Rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs ‘hetzelfde feit’?

Hoge Raad 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2773 Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 29 oktober 2011 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Straatweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat motorrijtuig behoorde."

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 mei 2014 waaruit blijkt dat de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van 2 juli 2012 is veroordeeld ter zake van een op 29 oktober 2011 te Maarssen gepleegde overtreding van art. 8, vierde lid, WVW 1994 in verbinding met art. 8, derde lid aanhef en onder a, WVW 1994 (rijden onder invloed).

Het Hof heeft zijn oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte als volgt gemotiveerd:

"De raadsman voert aan dat er sprake is van een schending van het ne bis in idembeginsel. Het hof verwerpt dit verweer. De vervolging in 2012 betreft een alcoholfeit onder een bepaalde categorie. Dit is een ander feit dan het rijden zonder rijbewijs. Het betreft een ongelukkige gang van zaken dat de feiten door het Openbaar Ministerie uit elkaar zijn gehaald en afzonderlijk van elkaar zijn gedagvaard. Rijden zonder rijbewijs betreft een ander feit dan rijden onder invloed, ook indien een verdachte bij rijden onder invloed onder de categorie valt van rijden zonder rijbewijs zoals neergelegd in artikel 8 lid 4 Wegenverkeerswet 1994."

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging omdat geen sprake is van 'hetzelfde feit' als bedoeld in art. 68 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 8, vierde lid, WVW 1994 houdt - kort gezegd - in het verbod om zonder rijbewijs een voertuig te besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, waarbij voor die limiet aansluiting is gezocht bij de regeling voor beginnende bestuurders.

Art. 107 WVW 1994 houdt - kort gezegd - in een verbod om een voertuig te besturen zonder rijbewijs.

Art. 8 en art. 107 WVW 1994 verschillen in zoverre van strekking dat art. 8 WVW 1994 strekt tot bescherming van de verkeersveiligheid, terwijl in art. 107 WVW 1994 het rechtsgoed van de bescherming van het openbaar gezag vooropstaat. Daarnaast geldt dat de gedragingen waarop deze bepalingen zien, in belangrijke mate van elkaar verschillen. Naar de kern bezien gaat het in art. 8 WVW 1994 om het rijden onder invloed van daar genoemde stoffen, en in art. 107 WVW 1994 om het rijden zonder rijbewijs.

Gelet op een en ander geeft het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, omdat geen sprake is van 'hetzelfde feit' als bedoeld in art. 68 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF