Hetzelfde feit (ne bis in idem): Strafvervolging & bestuurlijke boete

Hoge Raad 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:222 Tussen 13 september 2011 en 20 oktober 2011 zijn meerdere observaties (door de SIOD) verricht bij twee marktkramen van de verdachte. Daarbij is geconstateerd dat twee personen werkzaamheden voor de verdachte verrichtten terwijl zij niet beschikten over een tewerkstellingsvergunning en zij zich wederrechtelijk in Nederland bevonden. Op 23 april 2012 heeft de Arbeidsinspectie aan de verdachte twee boetes van € 4000 opgelegd ter zake van overtreding van artikel 2 jo. artikel 18 Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Dit omdat hij voornoemde personen had tewerkgesteld zonder dat zij beschikten over de vereiste tewerkstellingsvergunning. Nu deze personen zich eveneens illegaal in Nederland bevonden, is de verdachte vervolgens gedagvaard bij de politierechter.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging omdat sprake is van 'hetzelfde feit' als bedoeld in art. 68 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de toetsing of sprake is van 'hetzelfde feit', dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr en art. 243, tweede lid, Sv in verbinding met art. 255, eerste lid, Sv zien, de in de tenlastelegging respectievelijk het boeterapport omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten. Indien de feiten niet onder dezelfde wettelijke omschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden wettelijke omschrijvingen strekken, en (ii) de maximale straf respectievelijk boete die op de onderscheiden feiten is gesteld, in welke maxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte. Indien de tenlastelegging en het boeterapport niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, NJ 2011/394).

Het primair tenlastegelegde art. 197a, tweede lid, Sr houdt in het verbod om een ander uit winstbejag behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of een van de andere in art. 197a Sr genoemde landen, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk is. Het subsidiair tenlastegelegde art. 197b Sr (in verbinding met art. 197c Sr) houdt in het verbod om een ander die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid te doen verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk is. Art. 2 Wav houdt in het verbod een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Bij de art. 197a en art. 197b Sr - waarin gedragingen zijn omschreven die als misdrijven strafbaar zijn gesteld - gaat het, blijkens de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 15 weergegeven wetsgeschiedenis, om vergrijpen die het beleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan, frustreren en een acute gevaarzetting opleveren voor de publieke kas. Art. 2 Wav strekt, blijkens de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 14 weergegeven wetsgeschiedenis, tot het tegengaan van verdringing van legaal arbeidsaanbod, overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en concurrentievervalsing.

In het onderhavige geval is zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden regelingen strekken als het verschil in de maximale straf respectievelijk boete die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, dermate groot dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr en art. 243, tweede lid, Sv in verbinding met art. 255, eerste lid, Sv. Het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte omdat sprake is van 'hetzelfde feit' als bedoeld in art. 68 Sr, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof heeft het verzoek twee getuigen te horen afgewezen omdat het dit verzoek onvoldoende gemotiveerd achtte en omdat de noodzaak daartoe niet was gebleken. HR: oordeel niet onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:224 Bij arrest van 3 november 2014 heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 19 maart 2014 vernietigd ten aanzien van de straf en bevestigd voor het overige. Bij voormeld vonnis is de verdachte veroordeeld wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Het hof heeft daar een gevangenisstraf van 12 weken, met aftrek van het voorarrest voor opgelegd.

In het bevestigde vonnis is nog de volgende bewijsoverweging opgenomen:

“Nadere bewijsmotivering

“Op 22, 23 en 26 november 2013 is de verdachte geobserveerd, toen is gezien dat hij vanuit een auto samen met zijn stiefvader [betrokkene 2] drugs (heroïne en cocaïne) verkocht aan - naar later bleek - respectievelijk [getuige 1], [betrokkene 3] en [getuige 2].

Genoemden [getuige 1] en [getuige 2] hebben de verdachte van een politiefoto ook herkend als hun dealer. Als zij drugs wilden hebben namen zij telefonisch contact met hem op. Dat er sprake was van medeplegen kan worden afgeleid uit het feit dat de verdachte telkens samen met deze [betrokkene 2] optrok in dezelfde auto en na een transactie/ transacties ook weer samen terugkeerden naar het adres van de woning van [betrokkene 2] aan de [a-straat 1] te [woonplaats].

In deze woning zijn tijdens de doorzoeking allerlei drugsgerelateerde voorwerpen gevonden als gripzakjes (met daarop afgebeeld groene dollartekens) en een weegschaal en substanties die bij een indicatieve test scoorden als cocaïne, heroïne en amfetamine. De verklaring van de verdachte dat hij geen wetenschap had van de handel in drugs wordt daarom als onaannemelijk terzijde geschoven.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"Voorts herhaalt de raadsman zijn bij appelschriftuur d.d. 8 oktober 2014 gedane verzoek tot het horen van twee getuigen.

De advocaat-generaal ziet geen aanleiding zijn bij brief d.d. 9 oktober 2014 medegedeelde standpunt te herzien, inhoudende dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is en dat de noodzaak tot het horen van de getuigen niet is gebleken en onvoldoende onderbouwd is.

Na beraad deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede.

Het verzoek is niet gedaan bij tijdig ingediende appelschriftuur. Dientengevolge geldt het zogenoemde noodzakelijkheidscriterium. Het hof wijst af het verzoek tot het (doen) horen van de twee getuigen, nu het verzoek onvoldoende gemotiveerd is en ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken."

Bij gefaxte brief van 8 oktober 2014 heeft de verdediging de advocaat-generaal verzocht om twee getuigen op te roepen voor de zitting van het hof van 20 oktober 2014. De verdediging heeft dit verzoek als volgt toegelicht:

“Cliënt heeft eerder bij de politie gesteld de ten laste gelegde feiten niet te hebben gepleegd. Hij stelt dat de getuigen niet de waarheid hebben gesproken bij de politie en dat nader verhoor zal uitwijzen dat hij de ten laste gelegde feiten niet heeft gepleegd.

Er zijn door de politie 3 “gebruikers/kopers” gehoord. Twee daarvan belasten cliënt.

Getuige [getuige 1] verklaart dat hij zijn drugsdealer genaamd “Snor” had gebeld om cocaïne te kopen pagina 104. De Snor is een Marokkaanse man van ongeveer 40 jaar oud en draagt een snor. Later verklaart hij dat hij ook van [betrokkene 1] koopt. Het telefoonnummer wat [betrokkene 1] zou gebruiken komt niet overeen met het nummer van [verdachte]. Volgens de observanten pagina 111 heeft getuige [getuige 1] de uiterlijke kenmerken van een harddrugsverslaafde. Volgens [getuige 1] zelf gebruikt hij slechts een half jaar en koopt het dat gehele half jaar bij de Snor & [betrokkene 1]. Blijkens de uiteindelijke dagvaarding is de periode door het OM teruggeschroefd naar 4 dagen. Tevens stelt [getuige 1] dat hij 2 gram zou hebben gekocht voor € 80,-- pagina 104. Volgens verbalisant [verbalisant 9] was het slechts 1.3 gram pagina 118. Een ervaren gebruiker zou het verschil wel merken.

De verdediging wenst de getuige [getuige 1] vragen te stellen omtrent de enkelvoudige fotoconfrontatie. Het feit dat hij eerst de Snor aanduidt als zijn drugsdealer en later [betrokkene 1] erbij betrekt Ook over de gestelde periode van een half jaar wenst de verdediging nader vragen te stellen.

Getuige [getuige 2] stelt bij de politie dat hij drugs gekocht heeft van [betrokkene 1] en hij hem gebeld zou hebben op [002]. Vervolgens stelt hij dat zijn dealer een nieuw nummer heeft, [003] genaamd [betrokkene 4]. Beide nummers kunnen niet aan [verdachte] gelinkt worden.

De verdediging heeft vragen aan getuige [getuige 2] omtrent de enkelvoudige fotoconfrontatie en het signalement van zijn dealer. Ook wenst de verdediging hem te vragen te stellen over zijn gebruik, hij stelt immers dat hij de drugs voor zijn vriendin [betrokkene 5] zou hebben gekocht. Kent deze [betrokkene 5] de dealer? Daarnaast stelt hij dat hij voordat hij ging pinnen al de bestelling zou hebben gedaan, zonder te weten of er geld op zijn rekening zou staan.

Om die reden verzoek ik voornoemde getuigen nader op te roepen als getuigen.

[getuige 1] [adres]

[getuige 2] [adres]”

Bij brief van 9 oktober 2014 heef de advocaat-generaal de verdediging laten weten dat hem de noodzaak tot het horen van die getuigen niet is gebleken en dat de verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd. De advocaat-generaal heeft geweigerd de getuigen op te roepen.

Ter terechtzitting van 20 oktober 2014 heeft de verdediging het verzoek om het horen van de twee getuigen herhaald. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, in:

“Voorts herhaalt de raadsman zijn bij appelschriftuur d.d. 8 oktober 2014 gedane verzoek tot het horen van twee getuigen.

De advocaat-generaal ziet geen aanleiding zijn bij brief d.d. 9 oktober 2014 medegedeelde standpunt te herzien, inhoudende dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is en dat de noodzaak tot het horen van de getuigen niet is gebleken en onvoldoende onderbouwd is.

Na beraad deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede.

Het verzoek is niet gedaan bij tijdig ingediende appelschriftuur. Dientengevolge geldt het zogenoemde noodzakelijkheidscriterium. De hof wijst af het verzoek tot het (doen) horen van de twee getuigen, nu het verzoek onvoldoende gemotiveerd is en ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken.”

Middel

Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd om een met redenen omklede beslissing te geven op het verzoek van de verdediging tot het horen van twee getuigen, althans, dat de beslissing van het hof om dit verzoek af te wijzen niet begrijpelijk is.

Oordeel Hoge Raad

Het Hof heeft het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek getuige 1 en getuige 2 als getuigen te horen afgewezen omdat het dit verzoek onvoldoende gemotiveerd achtte en omdat ook overigens de noodzaak daartoe niet was gebleken. Mede in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Conclusie AG Spronken: contrair

 

11. De raadsman heeft de getuigen niet bij tijdig ingediende schriftuur opgegeven, maar later bij afzonderlijke brief van 8 oktober 2014 (door het hof weliswaar aangeduid als “appelschriftuur d.d. 8 oktober 2014”). De getuige is niet opgeroepen door de advocaat-generaal en niet verschenen ter terechtzitting van het hof. De raadsman heeft zijn “bij appelschriftuur d.d. 8 oktober 2014 gedane” verzoek tot het horen van de twee getuigen herhaald ter terechtzitting van hof. Herhaling van een schriftelijk gemotiveerd verzoek, moet mijns inziens worden beschouwd als een gemotiveerd verzoek ter terechtzitting. Gelet op de procesgang tot zover, diende het hof dit verzoek te beoordelen aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf gebruikt.

12. Toepassing van het noodzakelijkheidscriterium brengt met zich mee dat een verzoek kan worden afgewezen “op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren.” In cassatie wordt het oordeel van het hof dat het horen van de verzochte getuigen niet noodzakelijk is op begrijpelijkheid getoetst. Daarbij gaat het om de verhouding tussen enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop dat verzoek is afgewezen.

13. In de onderhavige zaak heeft de verdediging een duidelijk verband gelegd tussen het ten laste gelegde en het verzoek tot het horen van de getuigen. De verdachte heeft het hem ten laste gelegde betwist en een nader verhoor van de getuigen zou volgens de verdediging uitwijzen dat de verdachte het ten laste gelegde niet had gepleegd. De belastende getuigen hebben niet alleen zelf een verklaring afgelegd bij de politie, ze spelen ook een rol in de bevindingen van de verbalisanten. De verdediging heeft op geen enkel moment de gelegenheid gehad om deze getuigen te ondervragen. De relevantie van het verzoek tot het horen van de getuigen spreekt niet uit alle onderdelen van de motivering van dat verzoek, maar is ook zeker niet te ontkennen. De verdediging wilde getuige Knegt vragen waarom hij verdachte heeft genoemd als zijn drugsdealer, terwijl Knegt primair een andere persoon noemde als zijn drugsdealer. De verdediging wilde getuige [getuige 2] kennelijk bevragen over zijn telefonische contacten met zijn drugsdealer, aangezien de telefoonnummers die [getuige 2] daarvoor gebruikte niet in verband konden worden gebracht met verdachte. Voorts wilde de verdediging beide getuigen bevragen over de herkenning van verdachte bij de enkelvoudige fotoconfrontatie. Ten opzichte van deze onderbouwing is de afwijzing van het verzoek – hoewel aan de juiste maatstaf getoetst – uiterst summier en daardoor niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd.

14. Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Middelen zonder “therapeutische” werking kunnen niet worden gekwalificeerd als geneesmiddel

Hoge Raad 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:219

Deze zaak is een uitvloeisel van een grootschalig opsporingsonderzoek naar de vervaardiging van synthetische drugs in Delft en omstreken. In feitelijke aanleg zijn vele zittingen besteed aan vragen rond de rechtmatigheid van de start van het onderzoek en aan de inzet van opsporingsmiddelen. In zowel feit 1, 2, 6 als 8 gaat het (onder meer) om (meer dan 100.000 pillen) die de stof metachlorophenylpiperazine (mCPP) bevatten. Deze stof wordt in de landbouw als bestrijdingsmiddel gebruikt, maar wordt ook wel aangeduid als een diergeneesmiddel en is hoe dan ook niet vermeld op de lijsten met verboden stoffen behorende bij de Opiumwet.

Het Hof heeft de stof aangemerkt als geneesmiddel. De kwalificatie als geneesmiddel en daarmee zoals in de onderhavige zaak, een veroordeling ter zake van art. 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet was in dergelijke gevallen tot voor kort zowel in Nederland als in de ons omliggende landen niet ongebruikelijk. In geen van de vier samenhangende zaken die in cassatie aan de orde zijn is in feitelijke aanleg een punt gemaakt van de kwalificatie van de stoffen als geneesmiddel.

 

Het Gerechtshof Den Haag, meervoudige kamer voor strafzaken, heeft bij arrest van 15 juli 2010 de verdachte vrijgesproken van het onder 7. en 10 primair tenlastegelegde en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 64 maanden wegens:

  • feit 1. en 2. medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd,
  • feit 3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie”,
  • feit 4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie”,
  • feit 5. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
  • feit 6. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,
  • 8. en 10 subsidiair opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd,
  • 9 primair opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en
  • 11. opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2 aanhef onder a. van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën in verband met artikel 3, tweede lid van de Verordening (EG) met nr. 273/2004.

Eerst middel

Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 1, 2, 6 en 8 vermelde stof mCPP (meta-chlorophenylpiperazine) en de in de bewezenverklaring onder 10 vermelde stof efedrine geneesmiddelen zijn als bedoeld in art. 1, eerste lid onder b, Geneesmiddelenwet.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het onder 1 en 2 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd" en het onder 8 en 10 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd".

Op 1 juli 2007 is de Wet van 8 februari 2007 tot vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet (Stb. 2007, 93) in werking getreden. De nieuwe Geneesmiddelenwet voorziet in de implementatie van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004.

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

  • art. 40, tweede lid (oud), Geneesmiddelenwet:

"Het is verboden een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen of in te voeren."

  • art. 1, eerste lid onder b, Geneesmiddelenwet:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (...)

b. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor:

1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens,

2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of

3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen; (...)"

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de nieuwe Geneesmiddelenwet houdt onder meer in:

"Artikel 1 Eerste lid, onder b (geneesmiddel)

Uitgangspunt voor de definitie van geneesmiddel is uiteraard de definitie van geneesmiddel, zoals opgenomen in richtlijn 2001/83/EG. Voorts is gekeken naar de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ) met betrekking tot het begrip geneesmiddel en naar de huidige definitie van geneesmiddel in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG).

Bovendien is artikel 1 van Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PbEG L 169) - hierna te noemen: richtlijn 93/42/EEG - alsmede artikel 1 van de Wet medische hulpmiddelen (WMH) in de beschouwing betrokken. (...)

De definitie van geneesmiddel in artikel 1 van richtlijn 2001/83/EG bestaat uit twee delen en luidt als volgt:

Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens.

Elke enkelvoudige of samengestelde substantie die aan de mens kan worden toegediend teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd.

Deze tweedeling komt er op neer dat een product een geneesmiddel is op grond van zijn presentatie of op grond van zijn werking en dus ook op grond van beide aspecten. Deze twee aspecten zijn uiteraard ook in de onderhavige begripsbepaling opgenomen. Materieel is er ter zake van deze twee aspecten dus geen verschil met de richtlijnbepaling." (Kamerstukken II, 2003/04, 29 359, nr. 3, p. 24-25)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn uitspraak van 10 juli 2014 (C-358/13 en C-181/14, ECLI:EU:C:2014:2060) in de zaken Markus D. en G., dat is gewezen na het bestreden arrest van 21 januari 2014, met betrekking tot het begrip 'geneesmiddel' in art. 1, punt 2, sub b, van Richtlijn 2001/83, zoals hiervoor onder 2.4.3 is weergegeven, voor recht verklaard:

"Artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, moet aldus worden uitgelegd dat daaronder niet vallen substanties zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, waarvan de effecten beperkt zijn tot louter een wijziging van de fysiologische functies, zonder dat zij direct of indirect een gunstige invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid, en die alleen maar worden geconsumeerd om een roes op te wekken en bij consumptie schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid."

In het licht van voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie en op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13 behoeft het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat ten aanzien van de in de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 6 en 8 genoemde stof mCPP (meta-chlorophenylpiperazine) en ten aanzien van de in de bewezenverklaring van feit 10 genoemde stof efedrine sprake is van een geneesmiddel als bedoeld in art. 1, eerste lid onder b, Geneesmiddelenwet, nadere motivering:

13. Het Hof heeft in het hier in cassatie bestreden arrest voor het bewijs onder meer gebruik gemaakt van het relaas van een apotheker-toxicoloog (bewijsmiddel 21) inhoudende dat mCPP en efedrine voldoen aan het criterium genoemd onder 3 van art. 1, lid 1, onder b van de Geneesmiddelenwet: het anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch effect te bewerkstelligen. Nu daarbij in het midden is gebleven of mCPP en efedrine direct of indirect een gunstige invloed kunnen hebben op de menselijke gezondheid kan de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 6, 8 en 10 niet in stand blijven. Het Hof heeft een onjuiste betekenis gegeven aan het begrip geneesmiddel als bedoeld in art. 1, eerste lid onder b sub 3, van de Geneesmiddelenwet dan wel de bewezenverklaring van de genoemde feiten ontoereikend gemotiveerd nu zonder nadere toelichting die ontbreekt niet zonder meer kan worden aangenomen dat mCPP en efedrine kunnen worden aangemerkt als geneesmiddel als voren bedoeld. Om redenen van doelmatigheid laat ik de andere klachtonderdelen van dit middel onbesproken.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

Derde middel

Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 11 vermelde stof pseudo-efedrine "een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage 1 van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement" in verbinding met art. 2, aanhef en onder a, Wet voorkoming misbruik chemicaliën is.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is onder 11 bewezenverklaard dat:

"hij, als marktdeelnemer, op 2 juli 2009 te Delft, opzettelijk, een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage 1 van de Verordening nr 273/2004 van het Europees Parlement, te weten pseudo-efedrine en piperonal, zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in zijn bezit heeft gehad."

Op de grond die is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 22 is het middel terecht voorgesteld:

22. Uitgangspunt van art. 2 onder a van Verordening 273/2004 is dat ook mengsels die een geregistreerde stof bevatten zijn aan te merken als een geregistreerde stof. Bij zodanige vermenging (bijvoorbeeld in het kader van al dan niet farmaceutisch geprepareerde tabletten) dat de geregistreerde stof niet gemakkelijk met eenvoudige of economisch rendabele middelen kan worden gebruikt of geëxtraheerd geldt een uitzondering. De steller van het middel neemt aan dat voor de aangetroffen 4080 tabletten geldt dat de efedrine niet gemakkelijk kan worden gebruikt of geëxtraheerd. Er is inderdaad sprake van een aanname omdat het Hof hieromtrent niets heeft vastgesteld. Daarin zit hier echter wel de crux. Immers, zonder ontbrekende nadere motivering omtrent de mogelijkheden van extractie van de pseudo- efedrine en het gebruik ervan kunnen de tabletten niet zonder meer worden aangemerkt als een geregistreerde stof. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. De tweede klacht van het middel laat ik om redenen van doelmatigheid buiten bespreking.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: een zekere bereidheid tot het plegen van (ook soortgelijke) strafbare feiten staat niet aan uitlokking in de weg

Hoge Raad 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:223 In de onderhavige zaak heeft de verdachte, naar aanleiding van informatie die hij verstrekte aan respectievelijk een ambtenaar van de Belastingdienst en een politieambtenaar, van voornoemde personen onder het ambtsgeheim vallende gegevens ontvangen. In de schriftuur wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte in de onderhavige zaken inlichtingen heeft verschaft waardoor hij de ander heeft uitgelokt tot het plegen van een misdrijf onbegrijpelijk is en/of blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.Tweede middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat sprake is van uitlokking, omdat betrokkene 1 uit zichzelf had aangeboden informatie te verstrekken.

Beoordeling Hoge Raad

Een zekere bereidheid in algemene zin tot het plegen van – mogelijk soortgelijke - strafbare feiten bij degene die zou zijn uitgelokt, staat aan uitlokking niet in de weg, omdat het er bij uitlokking om gaat dat de uitgelokte door de uitlokker met gebruikmaking van één of meer uitlokkingsmiddelen wordt aangezet tot het plegen van een specifiek strafbaar feit (vgl. HR 13 mei 1975, ECLI:NL:HR: 1975:AB4660, NJ 1975/386).

Het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat betrokkene 1 in een eerder stadium in algemene zin te kennen had gegeven open te staan voor informatieverzoeken, aan de tenlastegelegde uitlokkingen niet af doet, geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

Het middel faalt.

Eerste middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de door de verdachte verstrekte gegevens kunnen worden aangemerkt als "inlichtingen" als bedoeld in art. 47, eerste lid onder 2, Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Onder inlichtingen als bedoeld in art. 47, eerste lid onder 2, Sr zijn begrepen mededelingen van feitelijke aard die van belang zijn met het oog op het te plegen delict, in die zin dat deze geschikt zijn om in de omstandigheden van het geval te bewerkstelligen dat het delict wordt gepleegd (vgl. HR 27 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0260, NJ 2001/308).

Het Hof heeft met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 3.2 is vooropgesteld, geoordeeld dat de door de verdachte verstrekte gegevens over de personen over wie hij nadere informatie wenste te verkrijgen, als inlichtingen in de zin van art. 47, eerste lid onder 2, Sr kunnen worden aangemerkt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beklag: Rb heeft ten onrechte de teruggave van de desbetreffende inbeslaggenomen goederen aan een ander dan klaagster gelast

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:170

Klaagster is gehuwd geweest met de beslagene (betrokkene 1). In de strafzaak tegen deze betrokkene 1 zijn onder betrokkene 1 en kennelijk daarnaast ook onder klaagster goederen in beslag genomen op grond van art. 94a Sv. Betrokkene 1, echtgenoot van klaagster, is lopende de tegen hem ingestelde strafvervolging om het leven gebracht waardoor de strafzaak tegen hem is geëindigd in een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging. De strafzaak die is aangevangen tegen klaagster is geëindigd in een vrijspraak. Het door klaagster ingediende klaagschrift strekt dan ook tot opheffing van de gelegde beslagen en tot teruggave van deze goederen en geldbedragen aan klaagster.

Het Openbaar Ministerie was met klaagster van oordeel dat de grond aan het gelegde conservatoire beslag was komen te vervallen en dat het belang van de strafvordering zich derhalve niet tegen de teruggave van de desbetreffende goederen verzette. Ten aanzien van de door het OM onder A en B genoemde goederen stelde het OM zich op het standpunt dat deze aan klaagster dienen te worden teruggegeven. Ten aanzien van de onder C genoemde goederen - die onder betrokkene 1 in beslag zijn genomen - heeft het OM zich op het standpunt gesteld dat die dienen te worden teruggegeven aan de vereffenaar van de boedel, nu deze in de plaats van de erfgenamen treedt.

Het oordeel van de Rechtbank houdt in:

"Gelet op de conclusie van de officier van justitie tot gegrondverklaring, opheffing van het beslag en de teruggave, kan de rechtbank niet meer treden in de beoordeling van de vraag of enig strafvorderlijk belang in de weg staat aan teruggave. Hiermee staat vast dat de rechtbank moet komen tot een gegrondverklaring van het klaagschrift.

Evenwel ziet de rechtbank zich thans voor de vraag gesteld aan wie het beslag als genoemd onder C in de conclusie van het openbaar ministerie feitelijk moet worden teruggegeven.

Bij de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank van belang dat de goederen als genoemd onder C bij wijlen [betrokkene 1] in beslag zijn genomen. Het is echter onduidelijk wie als rechthebbende moet worden aangemerkt. Alle omstandigheden in aanmerking nemend gaat de rechtbank er vanuit dat de goederen behoren tot de boedel. Voorts is van belang dat de rechtbank een vereffenaar van de boedel heeft benoemd welke in de plaats van de erfgenamen treedt overeenkomstig de betreffende bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder artikel 4:203 BW.

Namens klaagster is naar voren gebracht dat zij als erfgenaam (weduwe) de rechthebbende is en dat de goederen dus aan haar toekomen. De rechtbank is van oordeel dat klaagster dit standpunt niet aannemelijk heeft gemaakt. Wat aan klaagster rechtens toekomt in de hoedanigheid van erfgenaam, zal haar ook via de vereffenaar toekomen.

Alle omstandigheden overziend is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de teruggave aansluiting moet worden gezocht bij de strafvorderlijke hoofdregel van teruggave aan de beslagene, in casu wijlen [betrokkene 1] , en gezien de benoeming van de vereffenaar, aan deze vereffenaar.

De rechtbank beslist als hierna te melden.

DE BESLISSING:

De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de goederen als genoemd onder A en B in de conclusie van het openbaar ministerie aan klaagster en de goederen als genoemd onder C in de conclusie van het openbaar ministerie aan [betrokkene 2] in de hoedanigheid van vereffenaar van de boedel van de beslagene."

Middel 

Het middel klaagt dat de Rechtbank met betrekking tot de in de bestreden beschikking onder C genoemde goederen, die onder wijlen betrokkene 1 in beslag genomen waren, ten onrechte een last tot teruggave aan een ander dan de klaagster heeft gegeven.

Beoordeling Hoge Raad

De wet kent wat betreft de beklagprocedure als bedoeld in het vierde boek, titel IX, van het Wetboek van Strafvordering niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend. De Rechtbank heeft ten onrechte de teruggave van de desbetreffende inbeslaggenomen goederen aan een ander dan de klaagster gelast. De Rechtbank had te dezen zodanige last niet mogen geven.

Het middel is derhalve terecht voorgesteld. Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden. In de beoordeling van het klaagschrift ligt als het oordeel van de Rechtbank besloten dat de klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende op de onder C genoemde goederen kan worden aangemerkt. Over dit oordeel klaagt het middel niet. Bij vernietiging en terugwijzing heeft de klaagster dan ook geen belang, nu de Rechtbank op grond van dat oordeel het klaagschrift in zoverre ongegrond had dienen te verklaren.

Gelet hierop zal de Hoge Raad - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^