Wanneer heeft een advocaat (geen) verschoningsrecht?

Hoge Raad 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3258 Onder leiding van de Rechter-Commissaris heeft in de woning van betrokkene 1, en in de bedrijfsruimte van A (hierna: de stichting), waarvan betrokkene 1 de enige bestuurder is, een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden. Tegen betrokkene 1, een politieambtenaar, is de verdenking gerezen dat zij in de uitoefening van haar bediening vertrouwelijke politie-informatie heeft verstrekt aan (medewerkers van) een advocatenkantoor en daarvoor een gift of belofte heeft aangenomen in de vorm van drukwerk en digitale formulieren, besteld of betaald door het advocatenkantoor en bestemd voor de stichting.

Tegen bij dit kantoor werkzame advocaten is de verdenking gerezen van 'actieve omkoping' en opzet- en schuldheling. In deze beklagprocedure hebben de klagers (het advocatenkantoor en bij dat kantoor werkzame advocaten) een beroep gedaan op hun (afgeleid) verschoningsrecht ten aanzien van bepaalde onder betrokkene 1 en de stichting inbeslaggenomen stukken.

De bestreden beschikking houdt onder het opschrift 'de verdenking jegens klagers' het volgende in:

"(...) betrokkene 1 verstrekt in de uitoefening van haar bediening vertrouwelijke politie- informatie, zijnde registraties, aan advocatenkantoor klaagster 1 te vestigingsplaats. Zij neemt daarvoor waarschijnlijk een gift of belofte aan of heeft deze aangenomen, in de vorm van drukwerk en/of digitale formulieren, betaald door klaagster 1. Dit drukwerk is kennelijk ten behoeve van haar A of B.

Klaagster 1 doet waarschijnlijk een gift of heeft dat gedaan of verleent een dienst of heeft deze verleend aan betrokkene 1, door het drukwerk en digitale formulier(en) van de A of B te betalen voor betrokkene 1, met het oogmerk haar te bewegen iets in strijd met haar ambtsbediening te doen of na te laten of dat deze gift het gevolg is van haar handelen in strijd met haar plicht. klaagster 1, c.q. de medewerker betrokkene 2 en/of klager 4 van dit advocatenkantoor, hebben opzettelijk goederen verworven waarvan zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat zij deze goederen door misdrijf verkregen hadden en zij daar een beroep of gewoonte van maken.

In het mailverkeer tussen klaagster 1 en betrokkene 1 werden berichten gezien die zouden duiden op het bestellen van drukwerk door het advocatenkantoor ten behoeve van de A. (...)

Bij de politie heeft betrokkene 1 verklaard, kort gezegd, dat zij op verzoek van klaagster 1 tegen betaling politie-informatie aan aldaar werkzame advocaten heeft verstrekt. Over de folders van de A heeft zij verklaard dat deze door klaagster 1 zijn geregeld en betaald en dat dit gewoon een gift was. Tegenover de officieren van justitie mrs. N. Voorhuis en M. Dontje heeft zij verklaard, toen zij door hen als verdachte werd gehoord, dat zij nu denkt dat haar stichting een dekmantel was en dat als de stichting zou gaan lopen, zij ook aan klaagster 1 cliënten zou kunnen aanleveren. Op de vraag welke giften betrokkene 1 voor haar Stichting heeft ontvangen, heeft zij geantwoord dat klager 4 de grote brochure en het draaiboek heeft geschreven, klaagster 7 het contact voor de golfclinic was en dat betrokkene 2 de contactpersoon is geweest voor de facturen, de brochures, de domeinnamen, de hosting van de website, de Kamer van Koophandel- kosten en ook de reclame op de auto. (...)"

De beschikking houdt voorts met betrekking tot de inbeslaggenomen documenten het volgende in:

"3.3. De klagers hebben de documenten tegen de inbeslagname waarvan hun klaagschriften zich richten, verdeeld in twee categorieën:

Categorie 'A': e-mails, brieven, facturen, notities en processen-verbaal met gegevens van letselschadecliënten, die niet zijn aan te merken als "corpora et instrumenta delicti". Deze documenten vallen onder het verschoningsrecht: het zijn (proces)stukken in een individuele zaak, die betrekking hebben op een cliënt.

Categorie 'C': gegevens met betrekking tot betrokkene 1 c.q. de A (...). betrokkene 1 was cliënte van klagers. Zij hebben betrokkene 1 bijgestaan bij het oprichten van de A. Dit betrof diverse adviezen en werkzaamheden. Stukken en correspondentie betreffende deze werkzaamheden vallen per definitie onder het verschoningsrecht."

De Rechtbank heeft aan haar beschikking drie bijlagen gehecht, te weten: bijlage I - aangepaste Documentenlijst opgemaakt namens klagers gedurende raadkamerzitting; bijlage II - corpora et instrument delicti; en bijlage III - geen verschoningsgerechtigde stukken. Elk van deze bijlagen bevat zowel documenten van de A-categorie als documenten van de C-categorie.

Derde middel

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de documenten genoemd in bijlage III bij de bestreden beschikking niet kunnen worden aangemerkt als 'informatie die door een cliënt aan klagers in hun hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd' en het beklag voor zover het op die stukken betrekking heeft, daarom ongegrond is.

Beoordeling van het derde middel

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"5.5.1. De rechtbank is van oordeel dat de overige door klagers op de Documentenlijst genoemde documenten (voor de duidelijkheid weergegeven in de aan deze beschikking als bijlage III gehechte lijst) niet onder het verschoningsrecht van klagers vallen nu het telkens niet gaat om informatie die door een cliënt aan klagers in hun hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd. Een aantal stukken bevat, louter informatie zonder dat er een kenbaar verband met klagers is. Het gaat hier bijvoorbeeld om een bij betrokkene 1 aangetroffen folder van betrokkene 1 of stukken zonder naamsvermelding of stukken van/over derden. De stukken betreffende het drukken van folders, een golfclinic en sponsoring hebben betrekking op werkzaamheden die niet kunnen worden gerekend tot de juridische dienstverlening/taak- en beroepsuitoefening van een advocaat. De in deze stukken vervatte informatie kan dan ook niet worden aangemerkt als informatie die aan een vertrouwenspersoon in diens hoedanigheid is toevertrouwd.

Ook ten aanzien van deze stukken zal het beklag ongegrond worden verklaard."

Ingevolge art. 218 Sv kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, zich in rechte op zijn verschoningsrecht beroepen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Het gaat daarbij om de wetenschap die een verschoningsgerechtigde heeft verkregen in de uitoefening van zijn beroep. Een advocaat komt daarom alleen een verschoningsrecht toe in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat.

In de overwegingen van de Rechtbank ligt besloten dat de in bijlage III vermelde stukken niet duiden op zo een dienstverlening en de klagers zich met betrekking tot die stukken daarom niet op een verschoningsrecht kunnen beroepen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is, in aanmerking genomen de in de bestreden beschikking weergegeven verklaring van betrokkene 1 met betrekking tot die stukken, ook niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklachten schuldheling bij aanschaf motorboot via marktplaats

Hoge Raad 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3263 Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 april 2014 het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2013, waarbij de verdachte wegens schuldheling bij verstek is veroordeeld, met aanvulling van gronden bevestigd, behalve wat betreft de strafoplegging. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 mei 2010 (LJN: BL5625) op het standpunt gesteld dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier naar voren zijn gekomen niet zonder meer volgt dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was. De raadsman is van mening dat de prijs die de verdachte voor de boot heeft betaald gangbaar is en dat de verkoper een plausibele verklaring heeft gegeven waarom hij van de boot af moest. De boot was beschadigd en de prijs was niet exorbitant hoog. Daarnaast kwam de verkoper als betrouwbare man over die in een goede indruk heeft gemaakt op de verdachte. Hieruit volgt naar de mening van de raadsman dat geen sprake is geweest van grove nalatigheid.

Het hof verwerpt het verweer. De verklaring van de verdachte dat hij de boot in augustus/september 2009 heeft gekocht strookt niet met de verklaring van de aangever dat de boot op 13 oktober 2009 is gestolen. Het hof acht reeds daarom de verklaring van de verdachte dat hij de boot eind augustus/begin september 2009 via Marktplaats heeft gekocht ongeloofwaardig. Het hof wordt in dit oordeel nog gesterkt door de omstandigheid dat de verdachte geen enkele concrete aanwijzing heeft kunnen geven over de persoon die de boot aan hem zou hebben verkocht of de herkomst van de boot."

Middelen

De beide middelen klagen over de motivering van de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de boot in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Daarbij wordt mede het volgende in aanmerking genomen. Het Hof heeft niets overwogen omtrent de in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verdachte als koper te vergen controle van de herkomst van de boot, bijvoorbeeld aan de hand van het Craft Identification Number (CIN). Over de staat van de boot in relatie tot de betaalde koopprijs en de marktwaarde van de boot ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan heeft het Hof niets naders overwogen, terwijl de enkele omstandigheid dat het Hof de - desniettemin voor het bewijs gebezigde - verklaring van de verdachte met betrekking tot de periode van aankoop van de boot ongeloofwaardig heeft geacht, nog niet duidelijk maakt dat de verdachte had moeten vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was, mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten dat de verdachte de boot heeft gekocht voor een prijs die gangbaar was, dat de verkoper een plausibele verklaring voor de verkoop had gegeven en dat de boot beschadigd was.

De bewezenverklaring is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

De middelen zijn terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken in de zin van art. 337 li 1 sub a Sr

Hoge Raad 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3248

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur wegens het opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken in voorraad hebben.

Middel

Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien uit de bewijsmiddelen niet zou kunnen volgen dat de merken vals, vervalst of wederrechtelijk vervaardigd zijn.

Uit de bewijsvoering zou mogelijk kunnen volgen dat de goederen die van die merken waren voorzien vervalsingen betreffen, maar daarmee zijn volgens de steller van het middel de merken nog niet vals, vervalst of wederrechtelijk vervaardigd.

Beoordeling Hoge Raad

De vraag rijst wanneer merken als vals, vervalst of wederrechtelijk vervaardigd zijn aan te merken. 

De tenlastelegging is toegesneden op onderdeel a van het eerste lid van art. 337 Sr. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van dat onderdeel in art. 337 in het Wetboek van Strafrecht houdt onder meer het volgende in:

"Valse en vervalste merken zullen in de regel ook wederrechtelijk vervaardigd zijn, doch dit is niet noodzakelijkerwijs het geval. Merken kunnen bij voorbeeld ook gestolen zijn van de rechthebbende met het oogmerk ze aan goederen te hechten waarvoor zij niet zijn bestemd. Het zijn dan - gelet op hun bestemming - valse merken zonder dat zij wederrechtelijk zijn vervaardigd. Ook kunnen merken wederrechtelijk zijn vervaardigd zonder dat vaststaat dat zij ook als een vals merk zullen worden gebruikt of daarvoor zijn bestemd. (...)" (Kamerstukken II, 1989/90, 21 641, nr. 3, p. 8)

Hieruit volgt dat valse merken in de zin van deze bepaling niet slechts zijn merken die valselijk zijn opgemaakt teneinde de indruk te wekken dat het om een beschermd merk gaat. Ook echte, door de rechthebbende geproduceerde merken kunnen als vals worden aangemerkt als zij bestemd zijn te worden aangebracht op goederen die niet van dat merk afkomstig zijn. De beoordeling of een merk vals is, moet in een dergelijk geval dan ook niet geïsoleerd plaatsvinden, maar in relatie tot de goederen waarvoor zij zijn bestemd.

In de onderhavige zaak is tot het bewijs gebezigd de bevindingen van de aangever, dat ten aanzien de goederen “is vastgesteld dat deze alle waren voorzien van beschermde merken en logo’s dan wel daarvan slechts een geringe afwijking vertoonden.”

Voorts is aan de hand van een zestal criteria vastgesteld dat de aangetroffen producten niet door, in opdracht van of met toestemming van de rechthebbenden zijn vervaardigd, ingevoerd en/of in het handelsverkeer gebracht.

Hieruit heeft het hof afgeleid dat de merken waarvan de kledingstukken en parfums waren voorzien echte of nagemaakte merken betroffen, dan wel merken die een geringe afwijking van het beschermde merk vertoonden.

Ten aanzien van de merken die een geringe afwijking vertonen van het werkelijke merk, heeft het hof kunnen oordelen dat die merken vals, vervalst of wederrechtelijk vervaardigd waren.

Ten aanzien van de merken zonder afwijking geldt dat voor zover het gaat om nagemaakte merken, sprake is van valse en/of wederrechtelijk vervaardigde merken. De bewijsmiddelen sluiten echter niet uit dat het bij deze merken gaat om echte, rechtmatig geproduceerde merken. Gelet op de memorie van toelichting kan ook in dat geval worden gesproken van ‘valse merken’ in de zin van art. 337, eerste lid onder a, Sr, omdat deze zijn aangebracht op kledingstukken en parfums waarvoor zij niet zijn bestemd.

De bewezenverklaring maakt geen keuze tussen de genoemde mogelijkheden. Daartoe was het hof echter ook niet gehouden. Vastgesteld is immers dat de merken waren aangebracht op producten die niet van de rechthebbende op dat merk afkomstig waren, terwijl voor het gebruik van het merk geen toestemming is gegeven.

De door de bewezenverklaring open gelaten mogelijkheden vallen alle onder de reikwijdte van art. 337, eerste lid, aanhef en sub a, Sr.

En dus kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de merken vals, vervalst of wederrechtelijk vervaardigd zijn. De bewezenverklaring is op dit onderdeel voldoende met redenen omkleed.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ook bij verzet na een strafbeschikking mag telastelegging cfm. eisen art. 313 Sv worden gewijzigd

Hoge Raad 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3249 Aan verzoeker in cassatie is op 5 maart 2012 een strafbeschikking uitgereikt ter zake van diefstal in vereniging (art. 311, eerste lid aanhef en onder 4°, Sr). Daartegen heeft verzoeker verzet ingesteld op 23 maart 2012 (zonder daarbij inhoudelijke bezwaren aan te dragen). Verzoeker is vervolgens na het ingesteld verzet opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 december 2012. Blijkens de oproeping is aan verzoeker winkeldiefstal in vereniging tenlastegelegd, en wel als volgt:

“dat hij op of omstreeks 9 januari 2012 te Wateringen, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een krimpkous en/of een slijpschijf, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Hornbach (filiaal Wateringen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) (art. 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht)”.

Op de terechtzitting van de politierechter van 14 augustus 2013 is op vordering van de officier van justitie en op grond van art. 313 Sv de tenlastelegging in die zin gewijzigd dat daaraan medeplegen van oplichting (art. 326 j° art. 47 Sr) is toegevoegd:

“en/of

hij in of omstreeks 9 januari 2012 te Wateringen, Gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels (een medewerker van) winkelbedrijf Hornbach heeft bewogen tot afgifte van een slijpschijf (tegen betaling van het bedrag van een goedkopere slijpschijf), in elk geval enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die slijpschijf uit de bijbehorende verpakking gehaald en (vervolgens) in de verpakking van een goedkopere slijpschijf gedaan, waardoor (een medewerker van) winkelbedrijf Hornbach werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”

De politierechter heeft bij vonnis van 14 augustus 2013 de uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd, het aan verzoeker tenlastegelegde bewezenverklaard, het bewezenverklaarde gekwalificeerd als diefstal door twee of meer verenigde personen en medeplegen oplichting en verzoeker veroordeeld tot een geldboete van € 350. Namens verzoeker is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 juni 2014 verzoeker veroordeeld tot een geldboete van €300 wegens medeplegen van oplichting.

Het Hof heeft met betrekking tot de wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg onder meer het volgende overwogen:

"De stelling van de raadsvrouw dat het in het algemeen niet is toegestaan om na intrekking van een strafbeschikking een vordering wijziging tenlastelegging in te dienen vindt geen steun in het recht. De vereisten voor de behandeling van de zaak na verzet zijn neergelegd in artikel 257f, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof kon de vordering wijziging tenlastelegging worden toegestaan door de politierechter nu de grenzen van art. 68 van het Wetboek van Strafrecht niet zijn overschreden. Het late stadium waarin de wijziging tenlastelegging is gevorderd en het feit dat in eerste instantie andere informatie is verstrekt over de aanwezigheid van de camerabeelden doet aan dit oordeel niet af. Naar het oordeel van het Hof is er geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel of is doelbewust of met grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte te kort gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling."

Middel

Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie kon worden ontvangen in diens vordering tot wijziging tenlastelegging en dat deze wijziging toelaatbaar was, althans heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in de vervolging van verzoeker.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat een op de voet van art. 257f, derde lid, Sv in verbinding met art. 313 Sv voorgestelde wijziging tenlastelegging in een zaak waarin aanvankelijk een strafbeschikking is uitgevaardigd beperkt dient te blijven tot wijzigingen van ondergeschikte aard. Daartoe wordt gewezen op het bijzondere karakter van de strafbeschikking, het belang van een verdachte bij het betrachten van zorgvuldigheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie gedurende het strafbeschikkingstraject, het belang van een verdachte bij afdoening door middel van een strafbeschikking (mede gelet op de consequenties voor het strafblad) en het onthouden aan de verdachte van de mogelijkheid om de zaak met verbeterde kwalificatie buiten rechte af te doen.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof geeft - gelet op de wettelijke bepalingen en wetsgeschiedenis - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat een op de voet van art. 257f, derde lid, in verbinding met art. 313 Sv voorgestelde wijziging van de tenlastelegging in een zaak waarin aanvankelijk een strafbeschikking is uitgevaardigd beperkt dient te blijven tot wijzigingen van ondergeschikte dan wel redactionele aard, vindt geen steun in het recht, nu ook in dat verband immers bepalend is of de grenzen van art. 68 Sr in acht zijn genomen.

In zoverre faalt het middel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Geen strijd ne bis in idem bij ontzegging rijbevoegdheid & ongeldigverklaring rijbewijs

Hoge Raad 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3205 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 7 juli 2014 voor overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 950 en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk.

Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft ten aanzien van de op te leggen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Het hof ziet geen aanleiding, zoals door de raadsman is bepleit, aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen dan wel de eventuele straf en maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen. In afwijking van de vordering van de advocaat-generaal is met het door het hof opgelegde voorwaardelijke deel van de bijkomende straf in voldoende mate rekening gehouden met de belangen van de verdachte afgezet tegen de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit."

Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. D.J.P. van Omme, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

Derde middel

Het middel strekt ten betoge dat de door het Hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het aan art. 14, zevende lid, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en art. 68 Sr ten grondslag liggende ne bis in idem-beginsel.

Beoordeling Hoge Raad

Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de door het Hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het aan art. 14, zevende lid, IVBPR en art. 68 Sr ten grondslag liggende ne bis in idem-beginsel, aangezien (mede) naar aanleiding van het in de onderhavige zaak aan de verdachte tenlastegelegde feit diens rijbewijs op de voet van art. 134, tweede lid, WVW 1994 ongeldig is verklaard. Die opvatting is onjuist. Dat berust op het volgende.

De ongeldigverklaring van het rijbewijs is een bestuurlijke maatregel waartoe kan worden besloten ingeval de houder van het rijbewijs blijkens de uitslag van een daartoe op grond van art. 131 WVW 1994 ingesteld onderzoek niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Deze maatregel wordt dus niet – direct of indirect – opgelegd op grond van het plegen van een strafbaar feit, ook al kan de verdenking van zo een feit wel de aanleiding vormen voor voormeld onderzoek. Hetgeen is overwogen in HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, NJ 2015/256 omtrent de strafvervolging ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd, noopt niet tot een ander oordeel, omdat het in dat arrest – anders dan in het onderhavige geval – kort gezegd ging om de uitzonderlijke situatie waarin twee procedures over een identieke verweten gedraging hun directe oorsprong vonden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^