HR: Veroordelingen voor o.a. witwassen in Klimopzaak blijven in stand

Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:260

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 7 december 2012 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar wegens

  • 2 primair feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
  • 4 primair, 5 primair, 7 primair, 8 primair en 9 primair telkens opleverend feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift,
  • 3 primair, 6 primair en 10 primair, telkens opleverend feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van witwassen,
  • 11 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het betreft hier één van de zaken uit het zogenaamde Klimoponderzoek.

Namens verdachte heeft mr. M.E. Rosing, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

Middelen

De eerste drie middelen bevatten in de kern (op een nader te noemen klacht na) dezelfde klachten. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte feit 3 (primair) bewezen heeft verklaard, het tweede middel heeft betrekking op feit 6 (primair) en het derde middel op feit 10 (primair). Blijkens voornoemde middelen heeft het Hof telkens een onjuiste betekenis toegekend aan het wettelijk begrip “de werkelijke aard” dat moet worden onderscheiden van “de herkomst”, kan uit de bewijsmiddelen niet blijken dat in de onderhavige zaak iets werd verhuld, en volgt uit de bewijsmiddelen evenmin dat door [A] BV iets is voorgewend. Het eerste middel klaagt daarbij ook dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt van opzet op het verhullen.

Het vierde middel bevat met betrekking tot de feiten 3, 6 en 10, telkens primair, de klacht dat uit de het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat [A] BV (evenals haar mededader) ten tijde van de haar verweten gedragingen wist dat de genoemde geldbedragen (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig (voorafgaand) misdrijf.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81, eerste lid, RO.

De bestreden uitspraak wordt vernietigd, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Deze wordt vermindert in die zin dat deze vijftien maanden en twee weken, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt.

Conclusie AG Vegter

10. Als gezegd zijn de middelen beperkt tot de bewezenverklaarde feiten 3 primair, 6 primair en 10 primair, die telkens zijn gekwalificeerd als feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van witwassen. De feiten zouden hebben plaatsgevonden in het kader van de ontwikkeling van een kantoortoren en een parkeergarage te Zoetermeer onder de projectnaam Hollandse Meester (feit 3), de ontwikkeling van zes kantoorgebouwen en een parkeergarage aan de Rivium Promenade te Capelle aan den IJssel onder de projectnaam Solaris (feit 6) en de ontwikkeling van een kantoortoren en een parkeergarage aan de Coolsingel te Rotterdam (feit 10). Heel kort gezegd zou [A] BV (hierna veelal aangeduid als de BV) gelden die zijn onttrokken aan het Bouwfonds hebben witgewassen door (1) op basis van valse facturen aan allerlei derden geldsommen te betalen zonder dat daar iets tegenover stond (feit 6) en (2) geld bestemd voor [betrokkene 2] op een derdenrekening van een notaris te storten, terwijl deze notaris dat geld enige tijd later doorstortte naar [betrokkene 2] (feiten 3, 6 en 10). In cassatie wordt niet bestreden dat verdachte feitelijk leiding gaf aan de gedragingen van [A] BV. Evenmin wordt bestreden dat deze BV kon beschikken over veel geld (de ‘geldpot’) dat afkomstig was van het Bouwfonds. Wel wordt in cassatie betwist dat uit de bewijsvoering valt af te leiden dat het ingestroomde geld van misdrijf afkomstig is en dat verdachte daarvan ook op de hoogte was. Dat is de kern van het vierde middel. De eerste drie middelen betreffen de uitstroom van het geld vanuit de BV in de richting van (onder meer) [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op basis van valse documenten (facturen, overeenkomsten). Er zou geen sprake zijn van het opzettelijk verhullen van de werkelijk aard en evenmin van het voorwenden van betaling op basis van de valse documenten.

11. Ik bespreek eerst de vraag of het Hof – wat onparlementair uitgedrukt – kon bewezen achten dat de instroom van het geld van Bouwfonds naar de BV crimineel was. Anders gezegd: kon het Hof bewezen verklaren dat het geld dat van het Bouwfonds bij de BV binnenkwam en vervolgens daar aanwezig was van misdrijf afkomstig was. De bewijsmiddelen zelf zijn daarover niet zonder meer overdadig, maar het Hof heeft er wel een aantal bijzondere overwegingen aan gewijd (7.3.3). Die overwegingen moeten gelezen worden met in het achterhoofd dat uit de bewijsvoering niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf en door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.

12. Het bewezen verklaarde aanvangstijdstip voor het witwassen is  respectievelijk 14 december 2001 (feit 3), 1 januari 2002 (feit 6) en 17 april 2003 (feit 10). Uit de bewijsvoering moet daarom af te leiden zijn dat de BV tenminste vanaf 14 december 2001 beschikte over geld afkomstig van een misdrijf. Uit overweging 7.3.3. in het arrest van het Hof valt af te leiden dat het Hof van oordeel is dat er in de periode tussen 8 oktober 1999 en 10 december 1999 (bewezen verklaarde periode feit 4) al sprake was van van misdrijf afkomstig geld (de ’geldpot’) in de BV. Het Hof heeft niet onbegrijpelijk onder meer aan de hand van de valse (fictieve) claim van [betrokkene 6] geoordeeld dat er voor de storting van het geld anders dan de verdediging in feitelijke aanleg meende (zacht gezegd) in ieder geval niet steeds een zakelijke grondslag was. Er was geen goede grond voor storting van het geld van het Bouwfonds op de rekening van de BV; integendeel de basis voor de storting (de instroom) was valsheid in geschrift. De overeenkomst op grond waarvan geld werd overgemaakt van het Bouwfonds naar de BV was zelf ook vals geworden, omdat deze mede was gebaseerd op de valse claim. Daarom kon dat bij de BV (ten behoeve van het latere leegroven; welke term verdachte hanteert, bewijsmiddel 52) ‘geparkeerde’ geld worden aangemerkt als (deels) van misdrijf afkomstig. Het lijkt er op dat de steller van het middel er niet aan wil dat ook bij het tijdelijk ‘parkeren’ van geld van de een op de rekening van een ander het geld als van misdrijf afkomstig kan worden aangemerkt als de storting geschiedt op basis van een valse overeenkomst of claim. Daarin volg ik de steller van het middel niet.

13. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, doet aan het voorgaande niet af dat volgens het Hof verdachte er aanvankelijk enige tijd niet van op de hoogte was dat dit geld van misdrijf afkomstig was. Immers, de eis dat verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was, is voor de bewezenverklaring pas relevant per 14 december 2001. Niet vereist is dat verdachte reeds bij de instroom van het geld (ver) voor 14 december 2001 het criminele karakter van het geld kende. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent (middel 4 onder 8 van de schriftuur), is het dus niet inconsistent dat volgens het Hof verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] stelden dat door [betrokkene 1] steeds plausibele verklaringen werden gegeven voor het ophogen van de projectkostenbegroting (arrest p. 25 onder 5.2.3) waarmee de steller van het middel kennelijk doelt op stichtingskostenbegroting als bedoeld in feit 4. Die plausibele verklaringen dateren van voor het moment dat verdachte wist dat het om van een misdrijf afkomstig geld ging en in ieder geval ruim voor 14 december 2001. De toelichting op het middel varieert verder op dit thema. Er wordt namelijk geen onderscheid gemaakt tussen de vaststelling dat hetgeen in de geldpot werd gestort van misdrijf afkomstig was en de (veel later aanwezige) wetenschap van verdachte dat het geld van misdrijf afkomstig was. Ik zie geen aanleiding daarop nader in te gaan.

14. Uit de door het Hof zogenaamde voorafgaande overweging 4.3.8 valt als oordeel van het Hof te lezen dat verdachte (en gelet op zijn positie als directeur daarmee ook de BV5) in ieder geval op 2 augustus 2000 wist dat de bij de BV gecreëerde ‘geldpot’ met Bouwfondsgelden van misdrijf afkomstig was. Dat is ruim voor 14 december 2001. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof die vaststelling mede doet op basis van het wegsluizen van gelden. Kennelijk vielen daardoor de schellen bij verdachte van de ogen. Zie in dat verband ook de bewijsmiddelen 47 en 48 waarnaar het Hof in overweging 4.3.7 kennelijk verwijst waaruit naar voren komt dat medeverdachte [medeverdachte] in december 1999/ januari 2000 merkte dat er dermate grote bedragen van Bouwfonds op de rekening van de BV werden gestort dat hij het idee kreeg dat die bedragen nooit allemaal op de rekening zouden blijven.

15. Het komt mij voor dat het vierde middel niet slaagt. Het gemotiveerde oordeel van het Hof dat het ging om van misdrijf afkomstig geld of, anders gezegd, dat de ‘geldpot’ (onder meer) gevuld was met van misdrijf afkomstig geld is onbegrijpelijk noch ontoereikend. Hetzelfde geldt voor het gemotiveerde oordeel van het Hof dat verdachte (weliswaar later) wist dat het om van misdrijf afkomstig geld ging.

16. Het eerste (feit 3), tweede (feit 6) en derde (feit 10) middel betreft de uitstroom van het geld uit de BV die door het Hof is aangemerkt als witwassen. Bij die uitstroom ging het om betalingen op basis van valse facturen en ter voldoening van valselijk opgemaakte overeenkomsten tussen de BV en [B] BV ([betrokkene 2]). In dat laatste geval werd het geld op verzoek van [betrokkene 2] te zijnen behoeve overgemaakt op een derdenrekening van een notaris en vervolgens weer op een rekening waarover [betrokkene 2] kon beschikken.

17. Bij alle drie feiten die in de middelen ter discussie worden gesteld, is tenlastegelegd (onder meer) het verhullen van de werkelijk aard en/of herkomst van het geldbedrag en vervolgens bewezen verklaard het verhullen van de werkelijke aard. Het middel spitst zich toe op de bewezenverklaarde werkelijk aard en lijkt te suggereren dat er wel sprake is van het verhullen van de herkomst, maar niet van de werkelijke aard.6 Dat laatste leidt bij mij tot een lichte 80a RO reflex, maar die zal ik weerstaan.

18. De steller van het middel wijst er overigens onder punt 14 van de toelichting op middel 1 reeds zelf terecht op dat de wetsgeschiedenis7 in een andere dan de kennelijk door hem voorgestane richting wijst. In de Memorie van Toelichting valt te lezen: “Met het verbergen of verhullen van de werkelijke aard van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn).” Hij acht dit niet doorslaggevend, omdat de terminologie (“werkelijke aard”) afkomstig is uit de Europese Richtlijnen inzake het voorkomen van witwassen. De steller van het middel heeft het gelijk aan zijn zijde dat hij de uitleg van de term bij de totstandkoming van de nationale wet niet zonder meer doorslaggevend acht. Zonder verdere toelichting wat dan in de bedoelde Richtlijnen nu wordt verstaan onder de ‘werkelijke aard’ zie ik geen aanleiding op een eventuele discrepantie in te gaan. Daarvoor zou toch nodig zijn dat de steller van het middel aanwijst wat hem er toebrengt ervan uit te gaan dat de bedoelde Richtlijnen aan het begrip ‘werkelijke aard’ een eigen en beperkte betekenis geven.

19. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof gemeend dat de werkelijk aard van het geld is verhuld, waarmee is gedoeld op de omstandigheid dat betaling van het geld de nakoming van (winstdelings- of ontwikkelings)overeenkomsten en andere documenten betrof, terwijl die overeenkomsten en documenten vals waren. Inderdaad moet de steller van het middel worden toegegeven dat in de meest letterlijke zin natuurlijk de werkelijke aard van het geld zelf niet werd verhuld. De uiterlijke gedaante van het geld zelf verandert niet. De werkelijke aard van de betaling van het geld wordt verhuld en in zoverre ook de aard van dat geld. Versluierd wordt immers dat het geld niet wordt betaald op basis van de in de bewezenverklaringen bedoelde overeenkomsten en/of documenten, maar louter in opdracht en ten behoeve van anderen.

20. De middelen houden tevens in dat de gedragingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als verhullen. Te inleiding wijst de steller van het middel op een tweetal passages uit de wetgeschiedenis ter adstructie van het vereiste van een zekere doelgerichtheid om te kunnen spreken van  verhullen: “Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijke doelgerichtheid kunnen worden gesproken” en “De doelgerichtheid van het handelen kan worden afgeleid uit de objectieve strekking ervan (het verbergende of verhullende effect).”8

21. In het bijzonder wordt in cassatie naar voren gebracht dat het giraal overboeken van geld op de derdenrekening van de notaris niet kan worden aangemerkt als verhullen. Door het losmaken van het gestorte geldbedrag uit een (veel) groter geheel aan bij de BV aanwezig geldtegoed (de ‘geldpot’), het daarvan afzonderen en vervolgens overboeken op de derdengeldrekening is het geld beter identificeerbaar geworden, aldus de toelichting op het middel. Vervolgens wordt teruggegrepen op de hierboven geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis en wordt gezegd: “bij de enkele handeling van het storten (overboeken) kan in deze situatie nog niet worden gesproken van de voor verhullen vereiste doelgerichtheid, in het bijzonder omdat die storting (overboeking) in de context van het onderhavige geval nu juist geen verhullend effect had, doch veeleer het tegendeel bewerkstelligde (zichtbaarheid van het voorwerp als zodanig).”

22. Het navolgende brengt mij tot de conclusie dat het Hof het storten op de derdenrekening wel degelijk kon aanmerken als verhullen. Voor het verhullen van de aard van de betaling is allereerst niet vereist dat van volledige verhulling sprake is. Voldoende is dat er onzekerheid ontstaat over de aard van de betaling. Geen onzichtbaarheid van de werkelijke transactie is vereist, maar een mistgordijn is voldoende. Het Hof heeft aangenomen dat de betaling formeel ter nakoming van (valse) overeenkomsten op de derdenrekening in werkelijkheid geschiedde in opdracht en ten behoeve van [betrokkene 2]. Door de overboeking op deze wijze te doen plaatsvinden, wordt met mistflarden versluierd dat [betrokkene 2] uiteindelijk degene is die feitelijk de beschikkingsmacht over het geld heeft. Het gaat, anders dan de steller van het middel meent, ook niet alleen om de overboeking, maar om enkele handelingen in een reeks: crimineel geld wordt gestort op de rekening van de BV, vervolgens in opdracht overgeboekt op een derdengeldrekening, terwijl volgens afspraak is voorzien in verdere doorboeking ten behoeve van [betrokkene 2]. Er is zonder redelijke economische grond met geld geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken.

23. Voorts wordt nog geklaagd dat bewezenverklaard is dat de verhulling heeft plaatsgevonden door voor te wenden dat het voorwerp was (door)betaald op basis van een (valse) overeenkomst. De steller van het middel vat zijn klacht bondig als volgt samen: de betaling is daadwerkelijk conform overeenkomst, ook al is die overeenkomst vals. Er is daarom in de ogen van de steller van het middel niets voorgewend. Ik meen te kunnen volstaan met de vaststelling dat is voorgewend dat de boeking plaatsvond op basis van een geldige overeenkomst. De reden voor het opstellen van de (valse) overeenkomst was vooral gelegen in het scheppen van een mogelijkheid een titel voor overboeking te hebben door voor te wenden dat betaling plaatsvond op basis van een geldige overeenkomst. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat de gedragingen niet afzonderlijk moeten worden bezien, maar juist in onderling verband en samenhang. Voor feit 6 primair geldt voor het voorwenden op basis van valse documenten hetzelfde als hier is betoogd voor het voorwenden op basis van de valse overeenkomsten.

24. Bewezenverklaard is dat het witwassen door de overboeking op de derdenrekening plaatsvond tussen 17 april 2003 en 4 augustus 2003. Geklaagd wordt nu dat de overboeking plaatsvond op 17 april 2003, verdachte daarna geen enkele gedraging meer heeft verricht, terwijl desondanks als einddatum van het witwassen 4 augustus 2003 is bewezenverklaard. Tot de doorboeking naar [betrokkene 2] op 4 augustus 2003 geldt: “Laat maar lekker draaien, steeds meer in die wasmasjien.”9 Door het overboeken op basis van de valse overeenkomst is een toestand in het leven geroepen die enige tijd voortduurt en blijkens de tenlastelegging kennelijk ten einde kwam door de doorboeking naar [betrokkene 2].10 Dat tijdsverloop is bij witwassen niet onbelangrijk, omdat het een bijdrage kan leveren aan de versluiering van de herkomst van het geld. Dat 4 augustus 2003 is bewezenverklaard als einddatum van de periode waarin is verhuld, is niet onjuist of onbegrijpelijk.

25. Voorts wordt nog geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het (ook in de wetsgeschiedenis verankerde) vereiste opzet op verhullen bij de rechtspersoon of haar leidinggevenden aanwezig is geweest. Deze klacht heeft de vorm van een stelling zonder toelichting en dat bemoeilijkt de bespreking van de klacht. Hierboven wees ik er al op dat het niet onbegrijpelijk is dat is bewezen dat de verdachte in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever aan de verboden gedraging wist dat het geld in de ‘geldpot’ van misdrijf afkomstig was. Ook kwam al naar voren dat het niet onbegrijpelijk is dat Hof ervan is uitgegaan dat verdachte wist dat na de storting op de derdenrekening het geld zou worden door geboekt aan [betrokkene 2] en dat zulks gebeurde in zijn opdracht en ten behoeve van hem. Gelet hierop zie ik niet in dat opzet op verhullen niet bewezen kan worden.

26. De slotsom is dat ook de eerste drie middelen falen nu de beslissing van het Hof niet ondeugdelijk, onbegrijpelijk of onvoldoende met redenen omkleed is.

27. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 21 december 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

28.    De middelen falen en het vierde middel kan in ieder geval worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

29.   Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^

Falende bewijsklacht verduistering

Hoge Raad 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:201

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 1 februari 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden wegens verduistering. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Bewezen is verklaard het door verdachte opzettelijk wederrechtelijk toe-eigenen van kinderzitjes, welke verdachte als vinder onder zich had, toebehorende aan betrokkene. Het middel klaagt dat het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening niet uit de gebezigde bewijsvoering kan volgen en dat de bewezenverklaring in het licht van het gevoerde verweer onvoldoende is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Verdachte heeft op 11 december 2011 bij de politie verklaard dat hij de in zijn woning aangetroffen kinderzitjes had gevonden om de hoek bij de flat. Ongeveer een week later heeft verdachte naar eigen zeggen de kinderzitjes in een advertentie op internet te koop aangeboden. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij de kinderzitjes op Marktplaats heeft gezet, omdat deze er tamelijk nieuw uitzagen. In de advertentie, zoals deze op Marktplaats is geplaatst, zijn de kinderzitjes omschreven als: 'Zo goed als nieuw'.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 321 Sr waaronder wordt verstaan het zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over eens anders goed beschikken.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe aangevoerd dat het bewijs voor het (voorwaardelijk) opzet op de wederrechtelijkheid van de toe-eigening ontbreekt. De goederen leken te zijn prijsgegeven, gelet op de plaats waar ze door verdachte zijn aangetroffen en het feit dat de goederen incompleet en beschadigd waren.

Het Hof overwoog dat het op de weg van verdachte was gelegen om van deze gevonden voorwerpen melding te doen bij de autoriteiten. Het hof is van oordeel dat de verdachte, gelet op de staat van de kinderzitjes, niet heeft mogen aannemen dat de eigenaar hier afstand van heeft gedaan. De kinderzitjes vertegenwoordigen waarde in het economische verkeer en van omstandigheden op grond waarvan verdachte kon en mocht menen dat de gevonden voorwerpen rechtens toekomen aan de eerlijke vinder, is niet gebleken.

Door te overwegen dat de verdachte op de door het Hof aangegeven gronden "niet heeft mogen aannemen dat de eigenaar afstand had gedaan" van de kinderzitjes en dat niet van "omstandigheden is gebleken op grond waarvan verdachte kon en mocht menen dat de gevonden voorwerpen rechtens toekomen aan de eerlijke vinder", en vervolgens het verweer te verwerpen dat niet sprake is van (voorwaardelijk) opzet, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zich de "zo goed als nieuwe" voorwerpen wederrechtelijk toe-eigende door deze te koop te zetten. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Oplichting: Samenweefsel van verdichtsels. HR herhaalt relevante overwegingen.

Hoge Raad 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:200

Eind 2005 doet verdachte aan de in Almere woonachtige betrokkene en haar partner, voor wie hij al sinds 1998 financiële zaken regelt, het voorstel een bedrag in een depot te storten ter aflossing van een tweetal levensverzekeringen die verdachte namens hen bij verzekeringsmaatschappij Stad Rotterdam Verzekeringen had afgesloten. Vervolgens vindt de overboeking plaats, naar een rekeningnummer dat op naam van een andere betrokkene en/of verdachte staat. Het bedrag wordt later ten behoeve van een hypothecaire lening van verdachte en zijn partner aan Fortis doorgestort.

Het Hof concludeert dat  door niet te vermelden dat het om zijn eigen rekeningnummer ging, verdachte het slachtoffer in de veronderstelling heeft gebracht dat het om het rekeningnummer van Stad Rotterdam Verzekeringen ging. Ook geldt dat het slachtoffer mede tot de afgifte is bewogen door de vertrouwenwekkende omstandigheid dat verdachte verzekeringsadviseur was.

Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 9 september 2013 de verdachte ter zake van onder meer oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren (feit 6, 7 en 8). Voorts heeft het hof gelast de ontzetting van de verdachte uit de uitoefening van het beroep van verzekerings- of hypotheekadviseur voor de duur van vijf jaren.

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het tweede middel klaagt dat het hof bij de bewijsvoering is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over het bestanddeel ‘samenweefsel van verdichtsels’ (art. 326 Sr), althans dat het bewijs van deze feiten niet kan volgen uit de bewijsmiddelen.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ten aanzien van elk van deze feiten telkens slechts sprake was van één enkele leugen of onjuiste mededeling. Voorts voert het middel aan dat de - door het hof van doorslaggevend belang geachte - vertrouwenwekkende omstandigheid dat de verdachte al lange tijd voor de benadeelden naar tevredenheid als verzekeringsadviseur optrad, op zichzelf geen verdichtsel is. Aan de voor strafbare oplichting vereiste pluraliteit van verdichtsels zou derhalve niet zijn voldaan, aldus begrijp ik het middel.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging onder 6, 7 en 8 is toegesneden op deze bepaling. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking "samenweefsel van verdichtsels" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan dezelfde in die bepaling voorkomende uitdrukking.

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. (Vgl. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BQ8600, NJ 2012/279)

Uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat het Hof bij zijn oordeel dat betrokkene 1, 2, 3 en 6 ieder voor zich, door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot afgifte van het in de onderscheiden bewezenverklaringen vermelde geldbedrag, heeft betrokken de vertrouwensrelatie waarin zij stonden tot de verdachte in zijn hoedanigheid van verzekeringsadviseur. De bewijsvoering houdt in dat verband in dat de verdachte telkens betrokken is geweest bij het concrete advies een beschikbaar komend geldbedrag door tussenkomst van hem of van het assurantiekantoor waaraan hij was verbonden, te benutten voor het afsluiten, aflossen of volstorten van een verzekeringspolis. Voorts volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte telkens specifieke mededelingen heeft gedaan over de wijze waarop de daarvoor benodigde betaling aan de verschillende verzekerings-maatschappijen zou moeten plaatsvinden, terwijl hij in werkelijkheid die betalingen voor zichzelf aanwendde. Ten slotte heeft het Hof in de context van de bewezenverklaring van (onder meer) feit 7 en feit 8 betekenis toegekend aan "het zichtbare gedragspatroon, waarin verdachte telkenmale onder valse voorwendselen bedragen leent of op rekeningen laat storten en deze geldbedragen vervolgens ten eigen nutte aanwendt". Mede gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld geeft het oordeel van het Hof ten aanzien van (telkens) de bewezenverklaring van een "samenweefsel van verdichtsels", waarin besloten ligt het oordeel dat telkens sprake is van meer dan een enkele leugenachtige mededeling, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag & beslag: Rb heeft beoordeeld of zich geval voordoet dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een verplichting tot betaling ter ontneming van w.v.v. zal opleggen. Rb had niet mogen vooruitlopen op mogelijke uitkomst strafzaak

Hoge Raad 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:139

De Rechtbank heeft het namens de klagers ingediende klaagschrift, strekkende tot gedeeltelijke opheffing van de op de voet van art. 94a Sv gelegde conservatoire beslagen gegrond verklaard en de opheffing van de conservatoire beslagen gelast voor zover deze tezamen het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"3. Inhoudelijke beoordeling

Standpunt klagers

Namens klagers is aangevoerd dat ten laste van klagers verschillende beslagen zijn gelegd ten behoeve van verhaal van een ontnemingsvordering tegen klager sub 1 ([klager 1]). Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [klager 1] wordt blijkens de ontnemingsrapportage geschat op een bedrag van € 2.202.225,27 dat is samengesteld uit een bedrag van € 1.600.000 en een bedrag van € 602.225,27. In het in de onderliggende strafzaak door de rechtbank Haarlem gewezen vonnis van 27 januari 2012 is [klager 1] vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [A], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het thans in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000. Uit het arrest van het EHRM in de zaak Geerings tegen Nederland en het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2009 (LJN BG4270) volgt dat de onschuldpresumptie aan ontneming van voornoemd bedrag in de weg staat. Dit leidt er in de visie van klagers toe dat zich met betrekking tot het in de ontnemingsprocedure tegen klager sub 1 ([klager 1]) gevorderde bedrag van € 1.600.000 het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager sub 1 een verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De ten laste van klagers gelegde beslagen dienen dan ook beperkt te worden tot een bedrag van € 602.225,27. De in een kwestie als deze toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat mede in aanmerking nemend het summiere karakter van de beklagprocedure, de beklagrechter niet vooruit dient te lopen op de uitkomst van het in de hoofdzaak te geven oordeel nu het op dit moment absoluut niet hoogst onwaarschijnlijk is dat aan [klager 1] een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd. Klager sub 1 is immers bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 veroordeeld voor meerdere feiten waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld en vrijgesproken ter zake van de hem ten laste gelegde criminele organisatie [A], waarbij geldt dat het openbaar ministerie van deze uitspraak in hoger beroep is gegaan. Het beperkte toetsingskader van de onderhavige beklagprocedure staat volgens de officier van justitie niet toe dat een oordeel wordt gegeven over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

In het geval ervan moet worden uitgegaan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel "slechts" het bedrag betreft dat binnen [B] BV is verkregen, wijst de officier van justitie op het feit dat zij de raadsman van klager sub 1 bij email van 9 december 2013 heeft laten weten dat het voordeel binnen [B] BV in de ontnemingsrapportage te laag is berekend en dat de vordering - naar de rechtbank aanneemt bij gelegenheid van een volgende terechtzitting in de ontnemingsprocedure - zal worden verhoogd met een bedrag van € 226.890.

Onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 31 januari 2006, LJN AU4691 (het zogeheten Cumberbatch-arrest) stelt de officier van justitie zich voorts op het standpunt dat ook indien ervan uitgegaan zou moeten worden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de vrijspraak van de ten laste gelegde deelneming aan de criminele organisatie (voorlopig) geschat zou moeten worden op een bedrag van € 829.115,27, niet van belang is dat de totale waarde van de conservatoir in beslag genomen voorwerpen op een hoger bedrag wordt geschat. Het beslag dient immers tot het veiligstellen van het verhaal van een vordering.

De omstandigheid dat ook door andere schuldeisers, onder wie bijvoorbeeld de fiscus, beslag kan worden gelegd op het desbetreffende in beslag genomen voorwerp en dat de verkoopopbrengst van het voorwerp dan met andere beslagleggers moet worden gedeeld, is daarbij een niet te verwaarlozen aspect. Van disproportionaliteit is geen sprake, ook niet indien uitgegaan zou worden van alleen het voordeel dat binnen [B] BV is verkregen. In dat geval bedraagt de vordering immers ongeveer € 830.000 tegenover een geschatte waarde aan beslag van € 1,3 miljoen.

Oordeel rechtbank

Als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan, dat op rechtmatige wijze ten laste van klager sub 1 voorwerpen conservatoir in beslag zijn genomen en dat de beslagen nog voortduren.

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid Sv dient de rechter te onderzoeken:

a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Enerzijds is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de hiervoor weergegeven maatstaf niet - zonder meer - een (ambtshalve) onderzoek behelst naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag. Anderzijds heeft te gelden dat omstandigheden van het geval een dergelijk onderzoek kunnen rechtvaardigen. In dat verband acht de rechtbank het volgende van belang. In de bij deze rechtbank aanhangige ontnemingsprocedure heeft de rechtbank bij tussenbeslissing van 29 november 2013 onder meer het volgende overwogen:

Voor de rechtbank is uitgangspunt dat zij als ontnemingsrechter gebonden is aan haar oordeel in de hoofdzaak. Ook zonder nadere toelichting op dat vonnis is niet voor discussie vatbaar dat de rechtbank betrokkene heeft vrijgesproken van (onder meer) deelneming aan een van de twee ten laste gelegde criminele organisaties ([A]). De door de rechtbank gebezigde overwegingen hebben in overwegende mate betrekking op betalingen die betrokkene heeft ontvangen via zijn bedrijf [klaagster 2], betalingen die thans grondslag vormen voor de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betekenis van het arrest van het EHRM in de zaak Geerings tegen Nederland komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer, dat de rechter zich na een gegeven uitspraak niet meer mag uitlaten over mogelijke schuld van betrokkene, ook niet in het kader van een ontnemingsmaatregel, ook al valt deze sanctionering op zichzelf niet onder de beschermende werking van artikel 6 lid 2 EVRM. De vrijspraak in de hoofdzaak 'bindt' de rechter als hij moet oordelen in de ontnemingszaak die in verband staat met de hoofdzaak.

Deze uit het Geeringsarrest getrokken conclusie ziet op de situatie waarin een directe relatie bestaat tussen het feit waarvan werd vrijgesproken en de grondslag van de ontnemingsvordering.

In aanmerking nemend het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 in de strafzaak tegen klager sub 1, waarbij hij is vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [A], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000, is de rechtbank van oordeel dat zich hier het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte de verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het laten voortduren van het ten laste van klager gelegde beslag, voor zover dit het bedrag van € 829.115,27 te boven gaat bovenmatig en disproportioneel. De omstandigheid dat aan beslagen als de onderhavige inherent is dat de betrokkene in zijn bestedingsmogelijkheden en eigendomsrechten wordt beperkt en dus in zijn belangen wordt geschaad, betekent niet dat geen belangenafweging behoeft plaats te vinden: met een beslaglegging tot voormeld bedrag wordt in voldoende mate rekening gehouden met het strafvorderlijk belang dat met het conservatoire beslag wordt gediend, namelijk het voorkomen dat wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd. In deze afweging kent de rechtbank bovendien enige betekenis toe aan de omstandigheid dat de gelegde beslagen, althans het overgrote gedeelte daarvan, reeds in 2008 zijn gelegd en tot op heden voortduren. Bij de bepaling van de hoogte van voormeld bedrag heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de officier van justitie bij gelegenheid van de behandeling in raadkamer een verhoging van de ontnemingsvordering heeft aangekondigd ten bedrage van € 226.890, betrekking hebbend op voordeel dat binnen [B] BV zou zijn genoten.

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het beklag gegrond moet worden verklaard voor zover dit de gestelde bovenmatigheid en disproportionaliteit van de gelegde beslagen betreft en het verzoek van klagers tot beperking van de gelegde beslagen moet worden toegewezen in zoverre dat de rechtbank zal gelasten dat de gelegde beslagen zullen worden opgeheven voor zover zij het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan."

Middel

Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager 1 een verplichting tot betaling van € 1.600.000,– ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Beoordeling Hoge Raad

Met toepassing van de juiste maatstaf bij de beoordeling van een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag, heeft de Rechtbank beoordeeld of zich hier het geval voordoet dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager 1 een verplichting tot betaling van een geldbedrag van € 1.600.000,– ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De Rechtbank heeft dat hoogst onwaarschijnlijk geacht. Aan dit oordeel heeft de Rechtbank in het bijzonder ten grondslag gelegd dat de klager voornoemd in de tegen hem gerichte strafzaak bij (niet onherroepelijk) vonnis van de Rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 (ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5210) is vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie A, waarbinnen de facturen van klaagster 2 de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000,–. De Rechtbank had bij haar oordeel evenwel niet mogen vooruitlopen op de mogelijke uitkomst van de strafzaak.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie na ovar & Scheepvaartverkeerswet

Hoge Raad 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:135

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 30 augustus 2013 het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 26 maart 2012, waarbij de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit is ontslagen van alle rechtsvervolging en wegens 3. overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 43, tweede lid, van de Mijnbouwwet is veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, met bepaling dat de geldboete in 10 tweemaandelijkse termijnen van elk € 100,- mag worden voldaan, bevestigd met aanvulling van gronden.

De advocaat-generaal bij het hof heeft beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat art. 2 Wet installaties Noordzee niet afdoet aan het oordeel dat een door een vreemd schip begane overtreding op het Nederlands deel van het Continentaal Plat niet strafbaar is.

Beoordeling Hoge Raad

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De verdachte heeft met zijn onder Duitse vlag varende en zeevarende vissersschip "[A]" een bijna-aanvaring gehad met een Nederlands boorplatform dat zich buiten de Nederlandse territoriale wateren bevond op het Nederlands deel van het Continentaal Plat.

De tenlastelegging is toegesneden op de overtreding van art. 20 en 31, zevende lid, Scheepvaartverkeerswet in verbinding met art. 1 en 5 Besluit en de voorschriften 2, 5, 6, 7 en/of 8 van het Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Trb. 1974, 51), hierna: het Verdrag.

Het middel berust op de opvatting dat, nu het feit zich heeft voorgedaan op het Nederlands deel van het Continentaal Plat op grond van het tweede lid van art. 1 van het Besluit toepassing kan worden gegeven aan de Wet Installaties Noordzee, ingevolge welke wet rechtsmacht bestaat voor strafbare feiten gepleegd op het Nederlands deel van het Continentaal Plat. Die opvatting is onjuist. De bepaling van rechtsmacht strekt zich slechts uit tot de overtreding van voorschriften die strafbaar zijn en naar uit het voorgaande volgt is daarvan voor een vreemd schip op dat deel van de volle zee geen sprake.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^