Conclusie AG over verdenking en anonieme tip terzake WWM

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:389 Het Gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van 500 euro ter zake van ‘de voortgezette handeling van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd’.Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middelen

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het Hof het dat er sprake was van een redelijk vermoeden zoals bedoeld in art. 49 Wet wapens en munitie (WWM), terwijl het vermoeden enkel is gebaseerd op CIE-informatie die onvoldoende concreet en specifiek was en waarvan over de betrouwbaarheid geen oordeel kon worden gegeven, terwijl er desondanks geen nadere onderzoekshandelingen zijn verricht ter verificatie van de informatie.

Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat aan de verdachte niet tijdig de cautie is gegeven en dat derhalve de verklaring van de verdachte van het bewijs had moeten worden uitgesloten ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

6. Het Hof heefthet volgende vastgesteld en overwogen:

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat het bewijsmateriaal dat is aangetroffen op de woonboot waar de verdachte verbleef en - op aanwijzing van de verdachte - in een auto in een garage, onrechtmatig is verkregen en van het bewijs moet worden uitgesloten.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat:

(i) de onderhavige CIE-melding onvoldoende concrete informatie bevatte, om op grond daarvan zonder nadere verificatie de machtiging tot doorzoeking te kunnen verstrekken, mede omdat de redenen van wetenschap niet zijn vermeld en een oordeel over de betrouwbaarheid niet kon worden gegeven;

(ii) (…);

(iii) (…);

(iv) het in de auto aangetroffen bewijsmateriaal is verkregen als gevolg van het feit dat verzuimd is de verdachte tijdig de cautie te geven.

Het hof stelt op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

Blijkens een proces-verbaal van de CIE van 23 januari 2014 is in de maand januari van 2014 via een informant de volgende informatie binnengekomen: “[verdachte] woont op een woonboot op de [a-straat 1] te Amsterdam. In deze woonboot heeft [verdachte] een vuurwapen liggen. Dit vuurwapen is van [verdachte]”. In dit proces-verbaal is voorts vermeld dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie niet kan worden gegeven en dat uit onderzoek is gebleken dat met [verdachte] wordt bedoeld: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1977 ingeschreven op het adres [c-straat 1] te Almere ingeschreven, doch verblijvende op een woonboot aan de [a-straat 1] te Amsterdam.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 27 januari 2014 is er naar aanleiding van de CIE- informatie op 27 januari 2014 een onderzoek ingesteld naar een woonboot welke vermoedelijk zou zijn gelegen achter perceel [a-straat 1] te Amsterdam. Aan de verbalisanten was door hulpofficier van justitie H.R. Keijzer een machtiging tot binnentreden verstrekt. Daarin is de woning waarop de machtiging betrekking heeft als volgt omschreven: “In de woning gelegen aan het adres [a-straat 1], de woonboot gelegen achter perceel [a-straat 1] te Amsterdam”. De verbalisanten beschikten voorts over informatie dat in de boot de verdachte, een vrouw, een jongetje van ongeveer vijfjaar oud en een tweeling van twee maanden oud woonachtig waren. De verbalisanten hebben in het bijzijn van hulpofficier van justitie H.R. Keijzer aangebeld bij de woonboot aan de [a-straat 2] te Amsterdam, alwaar de deur werd geopend door een oudere man. Op dat moment zien de verbalisanten in de woonboot gelegen naast de woonboot van [a-straat 2] een jonge vrouw met een baby op haar arm. Gelet op de voorinformatie belde verbalisant [verbalisant 1] aan bij [a-straat 3] en deelde aan een,-vrouw, welke later [betrokkene 1] bleek te zijn, mede dat de verbalisanten in verband met een tip op zoek waren naar een vuurwapen dat in de woonboot aanwezig zou zijn. Verbalisant [verbalisant 1] gaf aan te beschikken over een machtiging tot binnentreden en vroeg [betrokkene 1] of met haar toestemming de woonboot mocht worden doorzocht. [betrokkene 1] verklaarde dat ze niets te verbergen had en dat ze naar binnen mochten om de woonboot te doorzoeken.

Tijdens de doorzoeking kreeg verbalisant [verbalisant 1] de verdachte aan de telefoon. De verdachte verklaarde dat er geen vuurwapen in de woonboot aanwezig was. De verdachte verklaarde dat er wel een doos van een vuurwerkpistool op het keukenkastje lag. Die doos met inhoud is gevonden en in beslag genomen. De verdachte deelde tevens telefonisch mee dat het pistool dat bij de blauwe doos hoorde, niet in de woonboot, maar in zijn auto in Amsterdam Noord lag. Vervolgens arriveerde de verdachte in de woonboot. De verdachte verklaarde desgevraagd nogmaals dat het pistool dat bij het blauwe doosje hoorde in zijn auto lag, die in Amsterdam Noord in een garage zou staan. De verdachte verklaarde mee te werken en met de verbalisanten mee te willen gaan naar de garage teneinde het pistool uit te leveren. Vervolgens zijn op aanwijzen van de verdachte door de verbalisanten uit voornoemde auto losse onderdelen van een zilverkleurig vuurwapen gehaald.

In het licht van deze feiten en omstandigheden faalt het verweer in al zijn onderdelen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat

(i) aan de ClE-informatie — bestaande in de anonieme tip, die in zoverre is geverifieerd dat uit onderzoek bleek dat de verdachte (die [verdachte] heet) aan de [a-straat 1] verbleef- een redelijk vermoeden kon worden ontleend in de zin van art. 49 Wet wapens en munitie ten aanzien van de woonboot aan de [a-straat 1] die tot verblijfplaats van de verdachte diende.

Dat door de CIE geen uitspraak kon worden gedaan over de betrouwbaarheid van de informatie en dat de redenen van wetenschap niet blijken, doet hieraan niet af.

(ii) (…).

(iii) (…).

(iv) de verdachte aan de telefoon spontaan heeft verteld over de spullen die in de woonboot en over het pistool dat in zijn auto in Amsterdam Noord lagen. Op aanwijzen van de verdachte zijn door verbalisanten uit deze auto losse onderdelen van een zilverkleurig vuurwapen gehaald. Nu door de verdachte spontaan is verklaard over de later aangetroffen goederen, is het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, niet van toepassing.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het op de woonboot en in de auto aangetroffen bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen en voor het bewijs kan worden gebezigd. (…)”

7. Vooropgesteld moet worden dat anoniem aan de politie verstrekte informatie aanleiding kan zijn voor een redelijk vermoeden van overtreding van de WWM. Reijntjes heeft er in zijn noot bij de nader te vermelden rechtspraak uit 2013 op gewezen dat drie vragen relevant kunnen zijn voor de vraag of op basis van dergelijke informatie mag worden opgetreden: 1. Is de informatie voldoende concreet en specifiek?; 2. Bevat de informatie een oordeel over de betrouwbaarheid? ; 3. Is de informatie geverifieerd? Het accent ligt in de rechtspraak van de Hoge Raad op de eerste vraag.

8. Over de tweede en derde vraag verschaft het arrest van het Hof expliciet duidelijkheid. In de onderhavige zaak bevatte het proces-verbaal waarin de CIE-informatie was opgenomen de mededeling dat de betrouwbaarheid van de anoniem verschafte informatie niet kon worden vastgesteld. Dat betekent volgens de Hoge Raad niet zonder meer dat dergelijke informatie onbruikbaar is. Ook het ontbreken van verificatie behoeft nog niet aan het gebruik daarvan in de weg te staan. Anders dan de steller van het middel meent, heeft echter in de onderhavige zaak enige verificatie door de politie plaatsgevonden. Immers de voornaam uit de informatie komt, zoals het Hof heeft overwogen, overeen met de voornaam die uit adresverificatie blijkt. Ik voeg daaraan toe dat er ook nog voorinformatie over de bewoners van de (doorzochte) woonboot was die (hoewel kennelijk bij toeval) in zekere mate werd bevestigd voorafgaande aan de daadwerkelijke doorzoeking.

9. Het Hof heeft niet uitdrukkelijk overwogen dat de CIE informatie voldoende concreet en specifiek was. In het oordeel van het Hof ligt dit mijns inziens echter wel besloten temeer nu het informatie betrof die op een onderdeel is geverifieerd. In zoverre is het oordeel van het Hof dat het bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen niet onjuist dan wel ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat aan de verdachte niet tijdig de cautie is gegeven en dat derhalve de verklaring van de verdachte van het bewijs had moeten worden uitgesloten ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

12. Ingevolge art. 29 Sv dient de verhorende ambtenaar vóór aanvang van het verhoor aan de verdachte mede te delen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Voor de bepaling van de aanvang van het verhoor zijn de feitelijke omstandigheden van doorslaggevende betekenis. De Hoge Raad omschrijft een verhoor in de zin van art. 29 Sr als ‘alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit’. Van een verhoor is echter geen sprake indien de verdachte geheel op eigen initiatief en zonder dat hem dienaangaande een vraag is gesteld ten overstaan van een niet met het onderzoek belaste politieman een bekentenis aflegt.

13. Uit het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van bevindingen, opgenomen onder 4, volgt dat nadat de verbalisanten de woning van de verdachte binnenkwamen, de partner van de verdachte, die de deur had opengedaan, de telefoon aan een van de verbalisanten gaf met de mededeling dat de verdachte met de verbalisant wilde spreken. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdachte vervolgens telefonisch heeft meegedeeld waar het wapen zich bevond. Weliswaar is de verklaring van de verdachte afgelegd ten overstaan van een met het onderzoek belaste verbalisant, maar uit het proces-verbaal blijkt niet van vragen van de zijde van de verbalisant. Gelet op de door het Hof feitelijk vastgestelde spontane mededeling die overigens ook in cassatie niet wordt betwist, is het oordeel van het Hof dat de politie niet gehouden was de in art. 29 Sv bedoelde cautie te geven en het bewijsmateriaal in zoverre eveneens rechtmatig is verkregen niet onjuist dan wel ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd.

14. Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak en hier de conclusie.

 

Print Friendly and PDF ^

Ook in ontnemingszaken gaat het in de cassatieprocedure niet meer om het oproepen / horen van getuigen maar om de toetsing van de beslissingen dienaangaande

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:379  Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 26 februari 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 50.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het door de raadsman van de betrokkene gedane verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur opgegeven getuigen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

Beoordeling Hoge Raad

Ook in ontnemingszaken geldt hetgeen is overwogen in HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 rov. 273 en 276, te weten dat het in de cassatieprocedure niet meer gaat om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. Bij een afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen wordt in cassatie beoordeeld of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.

Voorts geldt ook in ontnemingszaken dat het karakter van het voortbouwend appel kan worden betrokken bij de motivering van de beslissingen ter zake van verzoeken tot het (doen) horen van getuigen (vgl. HR 6 september 2011, ECLI:NL: HR:2011:BP2675, NJ 2011/496)

Aan het verzoek tot het horen van getuigen heeft de verdediging ten grondslag gelegd dat de Rechtbank bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een te groot aantal transacties en van een te ruime periode waarin die transacties zouden hebben plaatsgevonden. Het Hof heeft het verzoek tot het horen van de getuigen afgewezen op de grond dat het verzoek, gelet op de inhoud van de in het dossier aanwezige printgegevens, gesprekscontacten en weergegeven gesprekken onvoldoende is onderbouwd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en het is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bij de beoordeling van het verzoek, gezien het karakter van het voortbouwend appel, het Hof mocht betrekken, zoals de Rechtbank in het vonnis had gedaan, dat in de financiële rapportage wordt beredeneerd dat en waarom voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van bepaalde, voor de betrokkene meest voordelige, gegevens, zoals een beperking van het aantal telefonische contacten per dag tot de unieke contacten, van het aantal transacties tot een afname per uniek contact per dag en van een aanzienlijke beperking van de periode waarin de transacties zouden hebben plaatsgevonden.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Oordeel van Rb dat strafvorderlijk belang niet beperkt is tot Nederlandse strafvorderlijke belang getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:385 Het gaat in deze beklagprocedure om het volgende. Omstreeks oktober 2012 is er vanuit Nieuw-Zeeland in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de smokkel in methamfetamine contact gezocht met Nederlandse opsporingsautoriteiten en is verzocht om inlichtingen rond een Nederlands telefoonnummer. Daarop is door Nederlandse opsporingsdiensten onderzoek gedaan naar dat telefoonnummer.

Het verzoek is niet gevolgd door een officieel rechtshulpverzoek, zodat het onderzoek daarna is stopgezet. Enkele weken later is wederom informatie uit Nieuw-Zeeland binnengekomen over een internationaal verdovende-middelentransport. Hierop is het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek Toric opgestart. In dat onderzoek is klager naar voren gekomen als degene die in verband kon worden gebracht met het bedoelde telefoonnummer. Op 31 januari 2013 hebben de Nieuw-Zeelandse autoriteiten een rechtshulpverzoek ingediend. Op 5 februari 2013 zijn in het kader van het onderzoek Toric doorzoekingen verricht in woningen in Amsterdam waarbij inbeslagnemingen hebben plaatsgevonden. Die dag is klager ook aangehouden, waarna hij na een daartoe strekkend verzoek is uitgeleverd aan Nieuw-Zeeland en heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt voornemens te zijn de in beslag genomen voorwerpen over te dragen aan de autoriteiten in Nieuw-Zeeland. In de bij de stukken aanwezige schriftuur van het Openbaar Ministerie is te lezen:

“Het onderzoek Toric heeft weliswaar een gerede verdenking opgeleverd jegens verdachte klager, maar in het belang van Nieuw-Zeeland om hem aldaar te vervolgen voor zijn aandeel in het Nieuw-Zeelandse onderzoek is uiteindelijk groter geacht dan het belang om hem in Nederland verder te vervolgen voor Toric.”

Klager heeft nadat de Rechtbank Oost-Brabant zich onbevoegd had verklaard op 26 mei 2014 een klaagschrift ingediend bij de griffie van de Rechtbank Amsterdam. In het klaagschrift is onder meer namens klager gesteld dat het Nederlands strafvorderlijk belang bij het handhaven van het beslag ontbreekt omdat de Nederlandse strafzaak met de overdracht en uitlevering aan Nieuw-Zeeland is geseponeerd.

De Rechtbank Amsterdam heeft op 30 december 2014 het door klager op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift ongegrond verklaard.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank, die had te onderzoeken of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, heeft geoordeeld dat het strafvorderlijk belang niet beperkt is tot het Nederlandse strafvorderlijke belang. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat de Officier van Justitie voornemens is de in beslag genomen voorwerpen over te dragen aan de autoriteiten van Nieuw-Zeeland naar aanleiding van het ingediende rechtshulpverzoek. Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat die voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen in het strafrechtelijk onderzoek waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, en dat met het voortduren van het beslag dan ook een belang van strafvordering is gediend, is niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beklag tegen 94a-beslag op levensverzekeringspolis en banktegedoeden alsnog ongegrond verklaard

Hoge Raad 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:216

Het gaat in deze zaak om een conservatoir beslag op (i) een verzekeringspolis van A Ltd. bij Lombard International Assurance S.A. te Luxemburg en (ii) banktegoeden van B Ltd. bij CBP Quilvest te Luxemburg. Klager bezit – zo staat vermeld in het klaagschrift – de aandelen aan toonder van A Ltd. en B Ltd. De beslagen zijn gelegd door de Luxemburgse autoriteiten naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van het Functioneel Parket en het Bureau Ontnemingswetgeving van het Openbaar Ministerie in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke frauduleuze activiteiten van klager.

 

Namens klager is op 3 oktober 2014 ter griffie van de Rechtbank een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het hiervoor bedoelde conservatoir beslag op de verzekeringspolis en de banktegoeden. Eerder al hadden A Limited en B Limited een klaagschrift ingediend naar aanleiding van het op de verzekeringspolis en de banktegoeden gelegde beslag. Dat beklag is – bij beschikkingen van 25 april 2014 - ongegrond verklaard door de Rechtbank.

Thans verzoekt klager zelf om opheffing van het conservatoir beslag op de verzekeringspolis en de banktegoeden en om teruggave daarvan aan klager. De Rechtbank heeft klager, als gezegd, niet ontvankelijk verklaard.

De bestreden beschikking houdt, voor zover relevant – het volgende in:

De Beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na voornoemde inbeslagneming.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klager niet ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft het tegenovergestelde bepleit. De rechtbank volstaat op dit punt met verwijzing naar de ter zitting van de openbare raadkamer overgelegde schriftelijke standpunten.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de beklagprocedures met RK-nummers 14/380 en 14/381 de klaagschriften ongegrond zijn verklaard en dat ten aanzien van klager als (onbetwiste) eigenaar van de toen klagende bedrijven [A] Ltd. en [B] Ltd. is overwogen dat het naar het oordeel van de rechtbank niet hoogstonwaarschijnlijk is dat in een latere strafprocedure jegens [klager] wordt gekomen tot een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor bedoelde beslissingen zich in materiële zin hebben gericht tot de persoon van [klager]. Eén en ander noopt tot de conclusie dat thans hetzelfde klaagschrift voorligt, zij het ingeleid door een andere klager, te weten [klager]. Nu verder geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Gelet op deze uitkomst behoeven de overige punten geen bespreking meer.“

Middelen 

Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen door het klaagschrift van de klager aan te merken als een herhaald beklag. Het tweede middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de klager geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift, dat strekt tot opheffing van de op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen op (i) een verzekeringspolis van A Ltd. en (ii) op banktegoeden van B Ltd. De klager, die stelt rechthebbende te zijn op die verzekeringspolis en die banktegoeden, heeft in het klaagschrift aangevoerd dat "er geen grondslag is om de gelegde conservatoire beslagen te handhaven" omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de klager zal veroordelen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De Rechtbank heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd:

"De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de beklagprocedures met RK-nummers 14/380 en 14/381 de klaagschriften ongegrond zijn verklaard en dat ten aanzien van klager als (onbetwiste) eigenaar van de toen klagende bedrijven [A] Ltd. en [B] Ltd. is overwogen dat het naar het oordeel van de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk is dat in een latere strafprocedure jegens [klager] wordt gekomen tot een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor bedoelde beslissingen zich in materiële zin hebben gericht tot de persoon van [klager]. Eén en ander noopt tot de conclusie dat thans hetzelfde klaagschrift voorligt, zij het ingeleid door een andere klager, te weten [klager]. Nu verder geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard."

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene als hoedanig de klager kennelijk door de Rechtbank is aangemerkt gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken

a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BL2823, NJ 2010/654)

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich de beschikkingen in de beklagprocedures die in de overwegingen van de Rechtbank zijn genoemd. In die beschikkingen heeft de Rechtbank de klaagschriften van A Ltd. respectievelijk B Ltd. ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft in die zaken onder meer overwogen dat A Ltd. respectievelijk B Ltd. met de klager in de onderhavige zaak moeten worden 'vereenzelvigd'.

Voor zover in de thans bestreden beschikking de Rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat A Ltd. respectievelijk B Ltd. en klager, als dezelfde (rechts)personen moeten worden aangemerkt, is dat oordeel, en de kennelijk daarop gebaseerde beslissing de klager in zijn klaagschrift niet-ontvankelijk te verklaren, niet juist. Het eerste middel klaagt daarover terecht.

De Rechtbank heeft overwogen dat in de beschikkingen in de beklagzaken van A Ltd. en B Ltd. antwoord is gegeven, in materiële zin, op de vraag of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager (als verdachte) de verplichting zal opleggen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, welke vraag in die zaken ontkennend is beantwoord. De Rechtbank heeft voorts vastgesteld dat in de onderhavige zaak geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere beoordeling zouden nopen.

Op grond van dit een en ander moeten de overwegingen van de Rechtbank aldus worden verstaan dat naar haar oordeel de beslagen op de verzekeringspolis en de banktegoeden dienen voort te duren, aangezien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager (als verdachte) de verplichting zal opleggen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Aldus heeft de Rechtbank de juiste maatstaf gehanteerd.

De klacht van het tweede middel, over het oordeel van de Rechtbank dat in de onderhavige zaak geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere beoordeling zouden leiden, is als volgt toegelicht:

"Voorts is van belang dat verzoeker wel degelijke nieuwe omstandigheden en andere argumenten heeft aangedragen. Het eerste nieuwe argument is dat gelet op de stellingen/verdenkingen van de officier van Justitie klager geen voordeel heeft genoten van de vermeende strafrechtelijke gedragingen en dus geen wederechtelijk voordeel kan worden ontnomen. Daarmee heeft verzoeker een verweer gevoerd dat - in het licht van het recente arrest van Uw Raad 27 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:139) - bij uitstek voor beoordeling in een klaagprocedure als deze voor behandeling in aanmerking komt. Door dit verweer te behandelen komt de rechter niet in de knel met het verbod om niet op de hoofdzaak vooruit te lopen. Immers in deze zaak heeft verzoeker gemotiveerd gesteld en is door de officier van justitie niet bestreden dat de eventuele verdiensten met de beweerdelijke strafbare feiten niet aan klager dan wel de aan hem toebehorende vennootschappen [B] en [A] zijn toegekomen maar aan derden. Dat betekent dat zelfs als verzoeker zou worden veroordeeld op grond van de door de officier van justitie gestelde feiten geen ontneming kan plaatsvinden. Verzoeker verwijst hiervoor nog eens expliciet naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.11 van de pleitnotities in zijn klaagprocedure.

Ten tweede heeft verzoeker geconcludeerd dat het beslag op de levensverzekering op naam van [A] onrechtmatig is gelegd omdat de levensverzekering geen vermogensrecht betreft. Verzoeker verwijst ter toelichting naar de onderdelen 3.1 tot en met 3.7 van de pleitnotities in zijn klaagprocedure.

Uit de processen-verbaal van de zitting in de klaagschriftprocedures van [B] en [A] volgt dat deze argumenten niet eerder zijn verwoord."

De vraag of de in de toelichting op het middel genoemde feiten en omstandigheden als 'nieuwe' feiten en omstandigheden moeten worden aangemerkt, kan in het midden blijven. Hetgeen is aangevoerd omtrent het daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel dient de strafrechter te beoordelen in de ontnemingszaak, zodat de klager in zoverre geen belang heeft bij zijn klacht.

Bij zijn stelling dat niet eerder is aangevoerd dat een polis van levensverzekering niet vatbaar is voor conservatoir beslag, heeft de klager ook geen belang aangezien die stelling niet juist is. Het tweede middel is daarom tevergeefs voorgesteld.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de Rechtbank de klager niet niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar het klaagschrift ongegrond had moeten verklaren. De Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

Lees hier de volledige uitspraak.
Print Friendly and PDF ^

Beklag tegen beslag op tegoeden van bankrekeningen ten name van minderjarige klagers

Hoge Raad 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:313

De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 30 mei 2013 het namens klagers ieder voor hen ingediende klaagschrift - strekkende tot opheffing van het op voet van art. 94a Sv onder de (ook nu nog) minderjarige klagers gelegd conservatoir derdenbeslag op spaarrekeningen bij een tweetal banken, met last tot teruggave - ongegrond verklaard.

Daaromtrent heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

"Uit het dossier blijkt dat op 15 augustus 2012 door de officier van justitie conservatoir derdenbeslag is gelegd op bankrekeningen die op naam staan van klagers. Uit het dossier blijkt voorts dat het beslag is gelegd in het kader van een ontnemingszaak tegen de vader van klagers, [betrokkene 1] , die wordt verdacht van strafbare feiten als genoemd in art. 94a lid 1 Sv. Aldus is aan de formele vereisten voor het beslag voldaan.

De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat het vooralsnog niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte [betrokkene 1] een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Resteert de vraag of zich hier de situatie voordoet als bedoelt in het derde en vierde lid van art 94a Sv. In dit verband merkt de rechtbank het volgende op.

Het saldo op naam van bankrekeningen op naam van minderjarigen moet worden geacht te behoren tot het afgescheiden vermogen van deze minderjarigen. Aangezien minderjarigen niet (volledig) handelingsbekwaam zijn berust het beheer daarvan bij hun ouders/verzorgers. Dit betekent echter niet dat deze laatsten ook de beschikkingsmacht hebben over die saldi. Wanneer dergelijke bankrekeningen worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze moeten worden geacht te zijn bestemd, dan wel de ouders/verzorgers met betrekking tot die rekeningen handelingen verrichten die verder strekken dan het enkele beheer van die gelden, rechtvaardigt dit reeds het vermoeden dat sprake is van een schijnconstructie bedoeld om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren. Aangezien het in casu zeer jonge kinderen betreft kan de wetenschap van die schijnconstructie bij de ouders/verzorgers aan hen worden toegerekend.

Uit het dossier blijkt dat de (spaarrekeningen [001] (ABN-AMRO), [002] (ABN-AMRO) en [003] (ABN-AMRO) op naam van de minderjarige [klager 1] worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor die zijn bedoeld. Feitelijk wordt over deze rekeningen beschikt als waren zij betaalrekeningen (rekening-courant), bijvoorbeeld ten behoeve van betalingen aan of het ontvangen van gelden van derden, waarvan redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat die ten behoeve van het beheer van die saldi ten gunste van de betrokken minderjarige worden verricht. De bij het verweerschrift gevoegde bijlagen met betrekking tot de bijschrijvingen door [betrokkene 2] op de rekening [001] (ABN-AMRO), de overschrijvingen en stortingen van en op deze rekening, alsmede de rekeningen [002] (ABN-AMRO) en [003] (ABN-AMRO) in combinatie met de bijgevoegde tapgesprekken leiden tot de voorlopige conclusie dat het er de schijn van heeft dat de ouders met betrekking tot deze rekeningen handelden als waren zij bevoegd daarover te beschikken en het dus een schijnconstructie betreft, bedoeld om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren.

Met betrekking tot de rekeningen [004] (ING) op naam van [klager 1] en de rekeningen [005] (ABN-AMRO), [006] (ABN-AMRO) en [007] (ABN- AMRO) op naam van de minderjarige [klager 2] valt op dat op die rekeningen met regelmaat (door middel van kasstortingen) grote sommen geld worden overgemaakt. Uit het PV 30-148847 kan met betrekking tot de stortingen op de rekening [004] (ING) op naam van [klager 1] vanaf de rekening [008] (ING) op naam van haar grootouders [betrokkene 3/4] worden afgeleid dat deze stortingen in relatie staan tot schenkingen die door de verdachte [betrokkene 1] aan zijn moeder, [betrokkene 4] , zijn gedaan. Aangezien de verdachte [betrokkene 1] , noch zijn partner [betrokkene 5] over legaal inkomen beschikten is het op voorhand aannemelijk dat dit geld niet uit een legale bron afkomstig is. Hetzelfde geldt voor de stortingen vanaf de rekeningen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (resp. moeder en oma van [klager 2] ) op de rekeningen [005] (ABN-AMRO) en [006] (ABN-AMRO) op naam van [klager 2] en de kasstorting op rekening [007] (ABN-AMRO), eveneens op naam van [klager 2] . Ook hiervan geldt dat vooralsnog aannemelijk is geworden dat voor de herkomst van dat geld geen legale bron bestaat. Nu verder uit het voorgaande (met name uit de hiervoor aangehaalde tapgesprekken) vooralsnog voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte en zijn partner met betrekking tot de bankrekeningen op naam van hun kinderen handelden op een wijze die verder gaat dan het enkele beheer van dat vermogen, kan de rechtbank ook met betrekking tot deze rekeningen tot de voorlopige conclusie komen dat sprake lijkt te zijn van een schijnconstructie om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren."

Middel

Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat, nu het hier zeer jonge kinderen betreft, wetenschap van de schijnconstructie bij de ouders/verzorgers aan hen kan worden toegerekend.

Volgens de steller van het middel miskent de Rechtbank hierdoor de inhoud van art. 94a, derde lid (oud), Sv op grond waarvan de objectieve en subjectieve wetenschap aan de zijde van de derde aan wie de voorwerpen toebehoren bepalend is.

Beoordeling Hoge Raad

Het gaat hier om op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen op tegoeden van bankrekeningen die luiden ten name van de minderjarige klagers. De beslagen zijn gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de vader van de klagers. Het namens de klagers ingediende klaagschrift strekt tot opheffing van de beslagen. Daartoe is aangevoerd dat het gaat om aan de klagers toebehorende banktegoeden.

Indien, zoals in het onderhavige geval, een klaagschrift is ingediend door een derde, die stelt dat de beslagen banktegoeden hem toekomen, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als rechthebbende van het in beslag genomen goed moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Bij bevestigende beantwoording zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, (oud) Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BL2823, NJ 2010/654).

Blijkens de in 2.2 weergegeven overwegingen heeft de Rechtbank - niet-onbegrijpelijk - geoordeeld dat hoewel de bankrekeningen zijn gesteld ten name van de minderjarige klagers, sprake is van een schijnconstructie om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren, waarbij de Rechtbank in aanmerking heeft genomen dat de "verdachte en zijn partner met betrekking tot de bankrekeningen op naam van hun kinderen handelden op een wijze die verder gaat dan het enkele beheer van dat vermogen" en dat "over deze rekeningen [wordt] beschikt als waren zij betaalrekeningen (rekening-courant), bijvoorbeeld ten behoeve van betalingen aan of het ontvangen van gelden van derden, waarvan redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat die ten behoeve van het beheer van die saldi ten gunste van de betrokken minderjarige worden verricht". In die overwegingen ligt als oordeel van de Rechtbank besloten dat niet buiten redelijke twijfel is dat de tegoeden van de bankrekeningen aan de klagers toebehoren. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Hetgeen de Rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de wetenschap van de minderjarige klagers van de schijnconstructie, kan buiten beschouwing blijven. Gelet op hetgeen in 2.4 is overwogen hoefde de Rechtbank niet te onderzoeken of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, (oud) Sv voordoet.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG: contrair 

10. De overweging van de Rechtbank in de onderhavige zaak vertoont gelijkenis met die van de Rechtbank in voormeld arrest, nu daarmee wordt getracht de invulling van (ook) voorwaarde c te construeren. Uit de door de Rechtbank vastgestelde omstandigheid dat klagers ten tijde van het leggen van het conservatoir beslag op 15 augustus 2012 de leeftijd van negen en vijf jaar hadden, en derhalve ten tijde van het bestaan van de door de Rechtbank aangenomen schijnconstructie in ieder geval niet ouder waren, kan immers niet anders volgen dan dat bij hen geen sprake was van de wetenschap of het vermoeden als bedoeld in art. 94a, derde lid (oud), thans vierde lid, Sv. Dat zou betekenen dat de door de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest beschreven uitzondering – “Dat is slechts anders” etc. – zich hier niet voordoet en dat de grond waarop het oordeel van de Rechtbank berust dat de saldi op de spaarrekeningen op naam van klagers vatbaar zijn voor inbeslagneming met het oog op de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in een strafrechtelijke procedure, onjuist is. Daaraan doet, denk ik, niet af de creativiteit van haar oplossing5, die, zo neem ik aan, is ingegeven vanuit de gedachte om de schijnconstructie, waarvan ook naar mijn inzicht sprake is, niet in stand te houden met een gegrondverklaring van de klaagschriften. De klacht treft dus doel.

11. Aanknopend bij dat laatste veroorloof ik mij nog enkele afsluitende opmerkingen.

12. In de onderhavige zaak beschikte de vader, tevens de verdachte, feitelijk als heer en meester over de rekeningen die op naam van zijn minderjarige kinderen stonden, als ware het zijn eigen bankrekeningen, aldus de zaaksofficier van justitie in zijn verweerschrift. Aan de rekeningnummers mochten dan wel de namen van klagers verbonden zijn, van een werkelijke kinderspaarrekening was in geen van beide gevallen sprake. De storting van de geldbedragen op de spaarrekeningen van klagers was bedoeld om het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het (directe) gezichtsveld van justitie of de fiscus te brengen en om te camoufleren wie de werkelijk rechthebbende is.6Zou het gevolg van een dergelijke schijnconstructie zijn dat – en dit lijkt de Rechtbank aan te nemen – dit wederrechtelijk verkregen voordeel reeds daardoor niet (meer) tot het eigen vermogen van de ouder kan worden gerekend, dan ontstaat een zeer onwenselijke situatie. In dat geval zou namelijk evenmin op grond van (het huidige) art 94a, eerste, tweede en derde lid, Sv ten laste van de ouder (de verdachte) derdenbeslag op dat vermogen kunnen worden gelegd.

13. Ik heb mij dan ook afgevraagd of en, zo ja, op welke wijze de huidige strafvorderlijke beslagregeling ruimte biedt dergelijke schijnconstructies te bemoeilijken of te verhinderen. Ik meen dat dit het geval is, zelfs zonder dat daarvoor een doorwrochte benadering vanuit een theoretisch kader, met de focus op begrippen als civielrechtelijke eigendom en strafrechtelijk toebehoren en de verschillen daartussen, nodig is.7 Het lijkt mij dat er een eenvoudiger en meer praktische oplossing denkbaar is door in zaken als de onderhavige aan te nemen dat de tenaamstelling van bankrekeningnummers niet doorslaggevend hoeft te zijn voor de beantwoording van de vraag wie redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt op het banksaldo of, ruimer, het banktegoed. Te dien opzichte zou geredeneerd kunnen worden overeenkomstig de gedachtelijn die de Hoge Raad in zijn arrest van 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3451 volgde:

“3.5. Bij de beantwoording van de vraag of degene die stelt eigenaar te zijn van onder een ander inbeslaggenomen voorwerpen, zoals de onderhavige personenauto's en motorfiets, redelijkerwijs als rechthebbende van die voorwerpen moet worden aangemerkt, is niet doorslaggevend dat die voorwerpen volgens een door de klager en de beslagene opgemaakte overeenkomst zijn verkocht aan de klager en in het kentekenregister op de naam van de klager zijn gesteld. Het oordeel van de Rechtbank "dat ondanks de overeenkomst van overdracht van 2 juli 2009 tussen [betrokkene 1] en klager en het feit dat de beide personenauto's daarna op naam van klager zijn gesteld, vooralsnog niet buiten redelijke twijfel staat dat [de klager] als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden beschouwd", geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd en is - gelet op de door de Rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden - niet onbegrijpelijk.”

14. Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^