse: Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat er sprake is geweest van afvalstoffen. Het hof heeft immers uit deze aanduidingen kunnen opmaken dat het gaat om stoffen waarvan de leveranciers van verdachte zich wilden ontdoen.

Beslissing inzake Seatti en Frediani: "33 (...) Het bij richtlijn 75/442 ingevoerde stelsel van toezicht en beheer, beoogt immers alle voorwerpen en stoffen te omvatten waarvan de eigenaar zich ontdoet, zelfs al hebben zij een commerciële waarde en worden zij voor handelsdoeleinden opgehaald met het oog op recycling, terugwinning of hergebruik.

Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van een stof of een voorwerp te ontdoen in de zin van artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442. Dat is met name het geval wanneer de gebruikte stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig was beoogd (arrest van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland e.a., C-418/97 en C-419/97, Jurispr. blz. I-4475, punt 84). Het Hof heeft dan ook verduidelijkt dat bij winning vrijgekomen ganggesteente van een granietgroeve, dat niet het in eerste instantie door de exploitant beoogde product vormt, in beginsel een afvalstof vormt (arrest Palin Granit, punten 32 en 33).

Niettemin is een analyse aanvaardbaar volgens welke goederen, materialen of grondstoffen die vrijkomen bij productieprocessen of delvingen die niet in de eerste plaats op de winning daarvan zijn gericht, mogelijk geen residu vormen, maar een bijproduct waarvan de onderneming zich [niet] wil ontdoen" in de zin van artikel 1, sub a, eerste alinea, van richtlijn 75/442, maar dat zij in een later stadium, in voor haar gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen zonder voorafgaande bewerking. Een dergelijke analyse is immers niet in strijd met de doelstellingen van richtlijn 75/442 omdat er geen enkele rechtvaardigingsgrond is om de bepalingen daarvan, die zijn bedoeld om verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen te verzekeren, toe te passen op goederen, materialen of grondstoffen die, los van enige bewerking, economisch gezien de waarde van producten hebben en als zodanig zijn onderworpen aan de wettelijke regeling die op deze producten van toepassing is (arrest Palin Granit, punten 34 en 35).

Gelet echter op de verplichting om het begrip afvalstoffen ruim uit te leggen teneinde de nadelen en de schadelijke gevolgen die deze stoffen naar hun aard met zich brengen, te beperken, moet deze redenering met betrekking tot bijproducten alleen worden gevolgd voor situaties waarin hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces (arrest Palin Granit, punt 36).

Naast de hoedanigheid van productieresidu van een stof vormt dus de mate waarin het waarschijnlijk is dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt, een tweede criterium dat relevant is om te beoordelen of het om een afvalstof in de zin van richtlijn 75/442 gaat. Wanneer er, naast de mogelijkheid om de stof te hergebruiken, voor de houder een economisch voordeel is om dit ook te doen, is de waarschijnlijkheid van een dergelijk hergebruik groot. In een dergelijk geval kan de betrokken stof niet meer worden beschouwd als een last waarvan de houder zich wil ontdoen", maar is zij een echt product (arrest Palin Granit, punt 37).”

AG Machielse: Uit de aanduidingen van het materiaal als afval, shred en het feit dat het bedrijf van verdachte op recycling is gericht, heeft het hof kunnen afleiden dat deze stoffen niet zonder voorafgaande bewerking konden worden hergebruikt of aangewend. Dat dit materiaal zeker en zonder voorafgaande bewerking zou worden hergebruikt als voortzetting van dezelfde productie- of consumptieproces is niet aangevoerd en heeft het hof begrijpelijkerwijs ook uitgesloten geacht.

Het middel faalt.

Derde middel

Het derde middel borduurt voort op een in feitelijke aanleg gevoerd verweer, erop neerkomende dat verdachte niet strafbaar is omdat hij op de mededeling van zijn adviseur dat hij kon volstaan met een melding bij het bevoegd gezag mocht vertrouwen. Dit is ook door de Milieudienst zelf aan verdachte medegedeeld. Aan verdachte kan niet worden tegengeworpen dat de eerdere inrichting wel vergunningsplichtig was. Uit de brief van de Milieudienst waarnaar het hof in zijn arrest verwijst, blijkt ook duidelijk dat de milieudienst niet tot actie zou overgaan en dat de situatie vooralsnog zou worden gedoogd.

AG Machielse: Verdachte heeft met een melding kunnen volstaan mits er niet meer dan 35 m³ afvalstoffen, van buiten de inrichting afkomstig zouden worden opgeslagen. Dat heeft de Milieudienst in een brief van 11 augustus 2005 aan verdachte medegedeeld. Die brief houdt ook in dat het opslaan van meer dan 35 m³ afvalstoffen een strafbaar feit oplevert waarvoor proces-verbaal kan worden opgemaakt. Op 12 maart 2007 heeft de Milieudienst per brief aan verdachte bericht dat aan de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil met een melding kunnen worden volstaan, niet is voldaan omdat er veel meer dan 35 m³ aan afvalstoffen op het terrein van de inrichting aanwezig waren. Verdachte kan zich niet op verontschuldigbare rechtsdwaling beroepen wanneer zij zelf eenvoudig kan constateren dat niet is voldaan aan zo een voorwaarde. Een eventuele veronderstelling van verdachte dat hij niet wederrechtelijk handelde mist dus de daarvoor dragende grondslag. Tot slot wijst de AG erop dat de enkele omstandigheid dat niet wordt gehandhaafd nog niet het vertrouwen kan rechtvaardigen dat het handelen dus niet wederrechtelijk is.

Het middel faalt.

Beoordeling Hoge Raad

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete; vermindert de geldboete in die zin dat deze € 2.250,- bedraagt en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier het arrest van de Hoge Raad & conclusie van AG Machielse.
Print Friendly and PDF ^

‘Doorvoer’ in de zin van EVOA (oud)

Hoge Raad 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:674

Feiten

Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 5 januari 2011 voor: Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot twee geldboetes van € 10.000 en € 5000.

Mr. C.L.A. de Sitter, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

Tweede Middel

Het middel klaagt onder meer over de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot vrijspraak, omdat geen sprake is van doorvoer in de zin van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PbEGL 30) (hierna: EVOA (oud)).

Beoordeling Hoge Raad

Het gaat in deze zaak om een verdachte die, naar het Hof heeft vastgesteld, op tijdstippen in de periode van 7 maart 2006 tot en met 26 maart 2006 in Rotterdam containers met afvalstoffen via Nederland heeft overgebracht van het Verenigd Koninkrijk naar Vietnam, zonder de vereiste kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten.

Gelet op Art. 2 EVOA (oud), Art. 23, eerste lid, EVOA (oud) en Art. 26, eerste lid, aanhef en onder a, EVOA (oud), moet ter zake van de bewezenverklaarde afvaltransporten Nederland als staat van doorvoer in de zin van art. 2, aanhef en onder 2, EVOA (oud) worden aangemerkt. Het oordeel van het Hof dat de verdachte op grond van art. 26 EVOA (oud) verplicht was tot kennisgeving van deze transporten aan de bevoegde autoriteit in Nederland getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het gevoerde verweer is dus terecht verworpen, wat er ook zij van de gronden waarop die verwerping steunt.

Het voorgaande brengt mee dat de overige onderdelen van het middel, die klagen dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is en dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, eveneens tevergeefs zijn voorgesteld.

Het middel faalt.

Vijfde Middel

Het middel klaagt over de kwalificatie van het bewezenverklaarde als "meermalen gepleegd" en over de strafoplegging.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als: "Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd."

Het dictum van het bestreden arrest houdt onder meer in: "Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 10.000,00 (tienduizend euro) met betrekking tot het eerste afvaltransport. Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro) met betrekking tot het tweede afvaltransport."

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof, op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7.2 tot en met 7.4, het bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als "Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" en dit aangemerkt als meerdaadse samenloop, doch had het Hof voor deze feiten één straf moeten opleggen, in plaats van twee.

AG Machielse:

Voor zover het middel erover klaagt dat het hof ten onrechte straf heeft opgelegd voor een feit dat op 27 maart 2006 zou hebben plaatsgevonden, verwijs ik naar mijn bespreking van het derde middel.

Overtreding van het in het eerste lid van artikel 10.60 Wet milieubeheer voorgeschrevene is ingevolge artikel 1a lid 1 jo artikel 2 WED een misdrijf als zij opzettelijk is begaan. Het hof heeft veroordeeld voor de opzettelijke overtreding van artikel 10.60 Wet milieubeheer, meermalen gepleegd.

Ten tijde van het bewezenverklaarde luidde artikel 10.60 Wet milieubeheer aldus: “Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen.”

Nu het hof heeft vastgesteld dat verdachte op twee onderscheiden data handelingen heeft verricht in strijd met artikel 26 lid 1 van Verordening 259/93 heeft het hof terecht het bewezenverklaarde als meerdaadse samenloop aangemerkt. Maar het hof had voor die feiten slechts één straf moeten opleggen. De Hoge Raad kan bewerkstelligen wat het hof heeft verzuimd.

De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak verbeterd in die zin dat het Hof de verdachte heeft veroordeeld tot de betaling van één geldboete van € 15.000,-. Daardoor komt aan het middel, voor zover dat klaagt over de strafoplegging, de feitelijke grondslag te ontvallen zodat het niet tot cassatie kan leiden.

Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, vermindert de geldboete in die zin dat deze € 13.500,- bedraagt en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^