Beklag tegen beslag op tegoeden van bankrekeningen ten name van minderjarige klagers

Hoge Raad 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:313

De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 30 mei 2013 het namens klagers ieder voor hen ingediende klaagschrift - strekkende tot opheffing van het op voet van art. 94a Sv onder de (ook nu nog) minderjarige klagers gelegd conservatoir derdenbeslag op spaarrekeningen bij een tweetal banken, met last tot teruggave - ongegrond verklaard.

Daaromtrent heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

"Uit het dossier blijkt dat op 15 augustus 2012 door de officier van justitie conservatoir derdenbeslag is gelegd op bankrekeningen die op naam staan van klagers. Uit het dossier blijkt voorts dat het beslag is gelegd in het kader van een ontnemingszaak tegen de vader van klagers, [betrokkene 1] , die wordt verdacht van strafbare feiten als genoemd in art. 94a lid 1 Sv. Aldus is aan de formele vereisten voor het beslag voldaan.

De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat het vooralsnog niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte [betrokkene 1] een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Resteert de vraag of zich hier de situatie voordoet als bedoelt in het derde en vierde lid van art 94a Sv. In dit verband merkt de rechtbank het volgende op.

Het saldo op naam van bankrekeningen op naam van minderjarigen moet worden geacht te behoren tot het afgescheiden vermogen van deze minderjarigen. Aangezien minderjarigen niet (volledig) handelingsbekwaam zijn berust het beheer daarvan bij hun ouders/verzorgers. Dit betekent echter niet dat deze laatsten ook de beschikkingsmacht hebben over die saldi. Wanneer dergelijke bankrekeningen worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze moeten worden geacht te zijn bestemd, dan wel de ouders/verzorgers met betrekking tot die rekeningen handelingen verrichten die verder strekken dan het enkele beheer van die gelden, rechtvaardigt dit reeds het vermoeden dat sprake is van een schijnconstructie bedoeld om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren. Aangezien het in casu zeer jonge kinderen betreft kan de wetenschap van die schijnconstructie bij de ouders/verzorgers aan hen worden toegerekend.

Uit het dossier blijkt dat de (spaarrekeningen [001] (ABN-AMRO), [002] (ABN-AMRO) en [003] (ABN-AMRO) op naam van de minderjarige [klager 1] worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor die zijn bedoeld. Feitelijk wordt over deze rekeningen beschikt als waren zij betaalrekeningen (rekening-courant), bijvoorbeeld ten behoeve van betalingen aan of het ontvangen van gelden van derden, waarvan redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat die ten behoeve van het beheer van die saldi ten gunste van de betrokken minderjarige worden verricht. De bij het verweerschrift gevoegde bijlagen met betrekking tot de bijschrijvingen door [betrokkene 2] op de rekening [001] (ABN-AMRO), de overschrijvingen en stortingen van en op deze rekening, alsmede de rekeningen [002] (ABN-AMRO) en [003] (ABN-AMRO) in combinatie met de bijgevoegde tapgesprekken leiden tot de voorlopige conclusie dat het er de schijn van heeft dat de ouders met betrekking tot deze rekeningen handelden als waren zij bevoegd daarover te beschikken en het dus een schijnconstructie betreft, bedoeld om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren.

Met betrekking tot de rekeningen [004] (ING) op naam van [klager 1] en de rekeningen [005] (ABN-AMRO), [006] (ABN-AMRO) en [007] (ABN- AMRO) op naam van de minderjarige [klager 2] valt op dat op die rekeningen met regelmaat (door middel van kasstortingen) grote sommen geld worden overgemaakt. Uit het PV 30-148847 kan met betrekking tot de stortingen op de rekening [004] (ING) op naam van [klager 1] vanaf de rekening [008] (ING) op naam van haar grootouders [betrokkene 3/4] worden afgeleid dat deze stortingen in relatie staan tot schenkingen die door de verdachte [betrokkene 1] aan zijn moeder, [betrokkene 4] , zijn gedaan. Aangezien de verdachte [betrokkene 1] , noch zijn partner [betrokkene 5] over legaal inkomen beschikten is het op voorhand aannemelijk dat dit geld niet uit een legale bron afkomstig is. Hetzelfde geldt voor de stortingen vanaf de rekeningen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (resp. moeder en oma van [klager 2] ) op de rekeningen [005] (ABN-AMRO) en [006] (ABN-AMRO) op naam van [klager 2] en de kasstorting op rekening [007] (ABN-AMRO), eveneens op naam van [klager 2] . Ook hiervan geldt dat vooralsnog aannemelijk is geworden dat voor de herkomst van dat geld geen legale bron bestaat. Nu verder uit het voorgaande (met name uit de hiervoor aangehaalde tapgesprekken) vooralsnog voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte en zijn partner met betrekking tot de bankrekeningen op naam van hun kinderen handelden op een wijze die verder gaat dan het enkele beheer van dat vermogen, kan de rechtbank ook met betrekking tot deze rekeningen tot de voorlopige conclusie komen dat sprake lijkt te zijn van een schijnconstructie om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren."

Middel

Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat, nu het hier zeer jonge kinderen betreft, wetenschap van de schijnconstructie bij de ouders/verzorgers aan hen kan worden toegerekend.

Volgens de steller van het middel miskent de Rechtbank hierdoor de inhoud van art. 94a, derde lid (oud), Sv op grond waarvan de objectieve en subjectieve wetenschap aan de zijde van de derde aan wie de voorwerpen toebehoren bepalend is.

Beoordeling Hoge Raad

Het gaat hier om op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen op tegoeden van bankrekeningen die luiden ten name van de minderjarige klagers. De beslagen zijn gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de vader van de klagers. Het namens de klagers ingediende klaagschrift strekt tot opheffing van de beslagen. Daartoe is aangevoerd dat het gaat om aan de klagers toebehorende banktegoeden.

Indien, zoals in het onderhavige geval, een klaagschrift is ingediend door een derde, die stelt dat de beslagen banktegoeden hem toekomen, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als rechthebbende van het in beslag genomen goed moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Bij bevestigende beantwoording zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, (oud) Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BL2823, NJ 2010/654).

Blijkens de in 2.2 weergegeven overwegingen heeft de Rechtbank - niet-onbegrijpelijk - geoordeeld dat hoewel de bankrekeningen zijn gesteld ten name van de minderjarige klagers, sprake is van een schijnconstructie om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren, waarbij de Rechtbank in aanmerking heeft genomen dat de "verdachte en zijn partner met betrekking tot de bankrekeningen op naam van hun kinderen handelden op een wijze die verder gaat dan het enkele beheer van dat vermogen" en dat "over deze rekeningen [wordt] beschikt als waren zij betaalrekeningen (rekening-courant), bijvoorbeeld ten behoeve van betalingen aan of het ontvangen van gelden van derden, waarvan redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat die ten behoeve van het beheer van die saldi ten gunste van de betrokken minderjarige worden verricht". In die overwegingen ligt als oordeel van de Rechtbank besloten dat niet buiten redelijke twijfel is dat de tegoeden van de bankrekeningen aan de klagers toebehoren. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Hetgeen de Rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de wetenschap van de minderjarige klagers van de schijnconstructie, kan buiten beschouwing blijven. Gelet op hetgeen in 2.4 is overwogen hoefde de Rechtbank niet te onderzoeken of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, (oud) Sv voordoet.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG: contrair 

10. De overweging van de Rechtbank in de onderhavige zaak vertoont gelijkenis met die van de Rechtbank in voormeld arrest, nu daarmee wordt getracht de invulling van (ook) voorwaarde c te construeren. Uit de door de Rechtbank vastgestelde omstandigheid dat klagers ten tijde van het leggen van het conservatoir beslag op 15 augustus 2012 de leeftijd van negen en vijf jaar hadden, en derhalve ten tijde van het bestaan van de door de Rechtbank aangenomen schijnconstructie in ieder geval niet ouder waren, kan immers niet anders volgen dan dat bij hen geen sprake was van de wetenschap of het vermoeden als bedoeld in art. 94a, derde lid (oud), thans vierde lid, Sv. Dat zou betekenen dat de door de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest beschreven uitzondering – “Dat is slechts anders” etc. – zich hier niet voordoet en dat de grond waarop het oordeel van de Rechtbank berust dat de saldi op de spaarrekeningen op naam van klagers vatbaar zijn voor inbeslagneming met het oog op de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in een strafrechtelijke procedure, onjuist is. Daaraan doet, denk ik, niet af de creativiteit van haar oplossing5, die, zo neem ik aan, is ingegeven vanuit de gedachte om de schijnconstructie, waarvan ook naar mijn inzicht sprake is, niet in stand te houden met een gegrondverklaring van de klaagschriften. De klacht treft dus doel.

11. Aanknopend bij dat laatste veroorloof ik mij nog enkele afsluitende opmerkingen.

12. In de onderhavige zaak beschikte de vader, tevens de verdachte, feitelijk als heer en meester over de rekeningen die op naam van zijn minderjarige kinderen stonden, als ware het zijn eigen bankrekeningen, aldus de zaaksofficier van justitie in zijn verweerschrift. Aan de rekeningnummers mochten dan wel de namen van klagers verbonden zijn, van een werkelijke kinderspaarrekening was in geen van beide gevallen sprake. De storting van de geldbedragen op de spaarrekeningen van klagers was bedoeld om het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het (directe) gezichtsveld van justitie of de fiscus te brengen en om te camoufleren wie de werkelijk rechthebbende is.6Zou het gevolg van een dergelijke schijnconstructie zijn dat – en dit lijkt de Rechtbank aan te nemen – dit wederrechtelijk verkregen voordeel reeds daardoor niet (meer) tot het eigen vermogen van de ouder kan worden gerekend, dan ontstaat een zeer onwenselijke situatie. In dat geval zou namelijk evenmin op grond van (het huidige) art 94a, eerste, tweede en derde lid, Sv ten laste van de ouder (de verdachte) derdenbeslag op dat vermogen kunnen worden gelegd.

13. Ik heb mij dan ook afgevraagd of en, zo ja, op welke wijze de huidige strafvorderlijke beslagregeling ruimte biedt dergelijke schijnconstructies te bemoeilijken of te verhinderen. Ik meen dat dit het geval is, zelfs zonder dat daarvoor een doorwrochte benadering vanuit een theoretisch kader, met de focus op begrippen als civielrechtelijke eigendom en strafrechtelijk toebehoren en de verschillen daartussen, nodig is.7 Het lijkt mij dat er een eenvoudiger en meer praktische oplossing denkbaar is door in zaken als de onderhavige aan te nemen dat de tenaamstelling van bankrekeningnummers niet doorslaggevend hoeft te zijn voor de beantwoording van de vraag wie redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt op het banksaldo of, ruimer, het banktegoed. Te dien opzichte zou geredeneerd kunnen worden overeenkomstig de gedachtelijn die de Hoge Raad in zijn arrest van 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3451 volgde:

“3.5. Bij de beantwoording van de vraag of degene die stelt eigenaar te zijn van onder een ander inbeslaggenomen voorwerpen, zoals de onderhavige personenauto's en motorfiets, redelijkerwijs als rechthebbende van die voorwerpen moet worden aangemerkt, is niet doorslaggevend dat die voorwerpen volgens een door de klager en de beslagene opgemaakte overeenkomst zijn verkocht aan de klager en in het kentekenregister op de naam van de klager zijn gesteld. Het oordeel van de Rechtbank "dat ondanks de overeenkomst van overdracht van 2 juli 2009 tussen [betrokkene 1] en klager en het feit dat de beide personenauto's daarna op naam van klager zijn gesteld, vooralsnog niet buiten redelijke twijfel staat dat [de klager] als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden beschouwd", geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd en is - gelet op de door de Rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden - niet onbegrijpelijk.”

14. Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF