Cassatie in het belang der wet. Verhouding tussen zittingsrechter en RC.

Hoge Raad 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:505

Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, Locatie Alkmaar van 19 augustus 2013 waarbij de Rechtbank bezwaarde ontvankelijk verklaarde in zijn bezwaar ex artikel 182 lid 6 Sv en het bezwaarschrift vervolgens ongegrond verklaarde.

Tegen de beschikking staat ingevolge art. 445 Sv geen gewoon beroep in cassatie open (HR 10 oktober 1978, NJ 1979, 156). Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk (art. 78 RO in verband met art. 456 Sv). De Procureur-Generaal J.W. Fokkens heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld.

Achtergrond cassatie in het belang der wet

De reden om deze vordering in te stellen is dat er in de praktijk na de op 1 januari 2013 ingevoerde Wet versterking positie rechter-commissaris diverse onduidelijkheden bestaan over de taken en bevoegdheden van de rechter-commissaris in geval deze zijn onderzoek ex de artikelen 181 e.v. Sv nog niet heeft voltooid op het moment waarop de officier van justitie te kennen heeft gegeven tot dagvaarding over te willen gaan (art. 238 lid 2 Sv) en in geval van verwijzing ex. art. 316 Sv door de zittingsrechter. Met name bleek onzekerheid te bestaan over de vraag of na verwijzing door de zittingsrechter op de voet van art. 316 lid 1 Sv na een zogenaamde regiezitting voor de verdachte bezwaar openstaat tegen een afwijzende beslissing van de rechter-commissaris op een verzoek van de verdachte om bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Deze vordering heeft in het bijzonder betrekking op die vraag, maar ik wil de Hoge Raad verzoeken deze te beantwoorden in de bredere context van het onderzoek door de rechter-commissaris nadat de dagvaarding is uitgebracht.

Modernisering WbSv

Opmerking verdient dat het voornemen bestaat in het kader van de door de Minister van Veiligheid en Justitie geïnitieerde Fundamentele herziening /Modernisering van het Wetboek van strafvordering ook de verhouding vooronderzoek - eindonderzoek te herzien en daarbij in het bijzonder de regeling rond de zogenoemde pro forma zitting. De planning van dit project is nu volgens de desbetreffende site van de Rijksoverheid dat de wetsvoorstellen begin 2017 naar de Raad van State zullen zijn gezonden. Dat betekent dat inwerkingtreding van deze voorstellen pas over een aantal jaren te verwachten is en dat er geen reden is van een vordering over deze kwestie af te zien omdat het onderwerp ook de aandacht van de wetgever heeft.

Inhoud van de bestreden beschikking, vraagstelling & wettelijk kader

Het gaat in dit geding om het volgende. In de zaak die heeft geleid tot de bestreden beschikking heeft de Rechtbank de zaak op de terechtzitting van 10 juni 2013 verwezen naar de Rechter-Commissaris "teneinde lopende onderzoeken af te ronden en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris overigens in overleg met de officier van justitie en de raadsvrouw wenselijk of noodzakelijk acht." De verdediging heeft bij de Rechter-Commissaris diverse verzoeken ingediend om onderzoekshandelingen te verrichten. Bij beschikking van 1 augustus 2013 heeft de Rechter-Commissaris deze verzoeken gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Tegen de afwijzing heeft de raadsvrouwe namens de verdachte op 7 augustus 2013 een bezwaarschrift ingediend. De Rechtbank heeft de verdachte bij beschikking van 19 augustus 2013 in zijn bezwaarschrift ontvankelijk verklaard.

De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De rechtbank overweegt ambtshalve dat bezwaarde in zijn bezwaarschrift kan worden ontvangen op grond van de volgende overwegingen.

Ter openbare terechtzitting van 10 juni 2013 heeft de rechtbank de zaak - open - verwezen naar de rechter-commissaris teneinde lopende onderzoeken af te ronden en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris overigens in overleg met de officier van justitie en de raadsvrouw wenselijk of noodzakelijk acht. De rechtbank heeft daarmee aangegeven dat de rechter-commissaris beslissingsbevoegdheid toekomt om binnen de wettelijke en de door de rechtbank vermelde (in casu geen bijzondere) grenzen bepaalde onderzoeken uit te voeren, zulks ter beoordeling door de rechter-commissaris. Voor zover de rechter-commissaris in dat kader bepaalde beslissingen neemt waarmee de verdediging zich niet kan verenigen, komt de vraag aan de orde of daartegen een rechtsmiddel bij de raadkamer van de rechtbank openstaat of dat de beslissing bij de verwijzende zittingsrechter dient te blijven.

De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat bezwaarde tegen deze tussentijdse beslissing van de rechter-commissaris een bezwaarschrift kan indienen bij (de raadkamer van) de rechtbank. Het enkele feit dat in artikel 316, lid 3 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de eerste afdeling van de Derde Titel van dit wetboek niet is vermeld, maakt dat niet anders. In bedoelde afdeling is aan de verdachte het recht toegekend een bezwaarschrift in te dienen bij de rechtbank indien de rechter-commissaris weigert de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten (artikelen 182, lid 6 en 183, lid 3 Sv). Laatstgenoemde artikelen hebben betrekking op het vóóronderzoek (voorheen gerechtelijk vooronderzoek) als er van (een voornemen tot) dagvaarden, laat staan een zittingsrechter, nog geen sprake is. In die zin is het begrijpelijk dat de eerste afdeling van de Derde Titel niet in artikel 316, lid 3, Sv is opgenomen: van vooronderzoek in evenbedoelde zin kan immers in de situatie van artikel 316 Sv geen sprake meer zijn. Het wegvallen van de bij dit wetboek bepaalde mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen staat in het onderhavige geval echter niet in de weg aan de ontvankelijkheid van bezwaarde in zijn bezwaarschrift.

In de thans aan de orde zijnde zaak, waarin een open verwijzing naar de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, heeft de zittingsrechter aan de rechter-commissaris opdracht gegeven om nader vooronderzoek te verrichten dat feitelijk nauwelijks verschilt van een vooronderzoek vóór dagvaarding, mede gelet op de toepasselijkverklaring van tal van bepalingen betreffende de uitvoering van het vooronderzoek in artikel 316 Sv. Als onder deze omstandigheden door de zittingsrechter de voortzetting van het vooronderzoek (weer) aan de rechter-commissaris wordt overgelaten, staat een redelijke wetstoepassing er niet aan in de weg dat de verdediging de bevoegdheid wordt gegeven om een bezwaarschrift in te dienen tegen bepaalde beslissingen van de rechter-commissaris op gelijke wijze als bij het vooronderzoek vóór dagvaarding. Het tegendeel komt de rechtbank onredelijk voor ten opzichte van de verdediging. Op de voet van de artikelen 445 en 446 Sv zou de verdediging bijvoorbeeld na een regiezitting, waarin vorderingen respectievelijk verzoeken van de officier van justitie en de verdediging aan de orde kunnen komen, géén beroep tegen beschikkingen van de rechter-commissaris bij de rechtbank kunnen instellen (artikel 445 Sv) en de officier van justitie wèl (artikel 446 Sv). Dit klemt te meer nu artikel 185 Sv (over de regiezitting) zowel van toepassing is op de situatie vóór als ná dagvaarding. Een en ander nog los van de onpraktische gevolgen waarbij in het bijzonder valt te denken aan vertraging van het strafproces, onder meer bestaande uit extra regiezittingen, welk gevolg de wetgever nu juist door de nieuwe wetgeving wil voorkomen. De in de wet verankerde afbakening van de regiefunctie tussen de zittingsrechter en de rechter-commissaris blijft bij dit alles overigens altijd en geheel in handen van de uiteindelijk verantwoordelijke zittingsrechter. Deze immers bepaalt of en op welke wijze zaken naar de rechter-commissaris worden verwezen. Dat kan open gebeuren, zoals in het onderhavige geval, of beperkt, in welk geval bezwaarschriften tegen beslissingen van de rechter-commissaris minder voor de hand liggen.

Gelet op al het voorgaande en gelet op het feit dat het bezwaarschrift binnen veertien dagen na het nemen van de afwijzende beschikking van de rechter-commissaris is ingediend, is bezwaarde ontvankelijk in zijn bezwaarschrift."

Voor de beoordeling van de vordering zijn de volgende wettelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van belang:

  • art. 181 Sv
  • art. 182 Sv
  • art. 183 Sv
  • art. 185 Sv
  • art. 237 Sv
  • art. 238 Sv
  • art. 316 Sv
  • art. 446, eerste lid, Sv

De Procureur-Generaal heeft in zijn vordering gewezen op de volgende drie vragen die in het bijzonder beantwoording zouden behoeven.

  1. In hoeverre is de rechter-commissaris nog bevoegd onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op vorderingen of verzoeken om nader onderzoek indien de verdachte is gedagvaard?
  2. Kunnen de officier van justitie en de verdachte na verwijzing door de zittingsrechter op de voet van art. 316 Sv op grond van art. 185 Sv de in art. 181 Sv en 183 Sv bedoelde vorderingen respectievelijk verzoeken tot het verrichten van onderzoekshandelingen doen?
  3. Staat een rechtsmiddel open tegen afwijzende beslissingen die de rechter-commissaris na dagvaarding of na verwijzing neemt op wensen tot het verrichten van onderzoekshandelingen?

Opgeworpen vragen

Bevoegdheid rechter-commissaris tot voortzetting onderzoek na dagvaarding?

Ter beantwoording staat in de eerste plaats de vraag of de rechter-commissaris bevoegd is nog onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op verzoeken of vorderingen om nader onderzoek in het geval dat de officier van justitie de rechter-commissaris op de voet van art. 238, tweede lid, Sv in kennis heeft gesteld dat tot dagvaarding van de verdachte zal worden overgegaan.

Het volgende moet worden vooropgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting neemt een aanvang door het doen uitroepen van de zaak door de voorzitter (art. 270 Sv). Dat brengt mee dat vanaf dat moment de zaak in handen is van de zittingsrechter, dat de zaak niet meer bij hem weggehaald kan worden en dat het de zittingsrechter is die de regie heeft over de behandeling van de zaak. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is het de zittingsrechter die op de voet van art. 316 Sv moet beslissen of enig (nader) onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is.

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld en mede in aanmerking genomen het in de geschiedenis van zijn totstandkoming tot uitdrukking gebrachte streven om het onderzoek van de rechter-commissaris zoveel mogelijk afgerond te doen zijn voordat de zaak op de terechtzitting komt, brengt een redelijke uitleg van art. 238, tweede lid, Sv het volgende mee.

Na de kennisgeving van de officier van justitie dat tot dagvaarding zal worden overgegaan is de rechter-commissaris bevoegd tot voortzetting van zijn op grond van art. 181 – 183 Sv reeds lopende onderzoek zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen. De bevoegdheid tot voortzetting van het onderzoek na (mededeling van het voornemen tot) dagvaarding is beperkt tot het onderzoek dat de rechter-commissaris noodzakelijk acht. Na die kennisgeving is voor vorderingen of verzoeken als bedoeld in art. 181 en 183 Sv om onderzoekshandelingen te verrichten geen plaats.

Dientengevolge staat tegen afwijzing door de rechter-commissaris van na (kennisgeving van) dagvaarding naar voren gebrachte wensen tot onderzoek voor de verdachte geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv open en voor de officier van justitie geen hoger beroep op grond van art. 446, eerste lid, Sv.

Vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris tot onderzoekshandelingen na verwijzing?

De tweede opgeworpen vraag is of na verwijzing uit hoofde van art. 316 Sv door de zittingsrechter naar de rechter-commissaris de toepasselijkheid van art. 185, tweede lid, Sv op het onderzoek van de rechter-commissaris impliceert dat de officier van justitie kan vorderen (art. 181, eerste lid, Sv) en de verdachte kan verzoeken (art. 183, eerste lid, Sv) dat de rechter-commissaris onderzoekshandelingen verricht.

Art. 181 en art. 183 Sv zijn krachtens het derde lid van art. 316 Sv niet van overeenkomstige toepassing op het onderzoek door de rechter-commissaris na verwijzing. Voor vorderingen van de officier van justitie of verzoeken van de verdachte als in die bepalingen bedoeld is na verwijzing op de voet van art. 316 Sv dan ook geen plaats. Aan de in het tweede lid van (het wel van overeenkomstige toepassing verklaarde) art. 185 Sv geformuleerde bevoegdheid van de rechter-commissaris een regiebijeenkomst te beleggen, kan dan ook niet worden ontleend dat de bedoelde vorderingen of verzoeken toch kunnen worden gedaan.

Beroep of bezwaar tegen beslissingen van de rechter-commissaris na dagvaarding of verwijzing?

Zoals hiervoor is overwogen, is na (kennisgeving van) dagvaarding of na verwijzing op de voet van art. 316 Sv geen plaats voor vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris als bedoeld in art. 181 Sv en art. 183 Sv. Dat brengt mee dat tegen een in die fase door de rechter-commissaris gegeven afwijzing van aan hem door de officier van justitie of de verdachte kenbaar gemaakte onderzoekswensen geen hoger beroep op grond van art. 446, eerste lid, Sv openstaat, respectievelijk geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv kan worden ingediend. Een andere opvatting zou afbreuk doen aan de sturende positie van de zittingsrechter en nodeloze complicaties kunnen veroorzaken.

Beoordeling van het middel

Het middel bevat de klacht dat de raadkamer ten onrechte heeft geoordeeld dat de bezwaarde ontvankelijk is in zijn bezwaarschrift tegen de afwijzende beschikking van de Rechter-Commissaris.

Het middel slaagt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: oordeel hof dat uitspraak van agent dat verdachte niet wordt vervolgd, het OM niet bindt, is onjuist. OM niet-ontvankelijk.

Hoge Raad 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:513

Het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 4 april 2013 verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken en tot een taakstraf voor de duur van veertig uren wegens oplichting, meermalen gepleegd.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging op de grond dat door een hoofdagent van politie de toezegging is gedaan dat de verdachte niet zou worden vervolgd ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

Het Hof heeft bedoeld verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat het openbaar ministerie het recht op strafvervolging heeft verloren, nu door hoofdagent van politie [betrokkene 4] de toezegging is gedaan dat verdachte niet zou worden vervolgd na terugbetaling van de verschuldigde bedragen aan de benadeelden, en verdachte de verschuldigde bedragen heeft teruggestort. De raadsman beroept zich in dit verband op de volgende passage in het proces-verbaal (dossier pagina 19): "Voorts spreek ik met u af dat het geld op de rekeningen staat van de gedupeerden voor woensdag 21 juli 2010. Ik snap dat dit mijn laatste kans is voordat het dossier wordt opgestuurd naar de rechter." Het hof verwerpt dit verweer. Ook in het geval de geciteerde passage inderdaad de strekking heeft die daaraan door de raadsman wordt toegekend, wat het hof thans uitdrukkelijk in het midden laat omdat evengoed een andere, minder ver gaande strekking aan deze passage kan worden toegekend, geldt dat niet een hoofdagent van politie, maar het openbaar ministerie beslist over het al dan niet bij de rechter aanbrengen van strafbare feiten. “

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109).

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

Het kennelijk in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat aan een toezegging van een hoofdagent van politie niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat vervolging achterwege zal blijven is - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - in zijn algemeenheid onjuist. Het Hof had moeten doen blijken te hebben onderzocht of sprake was van de gestelde toezegging door de hoofdagent dat geen vervolging zou worden ingesteld en of de verdachte in het geval van een bevestigende beantwoording op die toezegging mocht vertrouwen. Het Hof heeft het verweer derhalve op ontoereikende gronden verworpen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Oordeel hof dat bewezenverklaarde witwassen en het in de bewezenverklaring misdrijf waaruit die geldbedragen afkomstig waren, in zodanig nauw verband staan tot elkaar dat b.p. door het 'medeplegen van witwassen' rechtstreeks schade heeft geleden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting

Hoge Raad 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:216

Aangeefster/betrokkene 1 ontdekt medio juli 2009, na terugkomst van vakantie, dat geldbedragen van haar bankrekening zijn afgeschreven. Daarvoor blijken overschrijvingskaarten van aangeefster te zijn gebruikt. Op de overschrijvingskaarten is betrokkene 3 te Lanaken als begunstigde ingevuld. Aangeefster bankiert zelf bij de ING-bank via internet met tancodes. Tijdens haar vakantie heeft zij geen sms-bericht met tancodes ontvangen. Zij heeft in 2007 voor het laatst haar overschrijvingskaarten gebruikt. Aangeefster doet aangifte van valsheid in geschrift.

Verdachte is in de zomer van 2009 door een zakenrelatie benaderd met de vraag of verdachte kon bemiddelen om geld naar een buitenlandse bankrekening te transporteren. Een vrouw had een overschrijvingskaart ondertekend, dat geld moest via een andere Nederlandse bankrekening naar het buitenland worden gestort om vervolgens contant te worden overhandigd aan de zakenrelatie van verdachte. De vrouw was op vakantie en de zakenrelatie van verdachte was in het bezit gekomen van de overschrijvingskaart.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 29 oktober 2013 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wegens medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de benadeelde partij betrokkene 1 de schade waarvan zij vergoeding vordert als gevolg van het bewezenverklaarde feit heeft geleden, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat de toewijzing van de vordering van betrokkene 1 en de oplegging van de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel onvoldoende met redenen zijn omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 29 juni 2009 tot en met 29 december 2009, in Nederland, en te Liechtenstein, en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen grote geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en van voornoemde geldbedragen de herkomst heeft verhuld, althans heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was, terwijl hij, verdachte, telkens wist, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:

"De raadsman voert het woord - zakelijk weergegeven -: (...)

De schade van de benadeelde partij is niet rechtstreeks het gevolg van handelen van mijn cliënt. betrokkene 1 is benadeeld door degene die het geld van haar bankrekening heeft gehaald. Het is mijns inziens niet zo dat iemand die veel later over het geld beschikt, moet opdraaien voor de geleden schade."

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de benadeelde partij betrokkene 1 geleden materiële schade en de verdachte uit dien hoofde veroordeeld tot betaling van een bedrag van €220.090, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juli 2009 tot aan de dag van de voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover een van de mededaders aan zijn verplichting tot schadevergoeding heeft voldaan, de verdachte in zoverre van zijn betalingsverplichting is bevrijd. Het Hof heeft de verdachte voorts de verplichting opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van betrokkene 1, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met de in dat verband gebruikelijke bepalingen. Het Hof heeft daaromtrent het volgende overwogen:

"Vordering van de benadeelde partij betrokkene 1

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 220.090,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat tussen de door betrokkene 1 geleden schade en het door verdachte gepleegde strafbare feit geen rechtstreeks verband bestaat in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt hieromtrent dat zonder het ter beschikking stellen van de bankrekeningen van Janssen en Vos en het contant maken van het geld, de schade van het slachtoffer niet was ontstaan. Immers, het geld is rechtstreeks van de rekening van de benadeelde overgemaakt via overschrijvingskaarten op de rekening van Janssen. De bewezenverklaarde handeling staat in rechtstreeks verband met de wegnemingshandeling (middels de ontvreemde overschrijvingskaarten) en is zodanig bepalend voor het ontstaan van de schade, dat deze schade moet worden gezien als het rechtstreekse gevolg van de bewezenverklaarde gedraging.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. 

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze."

Het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde witwassen van grote geldbedragen en het in de bewezenverklaring bedoelde misdrijf waaruit die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren, in zodanig nauw verband staan tot elkaar dat de benadeelde partij betrokkene 1 door het 'medeplegen van witwassen' rechtstreeks schade heeft geleden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen de uit de bewijsvoering blijkende feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Het is voorts, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.

Het middel is tevergeefs voorgesteld. 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Forse overschrijding berechtingstermijn leidt tot niet-ontvankelijkheid OM'

Op 17 februari 2015 is door de politierechter in Leeuwarden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechter had de berechting te lang geduurd. De uitspraak is opmerkelijk omdat de Hoge Raad op overschrijding van deze redelijke berechtingstermijn geen niet-ontvankelijkheid (meer) stelt. De rechter honoreerde met deze uitspraak het verweer van raadsman Hans Anker. De cliënt,  een 23-jarige man, werd verdacht van het rijden onder invloed van drugs op 2 oktober 2011. Pas zo’n drieëneenhalf jaar later vond de behandeling van de strafzaak plaats.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Beklag & beslag: motiveringsklacht OvJ slaagt

Hoge Raad 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:341

Feiten

Bij brief van 23 april 2014 heeft de raadsman van klager de OvJ verzocht om teruggave van een personenauto. Er kan vanuit worden uitgegaan dat het hier een op de voet van art. 94 Sv onder de klager in beslag genomen auto betreft. Toen de raadsman geen reactie op de brief ontving, heeft hij op 29 april 2014 een klaagschrift ex art. 552a Sv bij de Rechtbank ingediend en daarbij wederom verzocht om teruggave van - onder meer – dit voertuig.

Bij brief van 14 mei 2014 heeft het parket de raadsman bericht dat de auto niet werd teruggegeven, omdat de auto zou zijn omgekat. Deze mededeling werd niet onderbouwd. In het schriftelijk standpunt van de OvJ van 18 juni 2014 wordt verder niet gerept over de auto en wordt meegedeeld dat de inbeslagneming betrekking heeft op “helingsonderzoek naar navigatiesystemen”. Enkele dagen vóór de zitting van de raadkamer zijn door de OvJ nog wel stukken overgelegd, maar deze betreffen niet de auto.

Rechtbank

Gelet op deze gang van zaken concludeert de Rechtbank dat blijkbaar aan het strafvorderlijk belang aan teruggave van de auto aan klager niet in de weg staat.

De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 27 juni 2014 het beklag van klager ex art. 552a Sv ten aanzien van de auto dan ook deels gegrond verklaard en teruggave van de personenauto aan klager gelast.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De officier van justitie heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat:

  • de administratie kan worden teruggegeven omdat deze kan worden gekopieerd;
  • de herkomst van het geld nog nader moet worden onderzocht;
  • er nog een onderzoek loopt naar de navigatiesystemen;
  • er momenteel geen stukken voorhanden zijn t.a.v. het omkatten,

en verzoekt derhalve om aanhouding, teneinde in de gelegenheid te worden gesteld om het onderhavige dossier aan te vullen met de noodzakelijke stukken. (…)

De beoordeling (…)

Ten aanzien van de in beslag genomen Volkswagen Polo stelt de rechtbank het volgende vast. Bij brief van 23 april 2014 heeft de raadsman van klager de officier van justitie verzocht om teruggave van dit voertuig. Toen de raadsman hierop geen reactie ontving, heeft hij op 29 april 2014 een klaagschrift bij de rechtbank ingediend en daarbij wederom verzocht om teruggave van - onder meer - de Volkswagen Polo. Bij brief van 14 mei 2014 heeft het parket de raadsman bericht dat de auto niet werd teruggegeven, omdat de auto zou zijn omgekat. Deze mededeling werd verder niet onderbouwd. In het schriftelijk standpunt van de officier van justitie van 18 juni 2014 wordt verder niet gerept over de Volkswagen Polo en wordt meegedeeld dat de inbeslagneming betrekking heeft op “helingsonderzoek naar navigatiesystemen”. Enkele dagen vóór de zitting van de raadkamer zijn door de officier van justitie nog wel stukken overgelegd, maar deze betreffen niet de Volkswagen Polo. Gelet op deze gang van zaken concludeert de rechtbank dat blijkbaar het strafvorderlijk belang teruggave van de auto aan klager niet in de weg staat. De rechtbank zal het beklag ten aanzien van de auto dan ook gegrond verklaren. (…)

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond en gelast de teruggave van

• een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, voorzien van buitenlands kenteken [0001]; (…)

aan [klager], beslagene. (…)”

Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. J.M. Kramer, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat er nog een onderzoek loopt naar de navigatiesystemen en er momenteel geen stukken voorhanden zijn t.a.v. het omkatten.

Het middel verzoekt derhalve om aanhouding, teneinde in de gelegenheid te worden gesteld om het onderhavige dossier aan te vullen met de noodzakelijke stukken.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard en daartoe overwogen dat uit het handelen en nalaten van de OvJ met betrekking tot het beslag moet worden afgeleid dat "blijkbaar het strafvorderlijk belang teruggave van de auto aan klager niet in de weg staat". Mede in het licht van het door de OvJ gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift teneinde het dossier te kunnen aanvullen met ontbrekende stukken, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, nu de Rechtbank niet ervan blijk heeft gegeven bij haar oordeel te hebben betrokken dat en waarom die gelegenheid niet kon worden geboden.

De motiveringsklacht slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^