Beslag ex art. 94 Sv & ex art. 94a Sv

Hoge Raad 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2786 De Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 22 oktober 2014 het beklag van klager ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de teruggave aan klager gelast van een onder hem inbeslaggenomen personenauto, merk Audi A3.

Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

"(...) Het beklag richt zich tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a Sv. De rechtbank dient te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen en of bij het indienen van een klaagschrift door een derde zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de indiener als rechthebbende moet worden aangemerkt.

(...) In het onderhavige geval is sprake van strafvorderlijk beslag en heeft het Openbaar Ministerie met machtiging van de rechter-commissaris het beslag omgezet naar conservatoir beslag. Dat is gedaan nadat de rechtbank op 1 oktober 2014 het bezwaarschrift van klager tegen het uitblijven van een last tot teruggave van de op grond van artikel 94 Sv inbeslaggenomen auto gegrond verklaard had en de teruggave van de auto aan klager had gelast. Door de officier van justitie is geen cassatie ingesteld tegen die beslissing van de rechtbank. Evenmin is uitvoering gegeven aan de last van de rechtbank tot teruggave van de auto.

Artikel 94a Sv bepaalt, voor zover van belang, dat in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen in beslag genomen kunnen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete (eerste lid) dan wel een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (tweede lid).

Klager wordt verdacht van overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet. Handelen in strijd met een in art. 3 onder B, C of D gegeven verbod is een misdrijf waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van maximaal twee jaar of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd volgens artikel 11 lid 2 van de Opiumwet. Een geldboete van de vijfde categorie kan volgens artikel 11 lid 5 Opiumwet worden opgelegd indien het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid. Onder grote hoeveelheid moet volgens art. 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit worden verstaan 200 of meer hennepplanten. Eveneens kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd indien sprake is van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat daarvan in de onderhavige zaak sprake is en heeft daartoe verwezen naar het proces-verbaal. De rechtbank heeft eerst op 21 oktober 2014 de beschikking gekregen over dat proces-verbaal. Daaruit blijkt dat sprake was van 160 aangetroffen planten en van een verdenking van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf exploiteren van een hennepkwekerij. De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een grote hoeveelheid als bedoeld in art. 11 lid 5 Opiumwet zodat oplegging van een geldboete van de vijfde categorie op die grond niet aan de orde is. Wel kan uit het dossier een verdenking worden afgeleid voor het in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet, strafbaar gesteld in artikel 11 lid 3 Opiumwet. Dit impliceert dat de gedane omzetting van het beslag naar conservatoir beslag op die grond op zichzelf gerechtvaardigd is.

Nu die omzetting evenwel heeft plaatsgevonden nadat door de rechtbank op 1 oktober 2014 al een beschikking tot gegrondverklaring van een eerder op 5 augustus 2014 ingediend bezwaarschrift tegen het uitblijven van een last tot teruggave van diezelfde auto was gegeven, is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie gehandeld heeft in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde. Het is immers van tweeën een: ofwel de officier van justitie gaat in cassatie tegen de beschikking van de rechtbank en behoudt zich dus alle rechten voor, inbegrepen het recht om het beslag om te zetten naar conservatoir beslag, ofwel de officier van justitie volgt de beschikking van de rechtbank op en geeft de auto terug aan de beslagene.

In de onderhavige zaak heeft het Openbaar Ministerie beide niet gedaan: geen cassatieberoep ingesteld en evenmin de auto teruggegeven aan klager. In plaats daarvan is het beslag omgezet naar conservatoir beslag. Door aldus te handelen heeft het Openbaar Ministerie beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden en zijn de belangen van klager geschaad.

(...) Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bezwaarschrift gegrond verklaard moet worden en dat de auto teruggegeven moet worden aan klager."

Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. A.M. Hermelink, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank op onjuiste gronden heeft beslist tot gegrondverklaring van het beklag, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Op grond van art. 94 Sv zijn vatbaar voor inbeslagneming voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk voordeel als bedoeld in art. 36a Sr. aan te tonen, alsmede voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. Het beslag op grond van 94a Sv strekt tot bewaring van het recht tot verhaal van een op te leggen geldboete van de vijfde categorie of tot verhaal van een op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het verschil in doelstelling tussen de hiervoor genoemde beslagen brengt mee dat de omstandigheid dat bij niet-onherroepelijke beschikking van de Rechtbank de teruggave is gelast van een voorwerp dat op de voet van art. 94 Sv in beslag is genomen, niet eraan in de weg staat dat de Officier van Justitie met machtiging van de Rechter-Commissaris de handhaving van het beslag op dat voorwerp op de voet van art. 94a Sv bewerkstelligt. Daaruit volgt dat het oordeel van de Rechtbank dat de Officier van Justitie op de in de overwegingen van de Rechtbank uiteengezette gronden heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel klaagt daarover terecht.

De Rechtbank heeft blijkens haar overwegingen vastgesteld dat aan de vereisten voor een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a, eerste lid, Sv is voldaan en geoordeeld dat de handhaving van het beslag op de auto van de klager op de voet van art. 94a Sv gerechtvaardigd is. Gelet op de door en namens de klager aangevoerde gronden voor opheffing van het beslag en teruggave van de auto, dient dit ertoe te leiden dat het klaagschrift ongegrond wordt verklaard. De Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verklaart het klaagschrift ongegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs ‘hetzelfde feit’?

Hoge Raad 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2773 Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 29 oktober 2011 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Straatweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat motorrijtuig behoorde."

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 mei 2014 waaruit blijkt dat de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van 2 juli 2012 is veroordeeld ter zake van een op 29 oktober 2011 te Maarssen gepleegde overtreding van art. 8, vierde lid, WVW 1994 in verbinding met art. 8, derde lid aanhef en onder a, WVW 1994 (rijden onder invloed).

Het Hof heeft zijn oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte als volgt gemotiveerd:

"De raadsman voert aan dat er sprake is van een schending van het ne bis in idembeginsel. Het hof verwerpt dit verweer. De vervolging in 2012 betreft een alcoholfeit onder een bepaalde categorie. Dit is een ander feit dan het rijden zonder rijbewijs. Het betreft een ongelukkige gang van zaken dat de feiten door het Openbaar Ministerie uit elkaar zijn gehaald en afzonderlijk van elkaar zijn gedagvaard. Rijden zonder rijbewijs betreft een ander feit dan rijden onder invloed, ook indien een verdachte bij rijden onder invloed onder de categorie valt van rijden zonder rijbewijs zoals neergelegd in artikel 8 lid 4 Wegenverkeerswet 1994."

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging omdat geen sprake is van 'hetzelfde feit' als bedoeld in art. 68 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 8, vierde lid, WVW 1994 houdt - kort gezegd - in het verbod om zonder rijbewijs een voertuig te besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, waarbij voor die limiet aansluiting is gezocht bij de regeling voor beginnende bestuurders.

Art. 107 WVW 1994 houdt - kort gezegd - in een verbod om een voertuig te besturen zonder rijbewijs.

Art. 8 en art. 107 WVW 1994 verschillen in zoverre van strekking dat art. 8 WVW 1994 strekt tot bescherming van de verkeersveiligheid, terwijl in art. 107 WVW 1994 het rechtsgoed van de bescherming van het openbaar gezag vooropstaat. Daarnaast geldt dat de gedragingen waarop deze bepalingen zien, in belangrijke mate van elkaar verschillen. Naar de kern bezien gaat het in art. 8 WVW 1994 om het rijden onder invloed van daar genoemde stoffen, en in art. 107 WVW 1994 om het rijden zonder rijbewijs.

Gelet op een en ander geeft het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, omdat geen sprake is van 'hetzelfde feit' als bedoeld in art. 68 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep, want ingesteld door brief aan OM. HR casseert: OM moet doorzenden.

Hoge Raad 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2750 De Kantonrechter in de Rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 21 oktober 2013 de verdachte ter zake van "overtreding van het bepaalde in artikel 21 sub a RVV 1990 (cat 1)" veroordeeld tot een geldboete van € 940,-, subsidiair 18 dagen hechtenis, en heeft hem tevens de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden ontzegd.

Blijkens de daarvan opgemaakte akte is namens de verdachte op 16 december 2013 hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een brief van de verdachte van 22 oktober 2013, gericht aan het Openbaar Ministerie te Den Haag. Blijkens een daarop geplaatst stempel is deze brief op 31 oktober 2013 bij het Openbaar Ministerie Noord-Holland ingekomen. De brief houdt onder meer het volgende in:

"Betreft; Vergeten zitting 21-10-2013 te Alkmaar.

(...)

Geachte heer/mevrouw,

Op 21 Oktober jongsleden had ik moeten verschijnen op een zitting omtrent een snelheidsovertreding in de rechtbank in Alkmaar. Helaas was ik dit vergeten en kwam ik hier pas achter rond 13:00 terwijl de zitting al om 11:45 zou beginnen. Hierna heb ik gelijk contact opgenomen met het 'OM'. De medewerker die ik heb gesproken adviseerde mij een schrijven te sturen met eventuele uitleg.

(...)

Verder hoop ik dat u alsnog de zaak kunt herzien en zal ik hierbij wel aanwezig zijn. Als het niet meer mogelijk is hoop ik dat ik niet mijn rijbewijs voor een bepaalde tijd kwijt ben.

Graag verneem ik graag wat de vervolgstappen worden. Afwachtend van uw antwoord verblijf ik."

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter ingestelde hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep, nu de verdachte, blijkens een door hem verstuurde brief van 22 oktober 2013 aan het openbaar ministerie, op de hoogte was van de dag van de terechtzitting bij de kantonrechter, te weten op 21 oktober 2013. Nu hij pas op 16 december 2013 hoger beroep heeft ingesteld is dit niet binnen de wettelijke termijn.

De raadsman van de verdachte heeft - kort samengevat -aangevoerd dat formeel de termijn voor het instellen van het hoger beroep was verstreken, maar dat materieel bezien de verdachte het hoger beroep binnen de termijn heeft ingesteld. Hij wist niet dat hij kon bellen en had geen hoger beroep ingesteld als de straf niet zo hoog was geweest.

Uit de inhoud van de brief van de verdachte gericht aan het openbaar ministerie van 22 oktober 2013 leidt het hof af dat de verdachte op de hoogte was van de dag van de terechtzitting bij de kantonrechter te weten 21 oktober 2013. Onder deze omstandigheden had hij op grond van het bepaalde in artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering binnen 14 dagen na de uitspraak van de kantonrechter hoger beroep dienen in te stellen. Nu hij dit niet heeft gedaan is het door hem ingestelde hoger beroep niet tijdig ingediend.

Het hof heeft voorts geconstateerd dat aan de dagvaarding een informatieblad is gehecht met betrekking tot onder meer het instellen van hoger beroep en de daartoe te ondernemen stappen.

Naar het oordeel van het hof kan, mede gelet op het voorgaande, in hetgeen door/namens de verdachte is aangevoerd geen grond worden gevonden de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

De verdachte moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

Middel

Het middel keert zich tegen 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

De inhoud van de brief van de verdachte, welke brief kennelijk was bestemd voor die justitiële instantie alwaar aanwending van rechtsmiddelen dient te geschieden, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uiting van verdachtes wens dat tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter het rechtsmiddel zou worden aangewend dat volgens de wet daartegen openstond, te weten: hoger beroep.

De omstandigheid dat in weerwil daarvan niet blijkt dat het Openbaar Ministerie Noord-Holland de - aldaar tijdig ingekomen en als een bijzondere volmacht in de zin van art. 450, eerste lid onder b, Sv op te vatten - brief naar de griffie van de Rechtbank Noord-Holland heeft doorgezonden en het opmaken van een appelakte in vervolg op deze brief van de verdachte achterwege is gebleven, mag niet strekken ten nadele van de verdachte.

Daaraan doet niet af hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent hetgeen in het aan de inleidende dagvaarding gehechte "informatieblad" is opgenomen met betrekking tot "het instellen van hoger beroep en de daartoe te ondernemen stappen".

Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof de verdachte op ontoereikende gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

Het middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Onderzoek tachograafschrijf door technische recherche: deskundigenonderzoek als bedoeld in art. 150 Sv waarop art. 51i en art. 51 lid 2k Sv van toepassing zijn?

Hoge Raad 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2774 Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 17 juni 2014 de verdachte vrijgesproken van de hem onder 2 tenlastegelegde brandstichting van een personenauto, en ter zake van de feiten 1, 3 en 4, die telkens opleveren, opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

Namens de verdachte heeft mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel valt uiteen in vier onderdelen:

  1. het hof heeft verbalisant 1 ten onrechte als deskundige aangemerkt als bedoeld in de art. 51k en 343 Sv, omdat het door hem verrichte tachograaf-schijfonderzoek moet worden verricht door een deskundige in de zin van art. 51k Sv aangezien het niet kan worden beschouwd als een “technisch onderzoek”, terwijl verbalisant 1 niet is opgenomen in het landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen dat wordt beheerd door de NRGD;
  2. het door de deskundige verbalisant 1 gedane onderzoek moet (dus) worden gelijkgesteld met een onderzoek dat is verricht door een verbalisant die naar eigen zeggen deskundig is ten aanzien van voetzolen;
  3. het hof heeft de afwijzing van het verzoek tot toevoeging aan het dossier van de gegevens van de tachograafschijf onvoldoende met redenen omkleed; en tot slot
  4. heeft het hof ten onrechte niet, althans onvoldoende gemotiveerd gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het signalement van de verdachte niet overeenkomt met het signalement van de perso(o)n(en) die door getuigen zéér kort voor de brandstichting in de zaak “Hazeldonk” zijn waargenomen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

De eerste klacht heeft zoals gezegd betrekking op het onderzoek van de tachograafschrijf dat is verricht door verbalisant 1. De in het middel aangevoerde bezwaren komen erop neer dat verbalisant 1 een ‘deskundigenonderzoek’ heeft uitgevoerd en geen ‘technisch onderzoek’ aangezien een onderzoek van de tachograafschijf niet als een ‘technisch onderzoek’ kan worden aangemerkt. En omdat verbalisant 1 een deskundigenonderzoek heeft uitgevoerd, moet het hof hem dus wel hebben aangemerkt als deskundige zoals bedoeld in art. 51i Sv. Dat zou het hof dan ten onrechte hebben gedaan. Als verbalisant 1 als deskundige zou zijn aangewezen dan had het hof dit namelijk op grond van het bepaalde in art. 51k, tweede lid, Sv moeten motiveren omdat verbalisant 1 niet als deskundige is opgenomen in het landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen zoals bedoeld in art. 51k, eerste lid, Sv, aldus de steller van het middel.

Onder de opsomming van bewijsmiddelen in het bestreden arrest heeft het hof tweemaal geciteerd uit een proces-verbaal van tachograaf- en dataonderzoek dat is opgemaakt door de hier bedoelde inspecteur van de landelijke eenheid verbalisant 1 en verbalisant 2. In zijn nadere bewijsoverwegingen verwijst het hof tevens naar de verklaring die verbalisant 1 heeft afgelegd bij gelegenheid van zijn verhoor ter terechtzitting als deskundige.

De hiertegen gerichte eerste klacht faalt om verscheidene redenen, die ik niet eens allemaal zal bespreken. Het komt er in essentie op neer dat de klacht feitelijke grondslag mist. Er is weinig twijfel over dat het proces-verbaal van tachograaf- en dataonderzoek van 3 mei 2011, opgemaakt door verbalisant 1 en verbalisant 2, het resultaat is van ‘technisch opsporingsonderzoek’. Ik zal die opvatting toelichten.

Uit de parlementaire voorbereiding van de Wet deskundige in strafzaken (hierna: de Wet) kan worden opgemaakt dat ‘technisch opsporingsonderzoek’ niet wordt aangemerkt als deskundigenonderzoek (als bedoeld in art. 150 Sv) waarop de regeling van de benoeming van een deskundige (art. 51i Sv e.v.) van toepassing is. Kwesties rond ‘technisch onderzoek’ zijn voor de praktijk vastgelegd in de Aanwijzing technisch onderzoek/deskundigenonderzoek. Eerst geef ik twee onderdelen weer uit de parlementaire voorbereiding van de Wet, en vervolgens een onderdeel van de genoemde aanwijzing.

Met betrekking tot het onderscheid tussen ‘technisch opsporingsonderzoek’ en ‘deskundigenonderzoek’, houdt de memorie van toelichting het volgende in:

“Het werk van de Technische Recherche is sterk specialistisch van aard. Volgens de huidige praktijk wordt dergelijk onderzoek evenwel niet aangemerkt als deskundigenonderzoek. Als regel kan ervan worden uitgegaan dat technisch onderzoek binnen de eigen politieorganisatie wordt uitgevoerd. Zodra daarbij de hulp moet worden ingeroepen van externe derden, zoals TNO of het Nederlands Instituut voor de Brandweer rijst de vraag of deze niet als deskundigen moeten worden aangemerkt. In die gevallen zou de opdracht daartoe door de officier van justitie of op diens vordering door de rechter-commissaris moeten verleend. Voor de verdediging komen dan ook mogelijkheden om de omvang of richting van het deskundigenonderzoek te beïnvloeden ter beschikking. Ik zal aan het College van procureurs-generaal vragen om een aanwijzing op te stellen waarin ten behoeve van de politie wordt verduidelijkt wat doorgaans als technisch onderzoek wordt aangemerkt. Daarin kan voorts worden bepaald dat bepaalde soorten technisch onderzoek slechts door de officier van justitie kunnen worden bevolen of gevorderd.”

Met betrekking tot datzelfde onderscheid houdt de nota naar aanleiding van het verslag het volgende in:

“De leden van de CDA-fractie willen weten hoe het nu precies zit met de deskundigen op het terrein van het technische onderzoek. Ik heb eerder uiteengezet dat een strikte scheiding tussen (technisch) deskundigenonderzoek en specialistische opsporing niet in alle opzichten te maken is. Het College van procureurs-generaal heeft mij vooruitlopend op de aanwijzing die ik heb verzocht, reeds het volgende laten weten. Uitgangspunt is dat de politie zelf vaak reeds over zeer veel specialistische kennis bij de opsporing beschikt, die voor een deel is geconcentreerd bij het Korps Landelijke Politiediensten, zoals bij voorbeeld kennis omtrent vuurwapens, explosieven en synthetische drugs. Ook het NFI verricht op verzoek van de politie onderzoek direct ten behoeve van de opsporing, zonder dat daarbij sprake is van deskundigenonderzoek in de strikte zin van de onderhavige wettelijke regeling. Zo verleent het NFI bijstand aan forensische opsporing op de plaats van het delict, waarbij het veelal gaat om onderzoek naar sporen, vezels e.d.

Resultaten van specialistisch onderzoek dat wordt verricht ten behoeve van de opsporing in een concrete strafzaak worden gerelateerd in een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar of een relaas van bevindingen dat onderdeel uitmaakt van het strafdossier.

Dat er sprake is van specialistisch opsporingsonderzoek betekent niet dat er geen tegenonderzoek door een deskundige kan worden verricht.”

Zoals in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag werd aangekondigd, is een Aanwijzing technisch onderzoek/deskundigenonderzoek tot stand gekomen die op 1 januari 2010 in werking is getreden. Met betrekking tot het onderscheid tussen ‘technisch opsporingsonderzoek’ en ‘deskundigenonderzoek’, houdt deze aanwijzing het volgende in:

“In deze aanwijzing wordt verduidelijkt welk onderzoek als technisch opsporingsonderzoek heeft te gelden en daarom niet wordt aangemerkt als deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 150 Sv. De wetgever heeft niet voor ogen gehad onderzoeken die doorgaans door de technische recherche of specialistische functionarissen van andere opsporingsinstanties worden verricht, aan te merken als deskundigenonderzoek in de zin van de wet. Om die reden is dan ook aansluiting gezocht bij de specialismen die binnen de technische recherche beschikbaar zijn voor het maken van het onderscheid tussen technisch opsporingsonderzoek enerzijds en deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 150 Sv.”

Het door verbalisant 1 verrichte onderzoek van de tachograaf heeft het hof klaarblijkelijk aangemerkt als ‘technisch opsporingsonderzoek’. Daarop is de Wet deskundige in strafzaken niet van toepassing. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is geenszins onbegrijpelijk.

Een en ander staat er niet aan in de weg dat verbalisant 1 vervolgens door het hof omtrent het door hem verrichte onderzoek aan de tachograafschijf op de voet van art. 299 Sv ter terechtzitting als deskundige is gehoord. Het is immers aan de feitenrechter om te beoordelen of een individu op het relevante terrein deskundig moet worden geacht. Het verhoor van verbalisant 1 als deskundige ter terechtzitting kan zoals gezegd niet worden gelijkgesteld met zijn benoeming als deskundige als bedoeld in art. 51i Sv, zodat het motiveringsvoorschrift van art. 51k, tweede lid, Sv hierop niet van toepassing is. De benoeming van verbalisant 1 als deskundige heeft niet plaatsgehad, en dat was - zoals hierboven reeds door mij betoogd - ook niet nodig.

De eerste klacht faalt.

De tweede klacht, te weten dat het door de getuige-deskundige verbalisant 1 gedane onderzoek moet worden gelijkgesteld met een onderzoek verricht door een verbalisant die naar eigen zeggen deskundig is ten aanzien van voetzolen, is niet nader onderbouwd en komt daarom niet voor bespreking in aanmerking. Overigens vermag ik niet in te zien welke relevantie deze klacht heeft.

Met betrekking tot de derde klacht, namelijk dat het hof de afwijzing van het verzoek tot toevoeging aan het dossier van de gegevens van de tachograafschijf onvoldoende met redenen heeft omkleed, merk ik het volgende op.

Ter terechtzitting van het hof van 20 mei 2014, heeft de raadsman van de verdachte verzocht “de volledige digitale gegevens van de tachograaf aan het dossier toe te voegen teneinde de verdediging in staat te stellen om de bevindingen van verbalisant 1 en verbalisant 2 te toetsen.” Het hof heeft het verzoek afgewezen en daartoe in zijn arrest als volgt overwogen:

“Het hof ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen teneinde de digitale opslag van de gegevens van de tachograafschijf aan het dossier toe te voegen, zoals door de verdediging in voorwaardelijke zin is verzocht. Het hof overweegt daartoe dat het onderzoek aan de hand van de gegevens van de tachograafschijf is uitgevoerd door verbalisant 1 en geschaduwd door verbalisant 2. Ter terechtzitting van het hof is verbalisant 1 als deskundige gehoord en is de verdediging in de gelegenheid gesteld om verbalisant 1 te bevragen over de methode van het onderzoek en de resultaten van het onderzoek te toetsen. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, de noodzaak om daarnaast de digitale opslag van de gegevens van de tachograaf aan het dossier toe te voegen niet is gebleken. Het hof wijst dit verzoek dan ook af.”

Bij de beoordeling van het ter terechtzitting gedane verzoek heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd (noodzaakcriterium). Onbegrijpelijk acht ik het oordeel niet, gelet op de mogelijkheid die de raadsman ter terechtzitting heeft gehad om de deskundige te ondervragen. De raadsman heeft daarvan blijkens het proces-verbaal gebruik gemaakt, zoals is weergeven op de ruim vijftien pagina’s waarmee in het proces-verbaal van de terechtzitting verslag is gedaan van het verhoor van Ter terechtzitting van het hof van 20 mei 2014, heeft de raadsman aangevoerd dat getuigen een signalement hebben gegeven van een man die in de buurt van de parkeerplaats is gezien waar even later bleek dat brand was gesticht in een vrachtwagen terwijl die man niet de verdachte kan zijn. In de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie, die aan het proces-verbaal is gehecht en daarvan deel uitmaakt, is hierover het volgende opgemerkt:

“Los van het feit dat blijkens de tachograaf gegevens cliënt in de buurt van deze parking heeft stilgestaan, is er een zeer groot aantal getuigen die wijzen op een mogelijke verdachte waar we van kunnen vaststellen dat dit in ieder geval cliënt niet kan zijn. Zo spreekt men over een man met een wit t-shirt en bril … rond de 50 jaar met grijs haar. Maar ook wordt een man met kort zwart haar genoemd die tussen de trailers zou hebben gestaan. Slechts enkele minuten later is de brand waargenomen.”

Het hof heeft op dit specifieke punt niet gereageerd. Het hof heeft in zijn arrest wel overwogen dat en waarom het de verdachte was die naar zijn oordeel brand heeft gesticht in de vrachtwagen die stond op de door de raadsman bedoelde parkeerplaats. De motiveringsplicht die de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt meebrengt, dicteert niet dat het hof moet reageren op ieder detail van de onderbouwing van het standpunt. De kern van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is in dit geval dat de verdachte de brand niet heeft gesticht en dat standpunt heeft het hof in zijn arrest gemotiveerd - en weloverwogen - weerlegd. Hierbij merk ik op dat het feit dat er andere mensen worden gezien op een parkeerplaats voor vrachtwagens mij niet bevreemdt nu het volgens de bewijsvoering etenstijd was en druk op de parkeerplaats.

De klacht faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad biedt duidelijkheid over overgangsrecht t.a.v. versnelde beklagprocedure tegen inbeslagneming stukken bij beroep op verschoningsrecht

Hoge Raad 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2636 Het onderhavige cassatieberoep heeft betrekking op zogenaamde geheimhouderstukken die onder betrokkene 1, een cliënt van klaagster, inbeslaggenomen zijn. Het betreft derhalve een beroep door “een persoon met bevoegdheid tot verschoning (als bedoeld in artikel 218)” waarvoor sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2015 van de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit nieuwe procedureregels gelden (versnelling van de beklagprocedure). In deze nieuwe wet zijn geen bepalingen van overgangsrecht terug te vinden. De Hoge Raad biedt in deze uitspraak duidelijkheid over het overgangsrecht.

Juridisch kader / overgangsrecht 

Met de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit, zijn de art. 98, 552a en 552d Sv gewijzigd.

De Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit bevat geen bepalingen inzake het overgangsrecht. Wat het beroep in cassatie betreft moet, mede gelet hierop, worden aangenomen dat art. 552d, derde lid, Sv zich leent voor toepassing op ten tijde van de inwerkingtreding van deze bepaling bij de Hoge Raad aanhangige strafzaken waarin een verschoningsgerechtigde zich beklaagt over inbeslagneming.

In aanmerking genomen dat uit art. 447, vierde lid, Sv volgt dat de termijn waarbinnen een schriftuur houdende middelen van cassatie moet worden ingediend, aanvangt nadat de aanzegging als bedoeld in het derde lid van art. 447 Sv aan de klager is betekend, kan art. 552d, derde lid, Sv enkel van toepassing zijn op de bij de Hoge Raad aanhangige zaken waarin de aanzegging op of na 1 maart 2015 aan de klager is betekend.

Opmerking verdient in dit verband het volgende. De tweede volzin van art. 447, derde lid, Sv bepaalt dat in de aanzegging als bedoeld in de eerste volzin van deze bepaling wordt gewezen op - kort gezegd - de termijn voor het (doen) indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie. In het geval dat de aanzegging die op of na 1 maart 2015 aan de klager is betekend, inhoudt dat - kort gezegd - op grond van art. 447, vierde lid, Sv een schriftuur houdende middelen van cassatie binnen dertig dagen moet zijn ingediend - en dus (nog) geen toepassing is gegeven aan art. 552d, derde lid tweede volzin, Sv -, dient te worden geoordeeld dat voor de klager de overschrijding van de termijn van veertien dagen verschoonbaar is, nu hij aan de aanzegging het gerechtvaardigde vertrouwen mag ontlenen dat de termijn waarbinnen hij een schriftuur moet (doen) indienen die in de aanzegging vermelde termijn betreft.

Onderhavige zaak

Het klaagschrift van klaagster strekt tot teruggave van onder haar cliënt betrokkene 1 inbeslaggenomen bescheiden, die afkomstig zijn van klaagster en die kunnen worden aangemerkt als zogenoemde geheimhouderstukken. Hiertoe is aangevoerd dat deze documenten vallen onder het vertrouwelijke verkeer tussen klaagster en betrokkene 1 en dat deze stukken geen voorwerp van een strafbaar feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

Tijdens de raadkamerzitting van 29 augustus 2014 is door de raadsman van klaagster, voor zover relevant, het volgende aangevoerd:

“Klaagster is van oordeel dat zij niet meer heeft gedaan dan het ten behoeve en in opdracht van een cliënt verrichten van werkzaamheden die passen bij en vallen binnen de taak- en beroepsuitoefening van een advocaat. Het enkele feit dat betrokkene 1 als verdachte is aangemerkt maakt nog niet dat het op zich zelf staande verschoningsrecht van klaagster doorbroken mag worden. (…)

Ik betwist de door de Officier van Justitie gestelde zelfstandige betekenis van de facturen van klaagster. Ten aanzien van deze facturen kan hooguit gesteld worden dat deze mogelijk als bewijs kunnen dienen van de feiten waarvan betrokkene 1 wordt verdacht, maar dat is op zich genomen niet genoeg om het verschoningsrecht (van klaagster) te doorbreken. (…)

De inbeslaggenomen facturen en creditfacturen en mailcorrespondentie vallen onder het vertrouwelijk verkeer tussen klaagster en betrokkene 1, en daarmee dus onder het verschoningsrecht. Deze stukken maken geen deel uit van het strafbare feit, noch hebben deze tot het begaan daarvan gediend. Ten aanzien van deze stukken kan hooguit gesteld worden dat deze mogelijk als bewijs kunnen dienen van de feiten waarvan betrokkene 1 wordt verdacht, maar dat is niet genoeg om het verschoningsrecht te doorbreken. Zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het verschoningsrecht moet worden doorbroken liggen voor het overige niet voor.”

De Rechtbank heeft daarentegen, voor zover relevant, overwogen en beslist als volgt:

“Het onderzoek ‘Honingwesp’ betreft een strafrechtelijk onderzoek terzake verdenking van valsheid in geschriften, met als verdachte betrokkene 1. In het kader van dit onderzoek zijn onder betrokkene 1 geheimhoudersstukken in beslag genomen.

Er ligt een concrete verdenking van valsheid in geschriften tegen betrokkene 1, cliënt van klager. Ten behoeve van de waarheidsvinding is het noodzakelijk dat ook de onderhavige stukken in het onderzoek worden betrokken. Dat onderzoek is nog niet afgerond. Gelet op de feiten en omstandigheden en de wijze waarop artikel 98 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering moet worden uitgelegd, maken de geschriften naar het oordeel van de rechtbank voorwerp van het strafbare feit uit of hebben tot het begaan daarvan gediend. De rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek ook zonder de inbeslaggenomen stukken met louter andere middelen zou kunnen worden gedaan. Gelet op het voorgaande en het feit dat mr. Struik ter zitting heeft verklaard dat de inbeslaggenomen stukken aan betrokkene 1 toebehoren, moet het beklag ongegrond worden verklaard.”

Beoordeling middel

Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank bij haar beslissing een onjuiste maatstaf heeft toegepast dan wel de beslissing onvoldoende met redenen heeft omkleed.

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.2 en 6.3 is het middel terecht voorgesteld.

Conclusie AG

6.2 Op 21 april 2015 vond een nagenoeg gelijke overweging in zaken die eveneens afkomstig waren van de Rechtbank Oost-Brabant - geen genade in de ogen van de Hoge Raad:

“2.3. Ingevolge art. 98 (oud) Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. (Vgl. HR 22 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0422, NJ 1992/315.)

2.4. Het oordeel van de Rechtbank dat "gelet op de feiten en omstandigheden en de wijze waarop artikel 98 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering moet worden uitgelegd" de inbeslaggenomen geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend is, mede beschouwd in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld en van hetgeen door de Rechtbank omtrent die feiten en omstandigheden is vastgesteld, alsmede gelet op hetgeen in dit verband bij de behandeling in raadkamer namens de klager is aangevoerd, ontoereikend gemotiveerd. Voor zover de Rechtbank in haar hiervoor weergegeven overwegingen als haar oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt, moet prevaleren boven het verschoningsrecht van de advocaat (vgl. HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439) is dat oordeel eveneens ontoereikend gemotiveerd.”

6.3. Ook in de onderhavige zaak is uitdrukkelijk betwist dat de in beslag genomen geheimhouderstukken onderdeel uitmaken van het strafbare feit waarvan betrokkene 1 wordt verdacht of tot het begaan daarvan hebben gediend, maar ook nu heeft de Rechtbank haar andersluidende oordeel van geen enkele motivering voorzien, terwijl zij bovendien niets heeft vastgesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die zouden maken dat het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht van klaagster. Dit brengt mee dat het middel terecht is voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^