Oplichting: Samenweefsel van verdichtsels. HR herhaalt relevante overwegingen.

Hoge Raad 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:200

Eind 2005 doet verdachte aan de in Almere woonachtige betrokkene en haar partner, voor wie hij al sinds 1998 financiële zaken regelt, het voorstel een bedrag in een depot te storten ter aflossing van een tweetal levensverzekeringen die verdachte namens hen bij verzekeringsmaatschappij Stad Rotterdam Verzekeringen had afgesloten. Vervolgens vindt de overboeking plaats, naar een rekeningnummer dat op naam van een andere betrokkene en/of verdachte staat. Het bedrag wordt later ten behoeve van een hypothecaire lening van verdachte en zijn partner aan Fortis doorgestort.

Het Hof concludeert dat  door niet te vermelden dat het om zijn eigen rekeningnummer ging, verdachte het slachtoffer in de veronderstelling heeft gebracht dat het om het rekeningnummer van Stad Rotterdam Verzekeringen ging. Ook geldt dat het slachtoffer mede tot de afgifte is bewogen door de vertrouwenwekkende omstandigheid dat verdachte verzekeringsadviseur was.

Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 9 september 2013 de verdachte ter zake van onder meer oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren (feit 6, 7 en 8). Voorts heeft het hof gelast de ontzetting van de verdachte uit de uitoefening van het beroep van verzekerings- of hypotheekadviseur voor de duur van vijf jaren.

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het tweede middel klaagt dat het hof bij de bewijsvoering is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over het bestanddeel ‘samenweefsel van verdichtsels’ (art. 326 Sr), althans dat het bewijs van deze feiten niet kan volgen uit de bewijsmiddelen.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ten aanzien van elk van deze feiten telkens slechts sprake was van één enkele leugen of onjuiste mededeling. Voorts voert het middel aan dat de - door het hof van doorslaggevend belang geachte - vertrouwenwekkende omstandigheid dat de verdachte al lange tijd voor de benadeelden naar tevredenheid als verzekeringsadviseur optrad, op zichzelf geen verdichtsel is. Aan de voor strafbare oplichting vereiste pluraliteit van verdichtsels zou derhalve niet zijn voldaan, aldus begrijp ik het middel.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging onder 6, 7 en 8 is toegesneden op deze bepaling. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking "samenweefsel van verdichtsels" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan dezelfde in die bepaling voorkomende uitdrukking.

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. (Vgl. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BQ8600, NJ 2012/279)

Uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat het Hof bij zijn oordeel dat betrokkene 1, 2, 3 en 6 ieder voor zich, door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot afgifte van het in de onderscheiden bewezenverklaringen vermelde geldbedrag, heeft betrokken de vertrouwensrelatie waarin zij stonden tot de verdachte in zijn hoedanigheid van verzekeringsadviseur. De bewijsvoering houdt in dat verband in dat de verdachte telkens betrokken is geweest bij het concrete advies een beschikbaar komend geldbedrag door tussenkomst van hem of van het assurantiekantoor waaraan hij was verbonden, te benutten voor het afsluiten, aflossen of volstorten van een verzekeringspolis. Voorts volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte telkens specifieke mededelingen heeft gedaan over de wijze waarop de daarvoor benodigde betaling aan de verschillende verzekerings-maatschappijen zou moeten plaatsvinden, terwijl hij in werkelijkheid die betalingen voor zichzelf aanwendde. Ten slotte heeft het Hof in de context van de bewezenverklaring van (onder meer) feit 7 en feit 8 betekenis toegekend aan "het zichtbare gedragspatroon, waarin verdachte telkenmale onder valse voorwendselen bedragen leent of op rekeningen laat storten en deze geldbedragen vervolgens ten eigen nutte aanwendt". Mede gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld geeft het oordeel van het Hof ten aanzien van (telkens) de bewezenverklaring van een "samenweefsel van verdichtsels", waarin besloten ligt het oordeel dat telkens sprake is van meer dan een enkele leugenachtige mededeling, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF