Beklag tegen 94a-beslag op levensverzekeringspolis en banktegedoeden alsnog ongegrond verklaard

Hoge Raad 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:216

Het gaat in deze zaak om een conservatoir beslag op (i) een verzekeringspolis van A Ltd. bij Lombard International Assurance S.A. te Luxemburg en (ii) banktegoeden van B Ltd. bij CBP Quilvest te Luxemburg. Klager bezit – zo staat vermeld in het klaagschrift – de aandelen aan toonder van A Ltd. en B Ltd. De beslagen zijn gelegd door de Luxemburgse autoriteiten naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van het Functioneel Parket en het Bureau Ontnemingswetgeving van het Openbaar Ministerie in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke frauduleuze activiteiten van klager.

 

Namens klager is op 3 oktober 2014 ter griffie van de Rechtbank een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het hiervoor bedoelde conservatoir beslag op de verzekeringspolis en de banktegoeden. Eerder al hadden A Limited en B Limited een klaagschrift ingediend naar aanleiding van het op de verzekeringspolis en de banktegoeden gelegde beslag. Dat beklag is – bij beschikkingen van 25 april 2014 - ongegrond verklaard door de Rechtbank.

Thans verzoekt klager zelf om opheffing van het conservatoir beslag op de verzekeringspolis en de banktegoeden en om teruggave daarvan aan klager. De Rechtbank heeft klager, als gezegd, niet ontvankelijk verklaard.

De bestreden beschikking houdt, voor zover relevant – het volgende in:

De Beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na voornoemde inbeslagneming.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klager niet ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft het tegenovergestelde bepleit. De rechtbank volstaat op dit punt met verwijzing naar de ter zitting van de openbare raadkamer overgelegde schriftelijke standpunten.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de beklagprocedures met RK-nummers 14/380 en 14/381 de klaagschriften ongegrond zijn verklaard en dat ten aanzien van klager als (onbetwiste) eigenaar van de toen klagende bedrijven [A] Ltd. en [B] Ltd. is overwogen dat het naar het oordeel van de rechtbank niet hoogstonwaarschijnlijk is dat in een latere strafprocedure jegens [klager] wordt gekomen tot een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor bedoelde beslissingen zich in materiële zin hebben gericht tot de persoon van [klager]. Eén en ander noopt tot de conclusie dat thans hetzelfde klaagschrift voorligt, zij het ingeleid door een andere klager, te weten [klager]. Nu verder geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Gelet op deze uitkomst behoeven de overige punten geen bespreking meer.“

Middelen 

Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen door het klaagschrift van de klager aan te merken als een herhaald beklag. Het tweede middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de klager geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift, dat strekt tot opheffing van de op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen op (i) een verzekeringspolis van A Ltd. en (ii) op banktegoeden van B Ltd. De klager, die stelt rechthebbende te zijn op die verzekeringspolis en die banktegoeden, heeft in het klaagschrift aangevoerd dat "er geen grondslag is om de gelegde conservatoire beslagen te handhaven" omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de klager zal veroordelen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De Rechtbank heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd:

"De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de beklagprocedures met RK-nummers 14/380 en 14/381 de klaagschriften ongegrond zijn verklaard en dat ten aanzien van klager als (onbetwiste) eigenaar van de toen klagende bedrijven [A] Ltd. en [B] Ltd. is overwogen dat het naar het oordeel van de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk is dat in een latere strafprocedure jegens [klager] wordt gekomen tot een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor bedoelde beslissingen zich in materiële zin hebben gericht tot de persoon van [klager]. Eén en ander noopt tot de conclusie dat thans hetzelfde klaagschrift voorligt, zij het ingeleid door een andere klager, te weten [klager]. Nu verder geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard."

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene als hoedanig de klager kennelijk door de Rechtbank is aangemerkt gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken

a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BL2823, NJ 2010/654)

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich de beschikkingen in de beklagprocedures die in de overwegingen van de Rechtbank zijn genoemd. In die beschikkingen heeft de Rechtbank de klaagschriften van A Ltd. respectievelijk B Ltd. ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft in die zaken onder meer overwogen dat A Ltd. respectievelijk B Ltd. met de klager in de onderhavige zaak moeten worden 'vereenzelvigd'.

Voor zover in de thans bestreden beschikking de Rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat A Ltd. respectievelijk B Ltd. en klager, als dezelfde (rechts)personen moeten worden aangemerkt, is dat oordeel, en de kennelijk daarop gebaseerde beslissing de klager in zijn klaagschrift niet-ontvankelijk te verklaren, niet juist. Het eerste middel klaagt daarover terecht.

De Rechtbank heeft overwogen dat in de beschikkingen in de beklagzaken van A Ltd. en B Ltd. antwoord is gegeven, in materiële zin, op de vraag of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager (als verdachte) de verplichting zal opleggen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, welke vraag in die zaken ontkennend is beantwoord. De Rechtbank heeft voorts vastgesteld dat in de onderhavige zaak geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere beoordeling zouden nopen.

Op grond van dit een en ander moeten de overwegingen van de Rechtbank aldus worden verstaan dat naar haar oordeel de beslagen op de verzekeringspolis en de banktegoeden dienen voort te duren, aangezien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager (als verdachte) de verplichting zal opleggen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Aldus heeft de Rechtbank de juiste maatstaf gehanteerd.

De klacht van het tweede middel, over het oordeel van de Rechtbank dat in de onderhavige zaak geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere beoordeling zouden leiden, is als volgt toegelicht:

"Voorts is van belang dat verzoeker wel degelijke nieuwe omstandigheden en andere argumenten heeft aangedragen. Het eerste nieuwe argument is dat gelet op de stellingen/verdenkingen van de officier van Justitie klager geen voordeel heeft genoten van de vermeende strafrechtelijke gedragingen en dus geen wederechtelijk voordeel kan worden ontnomen. Daarmee heeft verzoeker een verweer gevoerd dat - in het licht van het recente arrest van Uw Raad 27 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:139) - bij uitstek voor beoordeling in een klaagprocedure als deze voor behandeling in aanmerking komt. Door dit verweer te behandelen komt de rechter niet in de knel met het verbod om niet op de hoofdzaak vooruit te lopen. Immers in deze zaak heeft verzoeker gemotiveerd gesteld en is door de officier van justitie niet bestreden dat de eventuele verdiensten met de beweerdelijke strafbare feiten niet aan klager dan wel de aan hem toebehorende vennootschappen [B] en [A] zijn toegekomen maar aan derden. Dat betekent dat zelfs als verzoeker zou worden veroordeeld op grond van de door de officier van justitie gestelde feiten geen ontneming kan plaatsvinden. Verzoeker verwijst hiervoor nog eens expliciet naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.11 van de pleitnotities in zijn klaagprocedure.

Ten tweede heeft verzoeker geconcludeerd dat het beslag op de levensverzekering op naam van [A] onrechtmatig is gelegd omdat de levensverzekering geen vermogensrecht betreft. Verzoeker verwijst ter toelichting naar de onderdelen 3.1 tot en met 3.7 van de pleitnotities in zijn klaagprocedure.

Uit de processen-verbaal van de zitting in de klaagschriftprocedures van [B] en [A] volgt dat deze argumenten niet eerder zijn verwoord."

De vraag of de in de toelichting op het middel genoemde feiten en omstandigheden als 'nieuwe' feiten en omstandigheden moeten worden aangemerkt, kan in het midden blijven. Hetgeen is aangevoerd omtrent het daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel dient de strafrechter te beoordelen in de ontnemingszaak, zodat de klager in zoverre geen belang heeft bij zijn klacht.

Bij zijn stelling dat niet eerder is aangevoerd dat een polis van levensverzekering niet vatbaar is voor conservatoir beslag, heeft de klager ook geen belang aangezien die stelling niet juist is. Het tweede middel is daarom tevergeefs voorgesteld.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de Rechtbank de klager niet niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar het klaagschrift ongegrond had moeten verklaren. De Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

Lees hier de volledige uitspraak.
Print Friendly and PDF ^

Beklag tegen beslag op tegoeden van bankrekeningen ten name van minderjarige klagers

Hoge Raad 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:313

De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 30 mei 2013 het namens klagers ieder voor hen ingediende klaagschrift - strekkende tot opheffing van het op voet van art. 94a Sv onder de (ook nu nog) minderjarige klagers gelegd conservatoir derdenbeslag op spaarrekeningen bij een tweetal banken, met last tot teruggave - ongegrond verklaard.

Daaromtrent heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

"Uit het dossier blijkt dat op 15 augustus 2012 door de officier van justitie conservatoir derdenbeslag is gelegd op bankrekeningen die op naam staan van klagers. Uit het dossier blijkt voorts dat het beslag is gelegd in het kader van een ontnemingszaak tegen de vader van klagers, [betrokkene 1] , die wordt verdacht van strafbare feiten als genoemd in art. 94a lid 1 Sv. Aldus is aan de formele vereisten voor het beslag voldaan.

De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat het vooralsnog niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte [betrokkene 1] een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Resteert de vraag of zich hier de situatie voordoet als bedoelt in het derde en vierde lid van art 94a Sv. In dit verband merkt de rechtbank het volgende op.

Het saldo op naam van bankrekeningen op naam van minderjarigen moet worden geacht te behoren tot het afgescheiden vermogen van deze minderjarigen. Aangezien minderjarigen niet (volledig) handelingsbekwaam zijn berust het beheer daarvan bij hun ouders/verzorgers. Dit betekent echter niet dat deze laatsten ook de beschikkingsmacht hebben over die saldi. Wanneer dergelijke bankrekeningen worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze moeten worden geacht te zijn bestemd, dan wel de ouders/verzorgers met betrekking tot die rekeningen handelingen verrichten die verder strekken dan het enkele beheer van die gelden, rechtvaardigt dit reeds het vermoeden dat sprake is van een schijnconstructie bedoeld om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren. Aangezien het in casu zeer jonge kinderen betreft kan de wetenschap van die schijnconstructie bij de ouders/verzorgers aan hen worden toegerekend.

Uit het dossier blijkt dat de (spaarrekeningen [001] (ABN-AMRO), [002] (ABN-AMRO) en [003] (ABN-AMRO) op naam van de minderjarige [klager 1] worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor die zijn bedoeld. Feitelijk wordt over deze rekeningen beschikt als waren zij betaalrekeningen (rekening-courant), bijvoorbeeld ten behoeve van betalingen aan of het ontvangen van gelden van derden, waarvan redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat die ten behoeve van het beheer van die saldi ten gunste van de betrokken minderjarige worden verricht. De bij het verweerschrift gevoegde bijlagen met betrekking tot de bijschrijvingen door [betrokkene 2] op de rekening [001] (ABN-AMRO), de overschrijvingen en stortingen van en op deze rekening, alsmede de rekeningen [002] (ABN-AMRO) en [003] (ABN-AMRO) in combinatie met de bijgevoegde tapgesprekken leiden tot de voorlopige conclusie dat het er de schijn van heeft dat de ouders met betrekking tot deze rekeningen handelden als waren zij bevoegd daarover te beschikken en het dus een schijnconstructie betreft, bedoeld om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren.

Met betrekking tot de rekeningen [004] (ING) op naam van [klager 1] en de rekeningen [005] (ABN-AMRO), [006] (ABN-AMRO) en [007] (ABN- AMRO) op naam van de minderjarige [klager 2] valt op dat op die rekeningen met regelmaat (door middel van kasstortingen) grote sommen geld worden overgemaakt. Uit het PV 30-148847 kan met betrekking tot de stortingen op de rekening [004] (ING) op naam van [klager 1] vanaf de rekening [008] (ING) op naam van haar grootouders [betrokkene 3/4] worden afgeleid dat deze stortingen in relatie staan tot schenkingen die door de verdachte [betrokkene 1] aan zijn moeder, [betrokkene 4] , zijn gedaan. Aangezien de verdachte [betrokkene 1] , noch zijn partner [betrokkene 5] over legaal inkomen beschikten is het op voorhand aannemelijk dat dit geld niet uit een legale bron afkomstig is. Hetzelfde geldt voor de stortingen vanaf de rekeningen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (resp. moeder en oma van [klager 2] ) op de rekeningen [005] (ABN-AMRO) en [006] (ABN-AMRO) op naam van [klager 2] en de kasstorting op rekening [007] (ABN-AMRO), eveneens op naam van [klager 2] . Ook hiervan geldt dat vooralsnog aannemelijk is geworden dat voor de herkomst van dat geld geen legale bron bestaat. Nu verder uit het voorgaande (met name uit de hiervoor aangehaalde tapgesprekken) vooralsnog voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte en zijn partner met betrekking tot de bankrekeningen op naam van hun kinderen handelden op een wijze die verder gaat dan het enkele beheer van dat vermogen, kan de rechtbank ook met betrekking tot deze rekeningen tot de voorlopige conclusie komen dat sprake lijkt te zijn van een schijnconstructie om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren."

Middel

Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat, nu het hier zeer jonge kinderen betreft, wetenschap van de schijnconstructie bij de ouders/verzorgers aan hen kan worden toegerekend.

Volgens de steller van het middel miskent de Rechtbank hierdoor de inhoud van art. 94a, derde lid (oud), Sv op grond waarvan de objectieve en subjectieve wetenschap aan de zijde van de derde aan wie de voorwerpen toebehoren bepalend is.

Beoordeling Hoge Raad

Het gaat hier om op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen op tegoeden van bankrekeningen die luiden ten name van de minderjarige klagers. De beslagen zijn gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de vader van de klagers. Het namens de klagers ingediende klaagschrift strekt tot opheffing van de beslagen. Daartoe is aangevoerd dat het gaat om aan de klagers toebehorende banktegoeden.

Indien, zoals in het onderhavige geval, een klaagschrift is ingediend door een derde, die stelt dat de beslagen banktegoeden hem toekomen, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als rechthebbende van het in beslag genomen goed moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Bij bevestigende beantwoording zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, (oud) Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BL2823, NJ 2010/654).

Blijkens de in 2.2 weergegeven overwegingen heeft de Rechtbank - niet-onbegrijpelijk - geoordeeld dat hoewel de bankrekeningen zijn gesteld ten name van de minderjarige klagers, sprake is van een schijnconstructie om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren, waarbij de Rechtbank in aanmerking heeft genomen dat de "verdachte en zijn partner met betrekking tot de bankrekeningen op naam van hun kinderen handelden op een wijze die verder gaat dan het enkele beheer van dat vermogen" en dat "over deze rekeningen [wordt] beschikt als waren zij betaalrekeningen (rekening-courant), bijvoorbeeld ten behoeve van betalingen aan of het ontvangen van gelden van derden, waarvan redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat die ten behoeve van het beheer van die saldi ten gunste van de betrokken minderjarige worden verricht". In die overwegingen ligt als oordeel van de Rechtbank besloten dat niet buiten redelijke twijfel is dat de tegoeden van de bankrekeningen aan de klagers toebehoren. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Hetgeen de Rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de wetenschap van de minderjarige klagers van de schijnconstructie, kan buiten beschouwing blijven. Gelet op hetgeen in 2.4 is overwogen hoefde de Rechtbank niet te onderzoeken of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, (oud) Sv voordoet.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG: contrair 

10. De overweging van de Rechtbank in de onderhavige zaak vertoont gelijkenis met die van de Rechtbank in voormeld arrest, nu daarmee wordt getracht de invulling van (ook) voorwaarde c te construeren. Uit de door de Rechtbank vastgestelde omstandigheid dat klagers ten tijde van het leggen van het conservatoir beslag op 15 augustus 2012 de leeftijd van negen en vijf jaar hadden, en derhalve ten tijde van het bestaan van de door de Rechtbank aangenomen schijnconstructie in ieder geval niet ouder waren, kan immers niet anders volgen dan dat bij hen geen sprake was van de wetenschap of het vermoeden als bedoeld in art. 94a, derde lid (oud), thans vierde lid, Sv. Dat zou betekenen dat de door de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest beschreven uitzondering – “Dat is slechts anders” etc. – zich hier niet voordoet en dat de grond waarop het oordeel van de Rechtbank berust dat de saldi op de spaarrekeningen op naam van klagers vatbaar zijn voor inbeslagneming met het oog op de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in een strafrechtelijke procedure, onjuist is. Daaraan doet, denk ik, niet af de creativiteit van haar oplossing5, die, zo neem ik aan, is ingegeven vanuit de gedachte om de schijnconstructie, waarvan ook naar mijn inzicht sprake is, niet in stand te houden met een gegrondverklaring van de klaagschriften. De klacht treft dus doel.

11. Aanknopend bij dat laatste veroorloof ik mij nog enkele afsluitende opmerkingen.

12. In de onderhavige zaak beschikte de vader, tevens de verdachte, feitelijk als heer en meester over de rekeningen die op naam van zijn minderjarige kinderen stonden, als ware het zijn eigen bankrekeningen, aldus de zaaksofficier van justitie in zijn verweerschrift. Aan de rekeningnummers mochten dan wel de namen van klagers verbonden zijn, van een werkelijke kinderspaarrekening was in geen van beide gevallen sprake. De storting van de geldbedragen op de spaarrekeningen van klagers was bedoeld om het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het (directe) gezichtsveld van justitie of de fiscus te brengen en om te camoufleren wie de werkelijk rechthebbende is.6Zou het gevolg van een dergelijke schijnconstructie zijn dat – en dit lijkt de Rechtbank aan te nemen – dit wederrechtelijk verkregen voordeel reeds daardoor niet (meer) tot het eigen vermogen van de ouder kan worden gerekend, dan ontstaat een zeer onwenselijke situatie. In dat geval zou namelijk evenmin op grond van (het huidige) art 94a, eerste, tweede en derde lid, Sv ten laste van de ouder (de verdachte) derdenbeslag op dat vermogen kunnen worden gelegd.

13. Ik heb mij dan ook afgevraagd of en, zo ja, op welke wijze de huidige strafvorderlijke beslagregeling ruimte biedt dergelijke schijnconstructies te bemoeilijken of te verhinderen. Ik meen dat dit het geval is, zelfs zonder dat daarvoor een doorwrochte benadering vanuit een theoretisch kader, met de focus op begrippen als civielrechtelijke eigendom en strafrechtelijk toebehoren en de verschillen daartussen, nodig is.7 Het lijkt mij dat er een eenvoudiger en meer praktische oplossing denkbaar is door in zaken als de onderhavige aan te nemen dat de tenaamstelling van bankrekeningnummers niet doorslaggevend hoeft te zijn voor de beantwoording van de vraag wie redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt op het banksaldo of, ruimer, het banktegoed. Te dien opzichte zou geredeneerd kunnen worden overeenkomstig de gedachtelijn die de Hoge Raad in zijn arrest van 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3451 volgde:

“3.5. Bij de beantwoording van de vraag of degene die stelt eigenaar te zijn van onder een ander inbeslaggenomen voorwerpen, zoals de onderhavige personenauto's en motorfiets, redelijkerwijs als rechthebbende van die voorwerpen moet worden aangemerkt, is niet doorslaggevend dat die voorwerpen volgens een door de klager en de beslagene opgemaakte overeenkomst zijn verkocht aan de klager en in het kentekenregister op de naam van de klager zijn gesteld. Het oordeel van de Rechtbank "dat ondanks de overeenkomst van overdracht van 2 juli 2009 tussen [betrokkene 1] en klager en het feit dat de beide personenauto's daarna op naam van klager zijn gesteld, vooralsnog niet buiten redelijke twijfel staat dat [de klager] als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden beschouwd", geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd en is - gelet op de door de Rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden - niet onbegrijpelijk.”

14. Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontslag op staande voet: Gebruik strafrechtelijke term (diefstal) in opzeggingsbrief bij misbruik bedrijfstankpas

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290 (Civiele Kamer) Voor het antwoord op de vraag welke dringende reden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer is meegedeeld, komt niet steeds doorslaggevende betekenis toe aan de letterlijke tekst van de ontslagbrief, ook niet indien strafrechtelijke terminologie wordt gebruikt (zoals het woord “diefstal”). Uiteindelijk gaat het erom of voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot opzegging heeft geleid. Ook een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval.

Feiten

Autocentrum exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met de verkoop, aankoop en reparatie van automobielen vanuit vestigingen te Geldrop en Oss. Aandeelhouders van Autocentrum zijn de gebroeders betrokkene 1 en betrokkene 2.

Eiser is op 1 september 2003 krachtens een arbeidsovereenkomst bij Autocentrum in dienst getreden als autoverkoper. Vanaf 1 januari 2007 was eiser bij Autocentrum werkzaam als vestigingsmanager van de vestiging te Oss. Hij genoot in die functie laatstelijk een salaris van € 5.226,75 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag.

Tot 1 oktober 2008 reed eiser in een door Autocentrum ter beschikking gestelde auto en tankte hij met een tankpas van Autocentrum (de zakelijke tankpas), ongeacht of het ging om zakelijk of privégebruik van deze auto.

Eiser is per 1 oktober 2008 in een eigen auto gaan rijden. Hij is toen blijven tanken met de zakelijke tankpas.

Eiser heeft in oktober of november 2008 voor zijn echtgenote een Renault Laguna (hierna: de Laguna) van Autocentrum gekocht.

In december 2008 heeft betrokkene bij eiser de bonnen van de tankbeurten met de zakelijke tankpas over de maand november 2008 opgevraagd. Eiser heeft de bonnen verstrekt. Op 5 januari 2009 heeft tussen eiser en betrokkene een gesprek plaatsgevonden, waarin de tankbonnen aan de orde zijn gekomen. Eiser heeft betrokkene die dag ervan op de hoogte gesteld dat twee tankbeurten de Laguna betroffen.

Na een gesprek tussen partijen op 6 januari 2009 heeft Autocentrum eiser bij brief van 7 januari 2009 onder meer het volgende geschreven:

“Middels deze brief bevestigen wij u, het door ons aan u gegeven ontslag op staande voet op dinsdagmiddag 6 januari jl. De reden hiervoor is kort samengevat als volgt: de diefstal van bedrijfseigendommen.”

De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 12 januari 2009 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en aanspraak gemaakt op loondoorbetaling.

Bij brief van 19 januari 2009 heeft de gemachtigde van Autocentrum de verwijten jegens eiser als volgt omschreven:

“Op 18 december 2008 ontving cliënte het overzicht van de benzinepomp over de maand november 2008. Uit het overzicht bleek dat twee tankbeurten niet waren betaald, op 14 november 2008 en 24 november 2008. Het ging om tweemaal 43 liter benzine. Cliënte heeft uw cliënt daarmee geconfronteerd, maar die liet aanvankelijk weten dat hij zich de bonnen van deze tankbeurten niet kon herinneren. Na een half uur wist uw cliënt zich één bon te herinneren. Van de tweede tankbeurt was op dat moment geen bon aanwezig. Om vast te kunnen stellen wat er feitelijk was gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk was, heeft cliënte de administratie aan een grondig onderzoek onderworpen.

Op 6 januari 2009 kwam aan het licht dat het uw cliënt was die op 14 november 2008 en 24 november 2008 met de tankpas van het bedrijf de privé-auto van zijn echtgenote heeft getankt, maar niet betaald. Uw cliënt kwam normaal gesproken nooit met de privé-auto van zijn echtgenote naar zijn werk. De privé-auto van de echtgenote is een Renault Laguna, (…). Cliënte heeft uw cliënt tijdens het gesprek op 6 januari 2009 hiermee geconfronteerd en gevraagd of hij inderdaad degene was die ook de tweede tankbeurt niet had betaald. Uw cliënt heeft dat ondubbelzinnig erkend. (…)”

Zeer kort weergegeven vordert Autocentrum in de onderhavige procedure een verklaring voor recht dat het op 6 januari 2009 aan eiser verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en veroordeling van eiser tot (terug)betaling aan Autocentrum van sedertdien ontvangen bedragen. Autocentrum heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij eiser terecht op staande voet heeft ontslagen omdat hij in de maand november 2008 tweemaal (op 14 en 24 november) ten behoeve van de privéauto van zijn vrouw (de Laguna) heeft getankt met gebruikmaking van de zakelijke tankpas zonder de daarmee gemoeide bedragen aan Autocentrum terug te betalen en dus diefstal heeft gepleegd.

De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van Autocentrum toegewezen. De overwegingen van het hof komen hieronder aan de orde voor zover nodig voor de afdoening in cassatie.

Middel Aan het middel ligt de stelling ten grondslag dat het enkel hanteren van strafrechtelijke begrippen in de ontslagbrief tot gevolg heeft dat de werkgever in beginsel alle bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving moet bewijzen. Voor het onderhavige geval betekent dit volgens eiser dat Autocentrum dient te bewijzen dat eiser enig goed dat geheel of ten dele aan een ander (Autocentrum) toebehoort, heeft weggenomen met het oogmerk het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het middel klaagt onder meer vanuit diverse invalshoeken dat het hof het ontslag geldig heeft geacht zonder te hebben vastgesteld dat Autocentrum heeft aangetoond dat aan alle bestanddelen van de delictsomschrijving van art. 310 Sr is voldaan.

Beoordeling Hoge Raad

In geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden dient die reden onverwijld aan de wederpartij te worden meegedeeld (art. 7:677 lid 1 BW). De strekking hiervan is dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of zij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt (vgl. HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504; HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2052, NJ 1996/609; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498). De werkgever die een werknemer aldus heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden (vgl. HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664; HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498).

Een ontslaggrond behoeft niet onder alle omstandigheden aan de wederpartij te worden meegedeeld. Mededeling kan achterwege blijven in het uitzonderlijke geval dat het voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid, althans dat daaromtrent bij de werknemer, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan (zie de hiervoor vermelde arresten van 23 april 1993 en 26 april 1996).

Reeds uit de hiervoor vermelde rechtspraak, in samenhang bezien, volgt dat aan de letterlijke tekst van een ontslagbrief niet steeds doorslaggevende betekenis toekomt voor het antwoord op de vraag welke dringende reden aan de wederpartij is meegedeeld, en dat het uiteindelijk erom gaat of voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid. Ook een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval.

Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, is het bovenstaande niet principieel anders indien in de ontslagbrief enkel strafrechtelijke begrippen worden gehanteerd (vgl. HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387). In de arresten HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664 en HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7616, waarop het middel een beroep doet, was de vraag naar uitleg van de aan de werknemer gedane mededeling in de procedure niet aan de orde gesteld.

Het hof heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de twee tankbeurten in november 2008 met betrekking tot de Laguna aan de orde zijn gekomen in de gesprekken op 5 en 6 januari 2009, en dat betrokkene tijdens de bespreking op 6 januari 2009 eiser in verband met deze tankbeurten heeft beschuldigd van diefstal. Tegen de achtergrond van deze gesprekken moet, aldus het hof, voor eiser in elk geval duidelijk zijn geweest dat de in de brief van 7 januari 2009 gebezigde term ‘diefstal’ betrekking had op het wederrechtelijk gebruik – waarmee het hof kennelijk bedoelt: gebruik voor privédoeleinden zonder toestemming – van de tankpas ten behoeve van de Laguna op 14 en 24 november 2008, een en ander zoals nader toegelicht in de brief van de gemachtigde van Autocentrum van 19 januari 2009. Het middel klaagt niet over deze uitleg van de aan eiser gedane mededeling, waarop het hof in het vervolg van zijn arrest heeft voortgebouwd. In cassatie staat derhalve vast dat de term ‘diefstal’ in de brief van 7 januari 2009 niet in zijn strafrechtelijke betekenis dient te worden opgevat, maar in de door het hof vermelde betekenis. De uitleg die het hof aan die mededeling heeft gegeven, is ook niet onbegrijpelijk.

Uit het bovenstaande volgt dat de hiervoor weergegeven stelling van eiser voor het onderhavige geval niet opgaat. De klachten die op deze stelling berusten kunnen dan ook niet tot cassatie leiden.

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Cassatiemiddelen in de zin der wet?

Hoge Raad 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:312 Conclusie AG over de vraag of de in de schriftuur opgenomen klachten, die eerst na afloop van de zestig-dagentermijn schriftelijk zijn toegelicht, op zichzelf beschouwd kunnen worden aangemerkt als cassatiemiddelen in de zin der wet.

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 8 mei 2014 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wegens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, een schriftuur ingediend, die hij later heeft aangevuld met een schriftelijke toelichting.

Middel

De schriftuur bevat de volgende klachten:

  • I Het hof heeft de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd ten aanzien van “het opzettelijk aanwezig hebben” van ongeveer 858 pillen bevattende MDMA. De bijzondere bewijsoverweging van het hof dienaangaande is niet begrijpelijk, gelet op het namens de verdachte aangevoerde ten aanzien van de scooter waarin de pillen zijn aangetroffen.
  • II Het hof heeft de strafoplegging - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden - onvoldoende gemotiveerd, aangezien het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot de keuze van die strafsoort hebben geleid en de opgelegde straf verbazing wekt gelet op de door de politierechter opgelegde taakstraf voor de duur van tachtig uren bij een soortgelijke bewezenverklaring.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

  1. Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke bespreking van de schriftuur, vestig ik de aandacht op de wijze waarop de klachten zijn aangevoerd. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van de schriftuur van belang, het volgende in:

(i) Op 26 februari 2015 is de aanzegging in cassatie uitgereikt aan de griffier, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 3°, Sv rechtsgeldig betekend. Dit brengt mee dat de zestig-dagentermijn voor het indienen van een cassatieschriftuur, zoals bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv, op 28 april 2015 is geëindigd.

(ii) Namens de verdachte is op 28 april 2015 een schriftuur ingediend. Deze schriftuur bevat twee klachten, die door de raadsman zijn aangeduid als (cassatie)middelen. De schriftuur behelst een korte omschrijving van de klachten, maar bevat geen (nadere) toelichting daarop.

(iii) Op 11 mei 2015 is op de strafgriffie van de Hoge Raad per fax een schriftelijke toelichting ingekomen op de op 28 april 2015 ingediende “cassatiemiddelen”. In dit geschrift wordt een toelichting gegeven op de klachten, die zijn opgenomen in de eerder ingediende schriftuur.

(iv) De zaak is op 3 november 2015 in behandeling genomen op de openbare terechtzitting voor strafzaken van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad.

  1. Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv is de verdachte, namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen twee maanden (zestig dagen) na de betekening van de aanzegging in cassatie bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie. Op grond art. 438, tweede lid, onder a, Sv is de raadsman van de verdachte bevoegd ter terechtzitting van de Hoge Raad zijn bij schriftuur voorgestelde middelen van cassatie mondeling toe te lichten dan wel een schriftelijke toelichting over te leggen. Ingevolge art. VIII, derde lid, Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2013 (Stcrt. 2013, 36474) kan een schriftelijke toelichting worden overgelegd op de openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad dan wel tot aan de dag vóór die zitting worden ingediend.
  2. Uit de hiervoor onder 4 weergegeven stukken van het geding blijkt dat namens de verdachte tijdig een schriftuur is ingediend en dat de raadsman van de verdachte deze schriftuur tijdig, ruim vóór de rechtsdag, schriftelijk heeft toegelicht. De vraag rijst evenwel of de in de schriftuur opgenomen klachten op zichzelf beschouwd kunnen worden aangemerkt als middelen van cassatie.
  3. Bij de beoordeling van de schriftuur dient het volgende te worden voorop gesteld. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie zoals bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.
  4. De in de schriftuur geformuleerde eerste klacht betreft een bewijsklacht, die in de schriftuur zelf niet nader is toegelicht. In de schriftuur wordt opgemerkt dat het hof de bewezenverklaring met name onvoldoende heeft gemotiveerd ten aanzien van “het opzettelijk aanwezig hebben” van ongeveer 858 pillen bevattende MDMA en dat de bijzondere bewijsoverweging van het hof dienaangaande niet begrijpelijk is, gelet op het namens de verdachte aangevoerde ten aanzien van de scooter waarin de pillen zijn aangetroffen.
  5. Eerst in de na afloop van de zestig-dagentermijn ingekomen schriftelijke toelichting wordt nader toegelicht waarom het hof naar het oordeel van de raadsman de bewezenverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit de wetsgeschiedenis bij art. 438 Sv blijkt dat de wetgever aan de raadsman de mogelijkheid heeft willen bieden om reeds ingediende middelen nader toe te lichten. Het is echter niet de bedoeling van de wetgever geweest om de raadsman de mogelijkheid te bieden nieuwe middelen in te dienen nadat de termijn daarvoor is verstreken. Daarmee kan op één lijn worden gesteld het geval dat de raadsman een eerder geformuleerde en tijdig ingediende klacht, die echter niet voldoet aan de aan een cassatiemiddel in de zin der wet te stellen eisen, pas na het verstrijken van de termijn voor het indienen van middelen van een zodanige toelichting voorziet, dat die klacht gelezen in samenhang bezien met die toelichting als middel van cassatie zoals bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv kan worden aangemerkt.
  6. De vraag rijst of de in de schriftuur kort geformuleerde eerste klacht voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden die aan een cassatiemiddel moeten worden gesteld. Naar mijn mening kan deze vraag bevestigend worden beantwoord. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De bewijsklacht is toegespitst op een specifiek onderdeel van de bewezenverklaring, te weten dat de verdachte ongeveer 858 pillen bevattende MDMA opzettelijk aanwezig heeft gehad. Bovendien wordt in de klacht verwezen naar de onbegrijpelijk geachte verwerping door het hof van het in hoger beroep gevoerde verweer dat betrekking heeft op voornoemd onderdeel van de bewezenverklaring. Daarmee onderscheidt de klacht zich van andere gevallen, waarin de schriftuur slechts een algemene, niet nader toegelichte, klacht bevat dat de bewezenverklaring (in zijn algemeenheid) niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
  7. De in de schriftuur geformuleerde tweede klacht voldoet naar mijn mening eveneens aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, aangezien daarin - ook zonder de later ingediende schriftelijke toelichting daarbij te betrekken - met de vereiste duidelijkheid is aangegeven waarom het hof naar het oordeel van de raadsman de strafoplegging onvoldoende heeft gemotiveerd.
  8. Uit het voorgaande vloeit voort dat beide middelen voor bespreking in aanmerking komen.
  9. Heteerste middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte ongeveer 858 pillen bevattende MDMA “opzettelijk aanwezig heeft gehad”, onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens de steller van het middel is de nadere bewijsoverweging van het hof niet begrijpelijk, gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd ten aanzien van de scooter waarin de pillen zijn aangetroffen.
  10. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat: “hij op 9 oktober 2011 te Sint Willebrord opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 858 pillen, bevattende MDMA (3,4-methyleendioxy-methamfetamine), zijnde MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
  1. De bestreden (promis)uitspraak houdt ten aanzien van de bewijsvoering het volgende in:

“A.1. Op 9 oktober 2011 vond een doorzoeking plaats in de woning aan de a-straat 1 te Sint Willebrord. In de woning waren op dat moment aanwezig verdachte, zijn moeder betrokkene 1 en zijn broers betrokkene 2 en betrokkene 3.

In de garage behorend bij de woning werd onder meer een zak met pillen in beslag genomen, die werd aangetroffen onder het zadel van een scooter Piaggio Vespa, voorzien van het kenteken AA-00-BB.

A.2. Met betrekking tot de aangetroffen scooter blijkt uit het dossier nog het volgende.

In de schuur stond een slotvast afgesloten scooter. De familie werd gevraagd van wie de witte scooter was die in de garage stond. Hierop antwoordde verdachte (hof: verdachte) dat die scooter zijn eigendom was. Omdat de bromfiets slotvast afgesloten was, is door een verbalisant om de contactsleutel gevraagd. Volgens verdachte zouden deze sleutels in zijn auto liggen die in de buurt van de woning stond geparkeerd. Deze sleutels zijn, in het bijzijn van collega’s van bedoelde verbalisant door verdachte opgehaald en aan weer een andere verbalisant overhandigd.

A.3. Door middel van de sleutel werd het zadel omhoog gedaan. In de bak onder het zadel werd een plastic zak gevonden met daarin 858 pillen.

A.4. In de buddyseat van de scooter werd een zak met daarin 858 witte pillen aangetroffen. 

A.5. Op 20 oktober 2011 zocht verbalisant verbalisant in het systeem van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) naar de tenaamstelling van het voertuig met kenteken AA-00-BB. Van 12 mei 2011 tot 17 oktober 2011 15.43 uur stond het voertuig op naam van verdachte, geboren op geboortedatum 1988. 

A.6. Verbalisant Mathijsen heeft de in beslag genomen pillen als volgt omschreven: tabletten (858 stuks), voorzien van een diepdruklogo voorstellende een teletubbiehoofd. 

A.7. Een deel van de aangetroffen pillen is onderzocht door het NFI. Uit het naar aanleiding van dat onderzoek opgemaakt NFl-rapport (dat blijkens de kop betrekking heeft op politieregistratienummer 2011202697, zie noot 1) blijkt het volgende.

Onderzoeksmateriaal en Conclusie

Omschrijving Conclusie

monster, vijftien tabletten, diepdruk: teletubbie. bevat MDMA

MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) is vermeld op lijst 1, behorende bij de Opiumwet. 

A.8. Uit een proces-verbaal verhoor van verdachte blijkt nog het volgende.

V: Op 9 oktober 2011 is er een zoeking bij jullie thuis geweest. In de garage stond een scooter. Dit betrof een Piaggio Vespa voorzien van het kenteken AA-00-BB. Van wie was die scooter?

A: Was dat een witte Vespa?

O: Ja

A: Die stond op mijn naam.

V: Maakte je wel eens gebruik van die scooter?

A: Ik heb daar wel eens een paar keer op gereden.”

  1. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2014, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de XTC-pillen in zijn scooter. De raadsman heeft daartoe onder verwijzing naar het zogenoemde “heroïne in het dakgoot-arrest” van de Hoge Raad (HR 5 februari 1980,NJ1980/342) het volgende aangevoerd. De XTC-pillen zijn aangetroffen in een scooter in de garage van de woning van de moeder van de verdachte, waar ook de twee broers van de verdachte woonden. De verdachte zelf was daar niet woonachtig. Bij een scooter worden vaak meerdere sleutels geleverd, terwijl de raadsman uit het feit dat in het dossier de ene keer “sleutel” en de andere keer “sleutels” staat vermeld afleidt dat er meerdere sleutels in omloop waren. Naast de verdachte kunnen nog drie personen (zijn moeder en zijn twee broers) de beschikking hebben gehad over de scooter. Die drie andere personen hebben zich niet onbetuigd gelaten als het gaat om verdovende middelen, terwijl de verdachte heeft verklaard dat ook anderen gebruik maakten van de scooter, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman in reactie op een vraag van de voorzitter van het hof geantwoord dat ook hij in het dossier niet heeft gelezen dat een familielid van de verdachte heeft verklaard dat de gevonden pillen van hem of haar zijn of dat hij of zij daarmee enige bemoeienis heeft gehad.
  2. Het hof heeft dit verweer onder “bijzondere overwegingen omtrent het bewijs” als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken en heeft - kort samengevat - aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte de opzet had op de aanwezigheid van de pillen in zijn scooter. De raadsman heeft betoogd dat ook de moeder van verdachte en twee van zijn broers de beschikking over de scooter kunnen hebben gehad, hij heeft gewezen op de verdenking die jegens familieleden van verdachte bestond wegens overtreding van de Opiumwet en de omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat anderen ook gebruik maakten van die scooter.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de in de tenlastelegging genoemde pillen, bevattende MDMA (hierna: XTC-pillen), zijn aangetroffen in de slotvast afgesloten buddyseat van een aan verdachte in eigendom toebehorende en op zijn naam geregistreerde scooter. De sleutels van die scooter bevonden zich in de auto van verdachte. Gesteld noch gebleken is dat er nog een tweede sleutelset, behorend bij de scooter, voorhanden was. Op grond van vorenstaande is verdachte verantwoordelijk voor de aanwezigheid van de XTC-pillen in de buddyseat van zijn scooter nu deze zich in zijn machtssfeer bevonden, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel. Verdachte heeft desgevraagd evenwel geen enkele aannemelijke, hem ontlastende verklaring, voor de aanwezigheid van die pillen gegeven. Het kan derhalve naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte de XTC-pillen opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals tenlastegelegd.

Uit het verhandelde ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Hetgeen de raadsman heeft betoogd leidt niet tot een ander oordeel.

Het hof komt tot de slotsom dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.”

In de geciteerde overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat het door de raadsman van de verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario, kort gezegd inhoudende dat de in de scooter van de verdachte aangetroffen XTC-pillen niet van de verdachte zelf zijn, doch van één van zijn broers dan wel van zijn moeder, niet aannemelijk is geworden.

  1. Zoals blijkt uit de schriftelijke toelichting, keert het middel zich onder meer tegen de overweging van het hof, dat gesteld noch gebleken is dat er nog een tweede sleutelset, behorende bij de scooter, voorhanden was.
  2. Uit de nadere bewijsoverwegingen van het hof volgt dat diens oordeel dat het door de raadsman aangedragen alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden en dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de XTC-pillen opzettelijk aanwezig heeft gehad, slechts ten dele steunt op de overweging die in de schriftelijke toelichting op het middel wordt aangevallen, zodat de klacht reeds om die reden faalt.
  3. Overigens acht ik de desbetreffende overweging van het hof, die van feitelijke aard is, niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel, lees ik in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2014 niet dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat er meer sets sleutels van de scooter in omloop waren en dat ook anderen dan de verdachte de beschikking hadden over een set sleutels. Uit de omstandigheden dat volgens de raadsman in het algemeen bij een scooter vaak meerdere sleutels worden geleverd en dat in het dossier de ene keer ‘sleutel’ en de andere keer ‘sleutels’ staat vermeld, leidde de raadsman de mogelijkheid af dat er meer sets sleutels in omloop waren. De raadsman heeft daarmee slechts een mogelijkheid geopperd en niet concreet gesteld dat een ander beschikte over een tweede set sleutels. Bovendien is noch bij de politie noch op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep door de verdediging een tweede set sleutels overgelegd. Daarbij komt dat ook de raadsman ter terechtzitting desgevraagd heeft erkend dat uit het dossier niet blijkt dat de moeder van de verdachte of één van zijn broers heeft verklaard enige bemoeienis te hebben gehad met de XTC-pillen. De omstandigheid dat de ene keer van ‘sleutel’ en de andere keer van ‘sleutels’ wordt gesproken, draagt evenmin bij aan de aannemelijkheid van de door de raadsman geopperde mogelijkheid. Uit de bewijsvoering (onder A.2) blijkt immers dat het de verdachte zelf is geweest die op de vraag naar de contactsleutel van de scooter heeft geantwoord dat “deze sleutels in zijn auto (zouden) liggen”. Daarbij gaat het dus om sleutels waarover de verdachte zelf beschikte. Het hof heeft zich kennelijk evenmin laten overtuigen door de stelling van de raadsman dat de broers van de verdachte zijn veroordeeld wegens Opiumwetdelicten en dat ook de moeder van de verdachte zich in dit verband niet onbetuigd heeft gelaten, terwijl de verdachte degene in de familie is die zich juist niet met dit soort feiten bezig houdt. Ook dat is niet onbegrijpelijk, reeds omdat de justitiële documentatie van de verdachte een transactie wegens een Opiumwetdelict bevat.
  4. Het bestreden oordeel is in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd en gelet op de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst. Het hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte op 9 oktober 2011 in Sint Willebrord “opzettelijk ongeveer 858 pillen bevattende MDMA aanwezig heeft gehad”. Tot een nadere motivering van de bewezenverklaring was het hof niet gehouden, terwijl het hof het in het middel bedoelde verweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd heeft verworpen. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt betoogd dat het hof zich niet heeft uitgelaten over bepaalde onderdelen van het verweer, merk ik op dat de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.
  5. Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak en hier de conclusie.

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over de strafmotivering, LOVS-oriëntatiepunten en de door het Hof toegepaste versie van de oriëntatiepunten

Hoge Raad 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:306 Het hof heeft de verdachte ter zake van gekwalificeerde diefstal van een mobiele telefoon uit een auto veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

Het hof heeft ter motivering van de opgelegde straf onder “oplegging van straf” het volgende overwogen:

“De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 dagen, met aftrek, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, een behandelgebod, te weten een COVA-training en een informatiegebod, welke dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard en een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een autokraak. Door dit feit is schade aan de auto ontstaan en werd een mobiele telefoon weggenomen. Door dit soort feiten ondervinden slachtoffers ergernis en ongemak.

Blijkens de oriëntatiepunten straftoemeting en de LOVS afspraken is voor een diefstal uit auto een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken in beginsel gerechtvaardigd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 oktober 2014 is de verdachte eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof ziet, alles afwegende, in de onderhavige zaak geen aanleiding om af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten.”

Middel

Het middel behelst de klacht dat de strafoplegging niet begrijpelijk is gemotiveerd. Het hof heeft ter motivering van de opgelegde straf overwogen dat uit de oriëntatiepunten straftoemeting en de LOVS-afspraken blijkt dat voor een diefstal uit een auto een gevangenisstraf voor de duur van drie weken in beginsel gerechtvaardigd is. Volgens de steller van het middel kan deze conclusie niet uit de “LOVS-oriëntatiepunten” worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

  1. Ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest hielden de “LOVS-oriëntatiepunten” (hierna ook: oriëntatiepunten), voor zover hier van belang, het volgende in. Voor diefstal uit een auto gold als oriëntatiepunt 90 uur taakstraf, terwijl bij recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken werd vermeld en bij frequente recidive twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Als strafverhogende factor werd in de toelichting onder meer aangemerkt het plegen in samenwerkingsverband. In de bijgewerkte versie van de oriëntatiepunten van april 2015 is in het bovenstaande geen wijziging aangebracht. In de versie van de oriëntatiepunten van februari 2011, die golden ten tijde van het bewezen verklaarde feit (31 mei 2012), was als oriëntatiepunt voor diefstal door middel van braak/verbreking uit een auto op straat drie weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgenomen. In geval de verdachte een “veelpleger” betrof, gold als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken.
  2. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl deze keuze geen motivering behoeft. De “LOVS-oriëntatiepunten” vormen geen recht in de zin van art. 79 Wet RO, reeds omdat deze oriëntatiepunten niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte. Derhalve kan in cassatie niet met vrucht over een onjuiste toepassing ervan worden geklaagd. Hoewel de feitenrechter niet is gebonden aan de “LOVS-oriëntatiepunten” en de uitleg van de oriëntatiepunten aan hem is voorbehouden, kan in cassatie wel worden getoetst of de uitleg van de oriëntatiepunten en de toepassing ervan door het hof begrijpelijk is.
  3. In de hiervoor onder 5 weergegeven strafmotivering heeft het hof geoordeeld dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie weken wordt opgelegd, aangezien een dergelijke gevangenisstraf volgens de oriëntatiepunten in beginsel gerechtvaardigd is voor een diefstal uit een auto en het hof geen aanleiding ziet om in de onderhavige zaak van deze oriëntatiepunten af te wijken. De steller van het middel acht dit oordeel niet begrijpelijk, aangezien de oriëntatiepunten ter zake van een diefstal uit een auto een taakstraf van 90 uur vermelden. Uit de beschrijving van de oriëntatiepunten onder 6 volgt dat deze stelling juist is indien wordt uitgegaan van de oriëntatiepunten zoals deze golden ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest. Het hof is echter klaarblijkelijk uitgegaan van een eerdere versie van de oriëntatiepunten, zoals deze ook gold ten tijde van het bewezen verklaarde feit. Die versie behelst voor een diefstal met braak uit een auto als oriëntatiepunt inderdaad een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Waarom het hof niet van de meest actuele versie van de oriëntatiepunten is uitgegaan, is niet duidelijk. De keuze van het hof lag naar mijn mening niet voor de hand. Daarbij neem ik in aanmerking dat de meer recente oriëntatiepunten een minder zware strafsoort vermelden dan de door het hof toegepaste.
  4. Een andere vraag is echter of het hof door uit te gaan van de versie van de oriëntatiepunten uit 2011 enige rechtsregel heeft geschonden. Ik meen dat zulks niet het geval is. Zoals opgemerkt, vormen de oriëntatiepunten geen recht in de zin van art. 79 RO. Van verandering van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr is geen sprake. Het hof is met zijn strafoplegging bovendien ruim onder het toepasselijke strafmaximum gebleven. Schending van het bepaalde in art. 7 EVRM komt in de omstandigheden van het geval evenmin in beeld.
  5. Wel rijst de vraag of het kennelijke oordeel van het hof dat er geen reden bestaat om af te wijken van de oude oriëntatiepunten zonder nadere motivering, die ontbreekt, begrijpelijk is. Zoals opgemerkt, lag de keuze van het hof niet voor de hand. Ook indien wordt geoordeeld dat het oordeel van het hof in zoverre niet begrijpelijk is, kan het middel echter niet tot cassatie leiden. Daarbij merk ik op dat het hof in de strafmotivering mede heeft overwogen dat uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 oktober 2014 blijkt dat de verdachte eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Klaarblijkelijk doelt het hof daarbij op onherroepelijke veroordelingen door de kinderrechter ter zake van opzetheling en schuldheling. Weliswaar worden helingsdelicten als begunstigingsdelicten aangemerkt, maar het gaat daarbij om delicten die mede strekken ter bescherming van het vermogen van de rechthebbende. In dat licht bezien is het bestempelen van de gevallen van heling als vermogensdelicten niet onbegrijpelijk. De oriëntatiepunten, in de bijgewerkte versie van oktober 2014, vermelden bij diefstal uit een auto in geval van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Voor zover met het middel wordt opgekomen tegen de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, stuit het af op het ontbreken van een in rechte te respecteren belang. Indien het hof bij het bepalen van de straf niet zou zijn afgeweken van de ten tijde van het wijzen van het arrest actuele oriëntatiepunten, zou dat immers in verband met de door het hof vastgestelde recidive tot een verdubbeling van de daadwerkelijk opgelegde straf hebben geleid. Daaraan doet niet af dat de veroordelingen wegens heling niet van recente datum zijn, te weten uit 2009. Daarbij merk ik voor de volledigheid nog op dat de documentatie tevens vermeldt dat de verdachte op 7 februari 2014 (onherroepelijk) is veroordeeld ter zake van bedreiging.
  6. Tot slot veroorloof ik mij een opmerking over het begrip ‘recidive’ in de oriëntatiepunten in de versie van oktober 2014. Het begrip ‘recidive’ wordt daarin niet toegelicht. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de steller van het middel ervan uitgaat dat het hierbij uitsluitend gaat om specifieke recidive, in die zin dat alleen de eerdere diefstallen uit auto’s als recidive kunnen worden aangemerkt. Dat standpunt deel ik niet. Schuyt merkt op dat het begrip ‘recidive’ in de strafrechtelijke context ziet op de herhaling van een strafbaar feit, dus in algemene zin. Nu het begrip ‘recidive’ in de (toelichting op de) oriëntatiepunten niet nader wordt begrensd, meen ik dat hiermee kennelijk is gedoeld op algemene recidive. Voor een zo restrictieve interpretatie als de toelichting op het middel wordt gehanteerd, zie ik in elk geval geen grond.
  7. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak en hier de conclusie.

 

Print Friendly and PDF ^