Cassatie in het belang der wet. Verhouding tussen zittingsrechter en RC.

Hoge Raad 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:505

Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, Locatie Alkmaar van 19 augustus 2013 waarbij de Rechtbank bezwaarde ontvankelijk verklaarde in zijn bezwaar ex artikel 182 lid 6 Sv en het bezwaarschrift vervolgens ongegrond verklaarde.

Tegen de beschikking staat ingevolge art. 445 Sv geen gewoon beroep in cassatie open (HR 10 oktober 1978, NJ 1979, 156). Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk (art. 78 RO in verband met art. 456 Sv). De Procureur-Generaal J.W. Fokkens heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld.

Achtergrond cassatie in het belang der wet

De reden om deze vordering in te stellen is dat er in de praktijk na de op 1 januari 2013 ingevoerde Wet versterking positie rechter-commissaris diverse onduidelijkheden bestaan over de taken en bevoegdheden van de rechter-commissaris in geval deze zijn onderzoek ex de artikelen 181 e.v. Sv nog niet heeft voltooid op het moment waarop de officier van justitie te kennen heeft gegeven tot dagvaarding over te willen gaan (art. 238 lid 2 Sv) en in geval van verwijzing ex. art. 316 Sv door de zittingsrechter. Met name bleek onzekerheid te bestaan over de vraag of na verwijzing door de zittingsrechter op de voet van art. 316 lid 1 Sv na een zogenaamde regiezitting voor de verdachte bezwaar openstaat tegen een afwijzende beslissing van de rechter-commissaris op een verzoek van de verdachte om bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Deze vordering heeft in het bijzonder betrekking op die vraag, maar ik wil de Hoge Raad verzoeken deze te beantwoorden in de bredere context van het onderzoek door de rechter-commissaris nadat de dagvaarding is uitgebracht.

Modernisering WbSv

Opmerking verdient dat het voornemen bestaat in het kader van de door de Minister van Veiligheid en Justitie geïnitieerde Fundamentele herziening /Modernisering van het Wetboek van strafvordering ook de verhouding vooronderzoek - eindonderzoek te herzien en daarbij in het bijzonder de regeling rond de zogenoemde pro forma zitting. De planning van dit project is nu volgens de desbetreffende site van de Rijksoverheid dat de wetsvoorstellen begin 2017 naar de Raad van State zullen zijn gezonden. Dat betekent dat inwerkingtreding van deze voorstellen pas over een aantal jaren te verwachten is en dat er geen reden is van een vordering over deze kwestie af te zien omdat het onderwerp ook de aandacht van de wetgever heeft.

Inhoud van de bestreden beschikking, vraagstelling & wettelijk kader

Het gaat in dit geding om het volgende. In de zaak die heeft geleid tot de bestreden beschikking heeft de Rechtbank de zaak op de terechtzitting van 10 juni 2013 verwezen naar de Rechter-Commissaris "teneinde lopende onderzoeken af te ronden en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris overigens in overleg met de officier van justitie en de raadsvrouw wenselijk of noodzakelijk acht." De verdediging heeft bij de Rechter-Commissaris diverse verzoeken ingediend om onderzoekshandelingen te verrichten. Bij beschikking van 1 augustus 2013 heeft de Rechter-Commissaris deze verzoeken gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Tegen de afwijzing heeft de raadsvrouwe namens de verdachte op 7 augustus 2013 een bezwaarschrift ingediend. De Rechtbank heeft de verdachte bij beschikking van 19 augustus 2013 in zijn bezwaarschrift ontvankelijk verklaard.

De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De rechtbank overweegt ambtshalve dat bezwaarde in zijn bezwaarschrift kan worden ontvangen op grond van de volgende overwegingen.

Ter openbare terechtzitting van 10 juni 2013 heeft de rechtbank de zaak - open - verwezen naar de rechter-commissaris teneinde lopende onderzoeken af te ronden en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris overigens in overleg met de officier van justitie en de raadsvrouw wenselijk of noodzakelijk acht. De rechtbank heeft daarmee aangegeven dat de rechter-commissaris beslissingsbevoegdheid toekomt om binnen de wettelijke en de door de rechtbank vermelde (in casu geen bijzondere) grenzen bepaalde onderzoeken uit te voeren, zulks ter beoordeling door de rechter-commissaris. Voor zover de rechter-commissaris in dat kader bepaalde beslissingen neemt waarmee de verdediging zich niet kan verenigen, komt de vraag aan de orde of daartegen een rechtsmiddel bij de raadkamer van de rechtbank openstaat of dat de beslissing bij de verwijzende zittingsrechter dient te blijven.

De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat bezwaarde tegen deze tussentijdse beslissing van de rechter-commissaris een bezwaarschrift kan indienen bij (de raadkamer van) de rechtbank. Het enkele feit dat in artikel 316, lid 3 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de eerste afdeling van de Derde Titel van dit wetboek niet is vermeld, maakt dat niet anders. In bedoelde afdeling is aan de verdachte het recht toegekend een bezwaarschrift in te dienen bij de rechtbank indien de rechter-commissaris weigert de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten (artikelen 182, lid 6 en 183, lid 3 Sv). Laatstgenoemde artikelen hebben betrekking op het vóóronderzoek (voorheen gerechtelijk vooronderzoek) als er van (een voornemen tot) dagvaarden, laat staan een zittingsrechter, nog geen sprake is. In die zin is het begrijpelijk dat de eerste afdeling van de Derde Titel niet in artikel 316, lid 3, Sv is opgenomen: van vooronderzoek in evenbedoelde zin kan immers in de situatie van artikel 316 Sv geen sprake meer zijn. Het wegvallen van de bij dit wetboek bepaalde mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen staat in het onderhavige geval echter niet in de weg aan de ontvankelijkheid van bezwaarde in zijn bezwaarschrift.

In de thans aan de orde zijnde zaak, waarin een open verwijzing naar de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, heeft de zittingsrechter aan de rechter-commissaris opdracht gegeven om nader vooronderzoek te verrichten dat feitelijk nauwelijks verschilt van een vooronderzoek vóór dagvaarding, mede gelet op de toepasselijkverklaring van tal van bepalingen betreffende de uitvoering van het vooronderzoek in artikel 316 Sv. Als onder deze omstandigheden door de zittingsrechter de voortzetting van het vooronderzoek (weer) aan de rechter-commissaris wordt overgelaten, staat een redelijke wetstoepassing er niet aan in de weg dat de verdediging de bevoegdheid wordt gegeven om een bezwaarschrift in te dienen tegen bepaalde beslissingen van de rechter-commissaris op gelijke wijze als bij het vooronderzoek vóór dagvaarding. Het tegendeel komt de rechtbank onredelijk voor ten opzichte van de verdediging. Op de voet van de artikelen 445 en 446 Sv zou de verdediging bijvoorbeeld na een regiezitting, waarin vorderingen respectievelijk verzoeken van de officier van justitie en de verdediging aan de orde kunnen komen, géén beroep tegen beschikkingen van de rechter-commissaris bij de rechtbank kunnen instellen (artikel 445 Sv) en de officier van justitie wèl (artikel 446 Sv). Dit klemt te meer nu artikel 185 Sv (over de regiezitting) zowel van toepassing is op de situatie vóór als ná dagvaarding. Een en ander nog los van de onpraktische gevolgen waarbij in het bijzonder valt te denken aan vertraging van het strafproces, onder meer bestaande uit extra regiezittingen, welk gevolg de wetgever nu juist door de nieuwe wetgeving wil voorkomen. De in de wet verankerde afbakening van de regiefunctie tussen de zittingsrechter en de rechter-commissaris blijft bij dit alles overigens altijd en geheel in handen van de uiteindelijk verantwoordelijke zittingsrechter. Deze immers bepaalt of en op welke wijze zaken naar de rechter-commissaris worden verwezen. Dat kan open gebeuren, zoals in het onderhavige geval, of beperkt, in welk geval bezwaarschriften tegen beslissingen van de rechter-commissaris minder voor de hand liggen.

Gelet op al het voorgaande en gelet op het feit dat het bezwaarschrift binnen veertien dagen na het nemen van de afwijzende beschikking van de rechter-commissaris is ingediend, is bezwaarde ontvankelijk in zijn bezwaarschrift."

Voor de beoordeling van de vordering zijn de volgende wettelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van belang:

  • art. 181 Sv
  • art. 182 Sv
  • art. 183 Sv
  • art. 185 Sv
  • art. 237 Sv
  • art. 238 Sv
  • art. 316 Sv
  • art. 446, eerste lid, Sv

De Procureur-Generaal heeft in zijn vordering gewezen op de volgende drie vragen die in het bijzonder beantwoording zouden behoeven.

  1. In hoeverre is de rechter-commissaris nog bevoegd onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op vorderingen of verzoeken om nader onderzoek indien de verdachte is gedagvaard?
  2. Kunnen de officier van justitie en de verdachte na verwijzing door de zittingsrechter op de voet van art. 316 Sv op grond van art. 185 Sv de in art. 181 Sv en 183 Sv bedoelde vorderingen respectievelijk verzoeken tot het verrichten van onderzoekshandelingen doen?
  3. Staat een rechtsmiddel open tegen afwijzende beslissingen die de rechter-commissaris na dagvaarding of na verwijzing neemt op wensen tot het verrichten van onderzoekshandelingen?

Opgeworpen vragen

Bevoegdheid rechter-commissaris tot voortzetting onderzoek na dagvaarding?

Ter beantwoording staat in de eerste plaats de vraag of de rechter-commissaris bevoegd is nog onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op verzoeken of vorderingen om nader onderzoek in het geval dat de officier van justitie de rechter-commissaris op de voet van art. 238, tweede lid, Sv in kennis heeft gesteld dat tot dagvaarding van de verdachte zal worden overgegaan.

Het volgende moet worden vooropgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting neemt een aanvang door het doen uitroepen van de zaak door de voorzitter (art. 270 Sv). Dat brengt mee dat vanaf dat moment de zaak in handen is van de zittingsrechter, dat de zaak niet meer bij hem weggehaald kan worden en dat het de zittingsrechter is die de regie heeft over de behandeling van de zaak. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is het de zittingsrechter die op de voet van art. 316 Sv moet beslissen of enig (nader) onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is.

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld en mede in aanmerking genomen het in de geschiedenis van zijn totstandkoming tot uitdrukking gebrachte streven om het onderzoek van de rechter-commissaris zoveel mogelijk afgerond te doen zijn voordat de zaak op de terechtzitting komt, brengt een redelijke uitleg van art. 238, tweede lid, Sv het volgende mee.

Na de kennisgeving van de officier van justitie dat tot dagvaarding zal worden overgegaan is de rechter-commissaris bevoegd tot voortzetting van zijn op grond van art. 181 – 183 Sv reeds lopende onderzoek zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen. De bevoegdheid tot voortzetting van het onderzoek na (mededeling van het voornemen tot) dagvaarding is beperkt tot het onderzoek dat de rechter-commissaris noodzakelijk acht. Na die kennisgeving is voor vorderingen of verzoeken als bedoeld in art. 181 en 183 Sv om onderzoekshandelingen te verrichten geen plaats.

Dientengevolge staat tegen afwijzing door de rechter-commissaris van na (kennisgeving van) dagvaarding naar voren gebrachte wensen tot onderzoek voor de verdachte geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv open en voor de officier van justitie geen hoger beroep op grond van art. 446, eerste lid, Sv.

Vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris tot onderzoekshandelingen na verwijzing?

De tweede opgeworpen vraag is of na verwijzing uit hoofde van art. 316 Sv door de zittingsrechter naar de rechter-commissaris de toepasselijkheid van art. 185, tweede lid, Sv op het onderzoek van de rechter-commissaris impliceert dat de officier van justitie kan vorderen (art. 181, eerste lid, Sv) en de verdachte kan verzoeken (art. 183, eerste lid, Sv) dat de rechter-commissaris onderzoekshandelingen verricht.

Art. 181 en art. 183 Sv zijn krachtens het derde lid van art. 316 Sv niet van overeenkomstige toepassing op het onderzoek door de rechter-commissaris na verwijzing. Voor vorderingen van de officier van justitie of verzoeken van de verdachte als in die bepalingen bedoeld is na verwijzing op de voet van art. 316 Sv dan ook geen plaats. Aan de in het tweede lid van (het wel van overeenkomstige toepassing verklaarde) art. 185 Sv geformuleerde bevoegdheid van de rechter-commissaris een regiebijeenkomst te beleggen, kan dan ook niet worden ontleend dat de bedoelde vorderingen of verzoeken toch kunnen worden gedaan.

Beroep of bezwaar tegen beslissingen van de rechter-commissaris na dagvaarding of verwijzing?

Zoals hiervoor is overwogen, is na (kennisgeving van) dagvaarding of na verwijzing op de voet van art. 316 Sv geen plaats voor vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris als bedoeld in art. 181 Sv en art. 183 Sv. Dat brengt mee dat tegen een in die fase door de rechter-commissaris gegeven afwijzing van aan hem door de officier van justitie of de verdachte kenbaar gemaakte onderzoekswensen geen hoger beroep op grond van art. 446, eerste lid, Sv openstaat, respectievelijk geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv kan worden ingediend. Een andere opvatting zou afbreuk doen aan de sturende positie van de zittingsrechter en nodeloze complicaties kunnen veroorzaken.

Beoordeling van het middel

Het middel bevat de klacht dat de raadkamer ten onrechte heeft geoordeeld dat de bezwaarde ontvankelijk is in zijn bezwaarschrift tegen de afwijzende beschikking van de Rechter-Commissaris.

Het middel slaagt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF