Ontnemingszaak Amsterdam Port Services. Beroep op niet-ontvankelijkheid officier van justitie verworpen. Rechtbank veroordeelt APS tot het betalen van € 283.000.

Rechtbank Amsterdam 22 januari 2013, LJN BZ6379

Procesgang

Amsterdam Port Services B.V. is in de aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggende strafzaak tegen 23 juni 2008 gedagvaard voor de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Amsterdam. APS werd ten laste gelegd dat zij zich had schuldig gemaakt aan:

  1. overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 10.37 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon,
  2. valsheid in geschrift en
  3. overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Op 5 februari 2009 is APS veroordeeld wegens de twee ten laste gelegde economische delicten en vrijgesproken van valsheid in geschrift (LJN BH3561). APS heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 10 december 2010 heeft het Hof Amsterdam APS eveneens veroordeeld voor de twee eerdergenoemde economische delicten (LJN BO9652). Het arrest is onherroepelijk.

De officier van justitie heeft APS door middel van een ontnemingsvordering van 8 november 2012 opgeroepen op 11 december 2012 voor de meervoudige economische strafkamer van deze rechtbank te verschijnen. In de desbetreffende vordering staat dat de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 1.014.498,50 schat.

Niet-ontvankelijkheidsverweer

Op 11 december 2012 hebben de mrs. A.J.M. de Swart en C.W. Noorduyn namens de verdediging aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is omdat, kort gezegd, de vordering niet binnen de in artikel 511b Sv genoemde termijn aanhangig is gemaakt. De verdediging heeft ermee ingestemd dat de rechtbank niet onmiddellijk maar bij dit eindvonnis op het niet-ontvankelijkheidsverweer zal beslissen.

Door het onherroepelijk worden van de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 6 september 2012, waarbij de rechtbank heeft uitgesproken dat zij onbevoegd is kennis te nemen van de ontnemingsvordering, is de ontnemingszaak tegen APS tot een einde gekomen. Het had het Openbaar Ministerie in beginsel vrij gestaan een nieuwe ontnemingsvordering tegen APS te doen uitgaan, ware het niet dat de termijn waarbinnen deze vordering ex artikel 511b Sv aanhangig dient te worden gemaakt al op 6 februari 2011 was verstreken. De nieuwe - op 8 november 2012 - aanhangig gemaakte vordering is daarom tardief. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming omdat deze correct en tijdig is uitgebracht en uit alles blijkt dat de onderhavige ontnemingsprocedure een voortzetting is op basis van de oorspronkelijke ontnemingsvordering uit december 2010.

De rechtbank is van oordeel dat hoewel de meervoudige kamer van deze rechtbank door haar onbevoegdheid uit te spreken in formele zin een einduitspraak als bedoeld in artikel 138 Sv in de ontnemingszaak heeft gedaan, de vervolging in de ontnemingszaak door die uitspraak niet definitief is geëindigd. De rechtbank heeft immers niet (ten gronde) over de vordering zelf beslist. Aangezien de beslissing van de rechtbank van 6 september 2012 geen betrekking heeft op de vordering zelf, is geen einde gekomen aan de vervolging (vgl. conclusie AG Knigge overweging 11 tot en met 13 voor het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2009, NJ 2009/121, LJN BG4258). Het stond de officier van justitie daarom vrij APS opnieuw op te roepen ter zake van de - tijdig uitgebrachte - ontnemingsvordering.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de ontnemingsvordering.

Geen wederrechtelijk voordeel

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen omdat APS geen wederrechtelijk voordeel door strafbare feiten heeft genoten en meer subsidiair verzocht de gevorderde maatregel te matigen tot € 0 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.

Er is geen sprake van een causaal verband tussen de bewezen verklaarde feiten en het door het Openbaar Ministerie gestelde voordeel. Door de bewezen verklaarde afgifte aan OVA heeft APS geen (wederrechtelijk verkregen) voordeel genoten, aangezien de afgifte aan OVA slechts tot kosten voor APS leidde in verband met de aldaar verrichte ontwatering. Het door het Openbaar Ministerie gestelde voordeel is afkomstig uit de legitieme (door)leveringen aan eindafnemer North Refinery.

Er is geenszins sprake geweest van een kostenbesparing. North Refinery was een tot verwerking bevoegde marktpartij waaraan APS de stromen mocht - en ook rechtstreeks kon - aanbieden. Van enige kostenbesparing door de aflevering aan OVA ter ontwatering is geen sprake geweest. Het bedrijf ATM kan bovendien niet als marktreferentie gelden, nu zij een geheel ander(e) bedrijfsproces en marktpositie heeft vergeleken met North Refinery én andere partijen die eveneens dergelijke stromen kunnen innemen. Daarbij wordt ten onrechte door het Openbaar Ministerie aangenomen dat afgifte aan ATM € 23,75 per ton zou kosten. Er waren, naast North Refinery, ook andere afzetmogelijkheden (bijvoorbeeld Avista) die voor APS tot gelijke inkomsten zouden hebben geleid.

Een aantal specifieke facturen toont eens temeer aan dat het voordeel ontstond door de (door)levering aan North Refinery en niet door de bewezen verklaarde afgifte aan OVA. Daarnaast heeft te gelden dat facturen van MAIN B.V. niet kunnen worden gebruikt als grondslag voor de ontnemingsvordering tegen APS. Het Openbaar Ministerie heeft dit standpunt overigens bij Conclusie van Repliek onderschreven en heeft de vordering met € 29.713,95 verminderd. Ten slotte wordt in dit verband het verweer gevoerd dat in 2007 door APS geen wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen of kan zijn verkregen, omdat APS in dat jaar aantoonbaar geen bedrijfsactiviteiten meer ontplooide. Dit blijkt ook zeer duidelijk uit het ontnemingsdossier. In het dossier bevindt zich ook geen bewijs dat APS in 2007 wel (wederrechtelijk verkregen) voordeel zou hebben verkregen. In het dossier zijn wat betreft het jaar 2007 enkel factuurproeven opgenomen. Dit laatste verweer leidt tot de deelconclusie dat het Openbaar Ministerie in zijn vordering ten onrechte een bedrag van € 107.962,22 heeft meegenomen.

Het Openbaar Ministerie heeft ten onrechte de door APS gemaakte kosten niet in aftrek gebracht. Onder verwijzing naar een bij Conclusie van Antwoord overgelegd rapport van MAIN B.V. en een rapport van registeraccountants van Ernst & Young wordt betoogd dat primair € 652.510, dan wel subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag, in aftrek dient te worden gebracht op een eventueel door de rechtbank vast te stellen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze kosten staan in directe relatie staan tot de voltooiing van het strafbare feit waarvoor veroordeling heeft plaatsgevonden en zijn direct gerelateerd aan de afleveringen aan OVA.

Ten slotte heeft de verdediging zich ten aanzien van de vraag of APS door afgifte van kerosine wederrechtelijk voordeel heeft verkregen aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Oordeel rechtbank 

Kerosine

Het hof Amsterdam heeft bewezen verklaard dat APS op 16 december 2005 te Amsterdam, opzettelijk, zich door afgifte aan AVR-Industrial Waste B.V. (Locatie OVA), heeft ontdaan van een partij vloeibare gevaarlijke afvalstoffen, aangeduid met lossingnummer A 50990, waarvan het vlampunt lager was dan 55 graden Celsius.

APS heeft OVA voor deze partij kerosine gefactureerd voor een bedrag van 3.209,78 euro.

Aangezien APS de kerosine heeft verkocht aan OVA, een niet vergunde verwerker, en niet heeft afgevoerd naar een erkende verwerker, kan dit bedrag worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Oliehoudende afvalstoffen 

Het Hof Amsterdam heeft onder meer bewezen verklaard dat APS in de periode van januari 2005 tot en met oktober 2007 te Amsterdam, opzettelijk, onder afvalstroomnummer 07K473021648 of 07K473021649 oliehoudende afvalstoffen heeft afgegeven aan AVR-Industrial Waste B.V. (Locatie OVA), terwijl AVR-Industrial Waste B.V. (Locatie OVA) geen vergunninghouder was die deze afvalstoffen door middel van destillatie opwerkt tot brandstof of inzet voor rechtstreekse energieopwekking in installaties die voldoen aan de Regeling verbranden gevaarlijke stoffen.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir terecht opgemerkt dat APS zich op rechtmatige wijze van de twee afvalstromen (drijflagen) met nummers 07K47302 1648 en 07K47302 1649 had kunnen ontdoen door deze te leveren aan een erkende verwerker die kan en mag destilleren en dat North Refinery BV zo'n verwerker is. De officier van justitie is echter ten onrechte ervan uitgegaan dat dit niet tot de mogelijkheden behoorde. Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 17 mei 2011 betreffende het getuigenverhoor van A van North Refinery, blijkt immers het tegendeel. A heeft verklaard dat North Refinery rechtstreeks zaken deed met APS. Het ging dan om scheepvaartolie. North Refinery ontving de oliehoudende afvalstoffen rechtstreeks van APS of via OVA. Het waren mengsels van olie en water. Het mengsel kon bijvoorbeeld variëren van 90% olie en 10% water tot 10% olie en 90% water, aldus A. Het is hem niet bekend, aldus zijn verklaring, dat North Refinery ooit partijen van APS heeft geweigerd. Hij geeft hier naar zijn zeggen ook aan dat de partijen van APS aan hun kwaliteitseisen voldeden en geschikt waren voor hun productieproces. De verdediging heeft met zoveel woorden aangevoerd dat APS voordeel heeft verkregen door de (door)leveringen aan eindafnemer North Refinery en OVA aangemerkt als tussenschakel.

De vraag waar de rechtbank voor staat, is wat het verschil is tussen wat APS aan OVA factureerde voor de oliehoudende afvalstromen en wat zij in rekening zou hebben kunnen brengen als zij deze stromen rechtstreeks bij North Refinery zou hebben afgeleverd. Het verschil tussen wat OVA betaalde en wat North Refinery zou hebben betaald, moet als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt aangezien het APS wel was toegestaan oliehoudende afvalstoffen aan North Refinery af te leveren en dat niet het geval was bij OVA. Het verweer dat er geen causaal verband bestaat tussen de bewezen verklaarde feiten en het verkregen voordeel wordt daarom verworpen.

De rechtbank heeft op grond van de offerte van 26 september 2005 van North Refinery, die als bijlage I aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt, berekend wat APS zou hebben ontvangen indien zij de afvalstromen bij North Refinery had afgegeven.

De rechtbank heeft aan de hand van de innameoverzichten van de afvalstroomnummers 07K470021648 en 07K470021649 van OVA over de maanden januari 2005 tot en met augustus 2006, die als bijlage II aan dit vonnis zijn gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, gekeken wat in genoemde maanden het brutogewicht was van de leveringen van APS aan OVA en het percentage water van de desbetreffende leveringen. De rechtbank laat de maanden daarna buiten beschouwing omdat in die maanden geen noemenswaardige leveringen hebben plaatsgevonden of omdat APS toen geen bedrijfsactiviteiten meer ontplooide. Op grond van voornoemde offerte, waarin staat dat North Refinery olie accepteert inclusief een watergehalte van maximaal 2%, is telkens 2% van het waterpercentage afgetrokken zodat het nettogewicht van de leveringen kon worden berekend. De prijs die North Refinery hiervoor wilde betalen is berekend op grond van de Platt's, de dollarkoers en de in de offerte opgenomen prijsstaffel. Vervolgens is daarop telkens, overeenkomstig de offerte, de vergoeding die North Refinery rekende in het geval het watergehalte hoger dan 2% lag in mindering gebracht. Ten slotte is gekeken naar de facturen die APS naar OVA heeft gestuurd voor de leveringen van de oliehoudende afvalstoffen, opgenomen in een overzicht dat als bijlage III aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt. Daar waar gegevens op de innameoverzichten ontbreken, heeft de rechtbank gekeken naar de gegevens van de maand vóór en de maand na de maand waarover de gegevens niet compleet zijn en van die maanden het gemiddelde genomen. In de berekening worden de maanden waarover de gegevens niet compleet zijn, aangeduid met **.

Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank berekend dat APS door van januari 2005 tot en met augustus 2006 in plaats van oliehoudende afvalstoffen aan North Refinery aan OVA af te leveren in totaal € 285.472,74 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de door de verdediging genoemde kosten niet in aanmerking komen om op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht. APS was een legaal bedrijf dat legale activiteiten ontplooide waarbij zij ook kosten maakte en dat zich heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De opgevoerde kosten die in mindering zouden moeten gebracht, zijn kosten die voor rekening van APS dienen te blijven en die APS ook zou hebben gemaakt als zij zich niet aan de bewezen verklaarde strafbare feiten zou hebben schuldig gemaakt.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft APS door middel van voornoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 288.000,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Medeplegen van overtreding van artikel 9 van de Flora- en faunawet

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 april 2013, LJN BZ6386

Het hof acht bewezen dat verdachte samen met zijn mededader in het buitengebied van Tilburg, genaamd De Zwaluwse Bunder, tweemaal opzettelijk een haas, zijnde een beschermde inheemse diersoort, heeft opgespoord met het oog op het doden, verwonden, vangen of bemachtigen van die haas.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Oppositie wil chemiesector laten meebetalen aan toezicht

Chemische bedrijven die onveilig werken moeten zelf gaan meebetalen aan de inspectiekosten. Dat bepleit Van Tongeren (GroenLinks) vanwege de problemen met chemiebedrijf Odfjell. Zij krijgt steun van andere oppositiewoordvoerders.

Lekkende leidingen, chemische dampen en een haperende blusinstallatie. Tankopslagbedrijf Odfjell werd in 2012 stilgelegd vanwege herhaalde schending van de veiligheidsvoorschriften. Wat moet een bedrijf eigenlijk doen om zijn vergunning kwijt te raken?, vraagt Van Tongeren. Zij vindt net als Geurts (CDA) en Van Gerven (SP) dat chemische bedrijven best een bijdrage kunnen leveren aan de inspectiekosten. Staatssecretaris Mansveld (Milieu) wil echter vasthouden aan boetes en dwangsommen, omdat het toezicht "waardenvrij en onafhankelijk" moet zijn.

Strenger toezicht op chemiesector nodig 

Is de kwaliteit van het toezicht op de chemiesector wel voldoende?, vraagt De Graaf (PVV). Van Gerven pleit voor onaangekondigde controles: "Papieren controles zijn niet genoeg." Regionale inspecties moeten zich thematisch specialiseren en meer mankracht krijgen, vindt D66-woordvoerder Van Veldhoven. Staatssecretaris Mansveld wil dat idee onderzoeken. Fokke (PvdA) vraagt of de rijksoverheid niet een grotere rol moet krijgen in het toezicht op grote chemiebedrijven. Maar Mansveld wijst erop dat de provincies allereerst verantwoordelijk zijn voor het toezicht: "Pas bij ernstige nalatigheid van de provincies treed ik op."

Rapport onderzoeksraad is nog niet verschenen 

Voor Dijkstra (VVD) en Fokke komt het debat eigenlijk te vroeg, omdat pas in juni een rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de veiligheid in de chemiesector verschijnt. Ook Mansveld wil nog geen harde conclusies trekken. Waar nodig moet worden opgetreden, aldus Dijkstra, maar hij benadrukt dat Odfjell niet representatief is voor de hele chemiesector. Van Tongeren stelt echter dat Odfjell geen uitzondering is, gelet op de chemiebrand in Moerdijk en de gebrekkige brandveiligheid bij veel bedrijven.

De Kamer stemt op 9 april over de ingediende moties.

Bron: Tweede Kamer

Print Friendly and PDF ^

Vervoer gevaarlijke afvalstoffen zonder goed ingevulde begeleidingsdocumenten. Verweer ex art. 6 en 13 EVRM.

Rechtbank Alkmaar 5 oktober 2012, LJN BZ5940 (gepubliceerd op 2 april 2013)

Op 4 maart 2010 wordt door een medewerker van de gemeente Wieringen aan de politie gemeld dat op het terrein van perceel te Hippolytushoef (gemeente Wieringen) grond zou worden afgegraven, terwijl op het terrein een ernstige bodemverontreiniging aanwezig was. Uit een bodemonderzoek was gebleken dat een deel van het terrein was verontreinigd met zware metalen. Bij de gemeente was geen melding gedaan van een sanering of voornemen daartoe.

Uit onderzoek bleek dat dit terrein sinds 1 juli 2009 in eigendom toebehoort aan de verdachte. De verdachte gebruikte dit terrein voor de opslag, stalling, reparatie en onderhoud van materiaal ten behoeve van een sloopbedrijf.

De vragen die in deze zaak voorliggen zijn de volgende:

  1. Beschikte verdachte over een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de uitoefening van een dergelijke inrichting? (Feit 1)
  2. Had de verdachte de sanering van dat terrein gemeld bij de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland? (Feit 2)
  3. Heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het verrichten van handelingen met betrekking tot afvalstoffen terwijl zij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan? (Feit 3)
  4. Heeft de verdachte zich ontdaan van bedrijfsafvalstoffen door deze te vervoeren zonder een op de juiste wijze ingevulde begeleidingsbrief? (Feit 4)

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Standpunt verdachte

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging

a. wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM;

De ten laste gelegde feiten betreffen feiten begaan in 2009 en 2010. De zaak is echter in januari 2012 voor het eerst ter terechtzitting aangebracht, drie jaar, in elk geval ruim twee jaar nadat de ten laste gelegde periode was aangevangen.

b. wegens, naar de rechtbank begrijpt, schending van artikel 6, derde lid, onder b van het EVRM;

De verdediging is ernstig in haar belangen geschaad doordat aan verdachte belangrijke – mogelijk ontlastende – stukken uit het proces-dossier zijn onthouden. Dit betreft met name:

  • stukken betreffende de bestuursrechtelijke procedure rondom het verkrijgen van een milieuvergunning voor het perceel  te Hippolytushoef;
  • stukken met betrekking tot het door het Nederlands Forensisch Instituut ingestelde onderzoek.
  • een proces-verbaal met het nummer PL10 MB 2010024896 dat door het openbaar ministerie ondanks het verzoek daartoe van verdachte, niet aan haar is verstrekt;
  • een volledige schriftelijk uitgewerkte versie van de inhoud van de in het kader van dit onderzoek afgeluisterde telefoongesprekken en een kopie van de tape waarop de gesprekken zijn vastgelegd.

c. wegens schending van artikel 13 EVRM en daartoe het volgende aangevoerd.

De voorgaande argumenten beletten verdachte een goede verdediging te voeren en haar onschuld te bewijzen waardoor haar het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM is ontnomen.

Standpunt officier van justitie

Ad a.

Overschrijding van de termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie maar tot strafvermindering. Het onderzoek is aangevangen op 4 maart 2010. Er is aan verdachte een schikking aangeboden om strafvervolging te voorkomen en op 17 januari 2012 is de zaak bij de politierechter aangebracht. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Ad b.

De officier van justitie bepaalt de samenstelling van het strafdossier alsmede welke stukken daaraan worden toegevoegd. Niet is gebleken dat de in het dossier gevoegde ambtsedig opgemaakte processen-verbaal onjuist of onvolledig zouden zijn.

De verbalisant heeft met betrekking tot de aan het dossier toegevoegde foto’s keurig gemeld dat daaraan door hem geen wijzigingen zijn aangebracht.

De stukken met betrekking tot de bestuursrechtelijke procedure betreffende de vergunning verlening voor het perceel te Hippolytushoef bevinden zich bij het bevoegde bestuursrechtelijk orgaan, te weten de provincie Noord-Holland. De officier van justitie beschikt niet over deze stukken.

Aan de verdachte is bericht dat een proces-verbaal met het nummer PL10MB 2010024896 van het strafdossier geen deel uitmaakt omdat dit nummer berust op een verschrijving. Dit niet bestaande stuk kan dus niet aan verdachte worden afgegeven.

De door de verdachte bedoelde verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken zijn op een CD ROM gezet. Aan verdachte is vervolgens aangeboden deze CD te beluisteren. Van die gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

De door het Nederlands Forensisch Instituut met betrekking tot deze zaak opgemaakte rapportage/stukken zijn aan het strafdossier toegevoegd. Verdachte heeft van de inhoud daarvan kennis kunnen nemen.

Verdachte heeft overigens, ondanks een daartoe strekkend verzoek, niet nader gespecificeerd welke stukken uit het strafdossier aan haar zijn onthouden.

De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat er niet is gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM en dat de officier van justitie in haar vervolging kan worden ontvangen.

Beoordeling rechtbank

Ad a.

Bij de behandeling van deze zaak is door het openbaar ministerie en de rechtbank de nodige voortvarendheid is betracht. Van overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake.

Ad b.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het openbaar ministerie de inhoud van het strafdossier bepaalt dat aan de strafrechter wordt voorgelegd. Dit strafdossier is aan de verdachte verstrekt en zij is in de gelegenheid gesteld de in het kader van dit onderzoek opgenomen telefoongesprekken te beluisteren.

Door de verdachte is niet aannemelijk gemaakt dat haar in het strafdossier aanwezige stukken zijn onthouden.

De verdachte heeft gesteld dat de op de bestuursrechtelijke procedure betreffende de vergunningverlening ten aanzien van het perceel te Hippolytushoef betrekking hebbende stukken aan het strafdossier ontbreken. De officier van justitie beschikt echter niet over het bestuursrechtelijk dossier en evenmin heeft de verdachte aangegeven welke stukken uit dat dossier voor haar verdediging relevant konden zijn.

Wel is de verdachte in de gelegenheid gesteld zelf deze stukken aan het strafdossier toe te voegen, van welke mogelijkheid zij geen gebruik heeft gemaakt.

De verbalisant heeft met betrekking tot de door hem aan het dossier toegevoegde foto’s op ambtseed in het proces-verbaal opgenomen dat, hoewel wellicht door middel van fotoshopping wijzigingen in de foto’s aangebracht zouden kunnen worden waardoor deze niet meer betrouwbaar zouden zijn, daarin door hem geen wijzigingen zijn aangebracht.

Aan de verdachte is bericht dat een proces-verbaal met het nummer PL10MB 2010024896 van het strafdossier geen deel uitmaakt omdat dit nummer berust op een verschrijving. Dit niet bestaande stuk kan dus niet aan de verdachte worden afgegeven.

De door het Nederlandse Forensisch Instituut met betrekking tot deze zaak opgemaakte rapportage/stukken zijn aan het strafdossier toegevoegd. De verdachte heeft van de inhoud daarvan kennis kunnen nemen.

Ad c.

De verdachte heeft de mogelijkheid gehad en deze ook aangegrepen om bij de rechtbank verweren te voeren met betrekking tot rechten die worden gewaarborgd door het EVRM. Tegen de in dit vonnis opgenomen beslissingen met betrekking tot deze verweren staat met inachtneming van het gestelde in artikel 404 e.v. Sv een rechtsmiddel voor verdachte open.

Van schending van artikel 13 EVRM is derhalve geen sprake.

Concluderend zal de rechtbank alle verweren van de verdachte verwerpen.

Bewijs

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt verdediging

Feit 1: De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen omdat zij beschikte over een voor het perceel afgegeven milieuvergunning.

Feit 2: De verdachte stelt zich op het standpunt dat vrijspraak moet volgen omdat zij op 26 augustus 2009 aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hippolytushoef de oprichting van de onderhavige inrichting heeft gemeld.

Feit 3: De verdachte stelt zich op het standpunt dat indien er 1107,64 ton aan puin en aarde is afgegraven en afgevoerd naar een legaal verwerkingsbedrijf en zowel de ontdoener, de transporteur en de ontvanger/verwerker kennelijk van mening waren dat de transacties volledig conform de vigerende regels hebben plaatsgevonden, het niet zo kan zijn dat achteraf milieuambtenaren kunnen vaststellen dat toch niet aan de regels is voldaan. Ook van dit feit dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Feit 4: De verdachte stelt zich op het standpunt dat de ontdoener, de transporteur en de ontvanger/verwerker van de afvalstoffen bij het vervoer van de afvalstoffen geen problemen hebben gehad met de gebruikte codering, waaruit volgt dat deze codering niet ondeugdelijk was. Ook van dit feit dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Beoordeling rechtbank 

Feit 1:

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de inrichting in werking is en dat het terrein door de verdachte in hoofdzaak wordt gebruikt voor de opslag van voertuigen, materiaal, materieel en containers en voor de opslag en verwerking van afvalstoffen. Deze afvalstoffen zijn vermoedelijk voor het grootste deel afkomstig van eigen werken van de verdachte. Geconstateerd is dat het aangevoerde puin op de onbeschermde bodem is opgeslagen en vermoedelijk wordt gemengd met grond die is ontgraven op het terrein.

Tijdens het onderzoek is ook geconstateerd dat afvalstoffen naar het terrein worden gebracht door derden.

Tevens is vastgesteld dat afvalstoffen van de inrichting worden afgevoerd onder de benaming “renovatie adres” naar het terrein van de inrichting recyclebedrijf te Heerhugowaard.

Gezien het bovenstaande is sprake van een inrichting voor het opslaan, bewerken, verwerken, overslaan en op de bodem brengen van afvalstoffen, een inrichting als bedoeld in de categorieën 28.1 en 28.4 van bijlage I behorende bij het BARIM.

De rechtbank acht op grond van het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer, heeft overtreden.

Feit 2:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een voorschrift gesteld bij artikel 28 van de Wet Bodembescherming heeft overtreden.

Feit 3:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk het voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet Milieubeheer heeft overtreden.

Feit 4:

Uit het onderzoek is gebleken dat het afgevoerde materiaal bestond uit ca. 70% grond en ca 30% puin. Tevens is uit dat onderzoek gebleken dat het ging om ernstig vervuilde grond, vermengd met grof puin.

Deze afvalstroom had derhalve onder de gebruikelijke benaming “grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten” met Euralcode vervoerd dienen te worden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk het bij artikel 10.39 van de Wet Milieubeheer gegeven voorschrift heeft overtreden.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 28 van de Wet Bodembescherming, opzettelijk begaan.

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 4: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.39 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 7.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Zes verdachten aangehouden in onderzoek naar mestfraude

De Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD) heeft de afgelopen dagen zes verdachten aangehouden in een grootschalig onderzoek naar fraude met mest. Deze verdachten zijn vermoedelijk betrokken bij een onderzoek dat zich richt op het structureel verhullen van nationale en internationale meststromen door een bedrijf dat handelt in dierlijke mest. De 42-jarige hoofdverdachte in dit onderzoek is op 27 februari aangehouden en zit nog steeds vast.

Door het gebruik van diverse BV's in verschillende landen is geprobeerd om grote hoeveelheden mest te verhullen. Het vermoeden is dat hier miljoenen euro's aan verdiend is. De aangehouden verdachten zijn vermoedelijk behulpzaam zijn geweest bij het mogelijk maken van deze fraude en hebben deze fraude hebben deels voortgezet sinds de hoofdverdachte is aangehouden. De mannen worden verdacht van deelname aan een criminele organisatie, witwassen en valsheid in geschrifte.

Vrijdag 22 maart zijn er vijf verdachten aangehouden. Vier van de vijf verdachten zijn afgelopen maandag door de rechter-commissaris van de rechtbank Den Bosch in bewaring gesteld voor 14 dagen. Het gaat hier om mannen in de leeftijd van 29 tot en met 38 jaar uit de provincie Noord-Brabant. Vandaag is een 35-jarige Pool aangehouden in dit onderzoek die woonachtig is in de provincie Noord-Brabant. Bij de doorzoekingen zijn enkele vrachtwagens en administratie in beslag genomen.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^