Ontslag op staande voet: Gebruik strafrechtelijke term (diefstal) in opzeggingsbrief bij misbruik bedrijfstankpas

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290 (Civiele Kamer) Voor het antwoord op de vraag welke dringende reden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer is meegedeeld, komt niet steeds doorslaggevende betekenis toe aan de letterlijke tekst van de ontslagbrief, ook niet indien strafrechtelijke terminologie wordt gebruikt (zoals het woord “diefstal”). Uiteindelijk gaat het erom of voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot opzegging heeft geleid. Ook een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval.

Feiten

Autocentrum exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met de verkoop, aankoop en reparatie van automobielen vanuit vestigingen te Geldrop en Oss. Aandeelhouders van Autocentrum zijn de gebroeders betrokkene 1 en betrokkene 2.

Eiser is op 1 september 2003 krachtens een arbeidsovereenkomst bij Autocentrum in dienst getreden als autoverkoper. Vanaf 1 januari 2007 was eiser bij Autocentrum werkzaam als vestigingsmanager van de vestiging te Oss. Hij genoot in die functie laatstelijk een salaris van € 5.226,75 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag.

Tot 1 oktober 2008 reed eiser in een door Autocentrum ter beschikking gestelde auto en tankte hij met een tankpas van Autocentrum (de zakelijke tankpas), ongeacht of het ging om zakelijk of privégebruik van deze auto.

Eiser is per 1 oktober 2008 in een eigen auto gaan rijden. Hij is toen blijven tanken met de zakelijke tankpas.

Eiser heeft in oktober of november 2008 voor zijn echtgenote een Renault Laguna (hierna: de Laguna) van Autocentrum gekocht.

In december 2008 heeft betrokkene bij eiser de bonnen van de tankbeurten met de zakelijke tankpas over de maand november 2008 opgevraagd. Eiser heeft de bonnen verstrekt. Op 5 januari 2009 heeft tussen eiser en betrokkene een gesprek plaatsgevonden, waarin de tankbonnen aan de orde zijn gekomen. Eiser heeft betrokkene die dag ervan op de hoogte gesteld dat twee tankbeurten de Laguna betroffen.

Na een gesprek tussen partijen op 6 januari 2009 heeft Autocentrum eiser bij brief van 7 januari 2009 onder meer het volgende geschreven:

“Middels deze brief bevestigen wij u, het door ons aan u gegeven ontslag op staande voet op dinsdagmiddag 6 januari jl. De reden hiervoor is kort samengevat als volgt: de diefstal van bedrijfseigendommen.”

De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 12 januari 2009 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en aanspraak gemaakt op loondoorbetaling.

Bij brief van 19 januari 2009 heeft de gemachtigde van Autocentrum de verwijten jegens eiser als volgt omschreven:

“Op 18 december 2008 ontving cliënte het overzicht van de benzinepomp over de maand november 2008. Uit het overzicht bleek dat twee tankbeurten niet waren betaald, op 14 november 2008 en 24 november 2008. Het ging om tweemaal 43 liter benzine. Cliënte heeft uw cliënt daarmee geconfronteerd, maar die liet aanvankelijk weten dat hij zich de bonnen van deze tankbeurten niet kon herinneren. Na een half uur wist uw cliënt zich één bon te herinneren. Van de tweede tankbeurt was op dat moment geen bon aanwezig. Om vast te kunnen stellen wat er feitelijk was gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk was, heeft cliënte de administratie aan een grondig onderzoek onderworpen.

Op 6 januari 2009 kwam aan het licht dat het uw cliënt was die op 14 november 2008 en 24 november 2008 met de tankpas van het bedrijf de privé-auto van zijn echtgenote heeft getankt, maar niet betaald. Uw cliënt kwam normaal gesproken nooit met de privé-auto van zijn echtgenote naar zijn werk. De privé-auto van de echtgenote is een Renault Laguna, (…). Cliënte heeft uw cliënt tijdens het gesprek op 6 januari 2009 hiermee geconfronteerd en gevraagd of hij inderdaad degene was die ook de tweede tankbeurt niet had betaald. Uw cliënt heeft dat ondubbelzinnig erkend. (…)”

Zeer kort weergegeven vordert Autocentrum in de onderhavige procedure een verklaring voor recht dat het op 6 januari 2009 aan eiser verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en veroordeling van eiser tot (terug)betaling aan Autocentrum van sedertdien ontvangen bedragen. Autocentrum heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij eiser terecht op staande voet heeft ontslagen omdat hij in de maand november 2008 tweemaal (op 14 en 24 november) ten behoeve van de privéauto van zijn vrouw (de Laguna) heeft getankt met gebruikmaking van de zakelijke tankpas zonder de daarmee gemoeide bedragen aan Autocentrum terug te betalen en dus diefstal heeft gepleegd.

De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van Autocentrum toegewezen. De overwegingen van het hof komen hieronder aan de orde voor zover nodig voor de afdoening in cassatie.

Middel Aan het middel ligt de stelling ten grondslag dat het enkel hanteren van strafrechtelijke begrippen in de ontslagbrief tot gevolg heeft dat de werkgever in beginsel alle bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving moet bewijzen. Voor het onderhavige geval betekent dit volgens eiser dat Autocentrum dient te bewijzen dat eiser enig goed dat geheel of ten dele aan een ander (Autocentrum) toebehoort, heeft weggenomen met het oogmerk het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het middel klaagt onder meer vanuit diverse invalshoeken dat het hof het ontslag geldig heeft geacht zonder te hebben vastgesteld dat Autocentrum heeft aangetoond dat aan alle bestanddelen van de delictsomschrijving van art. 310 Sr is voldaan.

Beoordeling Hoge Raad

In geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden dient die reden onverwijld aan de wederpartij te worden meegedeeld (art. 7:677 lid 1 BW). De strekking hiervan is dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of zij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt (vgl. HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504; HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2052, NJ 1996/609; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498). De werkgever die een werknemer aldus heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden (vgl. HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664; HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498).

Een ontslaggrond behoeft niet onder alle omstandigheden aan de wederpartij te worden meegedeeld. Mededeling kan achterwege blijven in het uitzonderlijke geval dat het voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid, althans dat daaromtrent bij de werknemer, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan (zie de hiervoor vermelde arresten van 23 april 1993 en 26 april 1996).

Reeds uit de hiervoor vermelde rechtspraak, in samenhang bezien, volgt dat aan de letterlijke tekst van een ontslagbrief niet steeds doorslaggevende betekenis toekomt voor het antwoord op de vraag welke dringende reden aan de wederpartij is meegedeeld, en dat het uiteindelijk erom gaat of voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid. Ook een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval.

Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, is het bovenstaande niet principieel anders indien in de ontslagbrief enkel strafrechtelijke begrippen worden gehanteerd (vgl. HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387). In de arresten HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664 en HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7616, waarop het middel een beroep doet, was de vraag naar uitleg van de aan de werknemer gedane mededeling in de procedure niet aan de orde gesteld.

Het hof heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de twee tankbeurten in november 2008 met betrekking tot de Laguna aan de orde zijn gekomen in de gesprekken op 5 en 6 januari 2009, en dat betrokkene tijdens de bespreking op 6 januari 2009 eiser in verband met deze tankbeurten heeft beschuldigd van diefstal. Tegen de achtergrond van deze gesprekken moet, aldus het hof, voor eiser in elk geval duidelijk zijn geweest dat de in de brief van 7 januari 2009 gebezigde term ‘diefstal’ betrekking had op het wederrechtelijk gebruik – waarmee het hof kennelijk bedoelt: gebruik voor privédoeleinden zonder toestemming – van de tankpas ten behoeve van de Laguna op 14 en 24 november 2008, een en ander zoals nader toegelicht in de brief van de gemachtigde van Autocentrum van 19 januari 2009. Het middel klaagt niet over deze uitleg van de aan eiser gedane mededeling, waarop het hof in het vervolg van zijn arrest heeft voortgebouwd. In cassatie staat derhalve vast dat de term ‘diefstal’ in de brief van 7 januari 2009 niet in zijn strafrechtelijke betekenis dient te worden opgevat, maar in de door het hof vermelde betekenis. De uitleg die het hof aan die mededeling heeft gegeven, is ook niet onbegrijpelijk.

Uit het bovenstaande volgt dat de hiervoor weergegeven stelling van eiser voor het onderhavige geval niet opgaat. De klachten die op deze stelling berusten kunnen dan ook niet tot cassatie leiden.

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF