HR: Het uitblijven van levering na betaling is geen verduistering

Hoge Raad 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3546

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 2 mei 2012 in hoger beroep bevestigd het vonnis van de Rechtbank Amsterdam waarin de verdachte is vrijgesproken van zowel 1.) oplichting als (alternatief) verduistering en 2.) witwassen.

Tegen dit arrest heeft namens het OM mr. R. Terpstra, advocaat-generaal bij het Gerechtshof Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.

Arrest hof

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank Amsterdam bevestigd waarbij de verdachte is vrijgesproken. De Rechtbank heeft die beslissing als volgt gemotiveerd:

"Het aan verdachte onder 1, eerste alternatief, gemaakte verwijt houdt kort gezegd in dat hij zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide ondernemer/internetwinkel, via een website goederen te koop heeft aangeboden en bestellingen en betalingen van de in de telastelegging genoemde personen heeft geaccepteerd, waardoor die personen zijn bewogen tot afgifte van die geldbedragen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij de start van zijn webwinkel in juli 2008 beoogde om daadwerkelijk de door zijn klanten bestelde goederen te leveren. Hij heeft zich onder eigen naam en adres doen inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Hij was echter niet in staat om de door die klanten bestelde producten van zijn leverancier af te nemen, omdat hij de door die klanten op voorhand betaalde geldbedragen moest aanwenden voor het aflossen van omvangrijke schulden. Deze schulden zouden geruime tijd voor de start van de webwinkel zijn ontstaan en zijn overgedragen aan deurwaarders aan wie hij de vorderingen vanaf juli 2008 heeft voldaan. Hij beschikte daarom over onvoldoende geld om goederen te bestellen bij zijn leverancier. Wanneer deze klanten door het uitblijven van de levering om restitutie vroegen, betaalde hij (een deel van hen) terug met de bedragen die hij van nieuwe klanten ontving, waardoor hij ten behoeve van die nieuwe klanten evenmin bestellingen bij zijn leverancier kon plaatsen. Volgens verdachte kwam hij in september 2008 tot het besef dat hij niet meer aan zijn verplichtingen kon voldoen.

Uit de stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat verdachte onmiddellijk na de start van zijn webwinkel in juli 2008 op grote voet is gaan leven. In juli heeft verdachte uitgaven gedaan bij De Efteling, Walibi World, het Circus en de Beekse Bergen, terwijl hij daarnaast bij diverse woon- en elektronicawinkels goederen voor zijn huis kocht ter waarde van ongeveer € 1.500,-. In totaal bedroegen zijn privé-uitgaven in de maand juli € 12.702,31. In augustus bedroegen de privé-uitgaven € 8.242,95. Tegenover deze uitgaven staan vrijwel geen corresponderende inkomsten van verdachte, anders dan de bedragen die op zijn rekening(en) waren gestort door zijn klanten. Niet is gebleken dat verdachte met de van zijn klanten ontvangen bedragen daadwerkelijk deurwaarders danwel langer lopende schulden heeft afbetaald. Op grond van de beschikbare stukken in het dossier is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust er voor heeft gekozen om het geld dat hij van zijn klanten heeft ontvangen (deels) voor eerdergenoemde privé-uitgaven aan te wenden, terwijl verdachte deze bedragen ook had kunnen aanwenden voor het plaatsen van bestellingen bij zijn leverancier. Verdachte is doorgegaan met het accepteren van betalingen van klanten ook toen hij volgens zijn eigen verklaring besefte dat hij niet aan zijn verplichtingen kon voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte aldus te kwader trouw gehandeld.

Deze - mogelijkerwijs civielrechtelijk als moedwillige wanprestatie te bestempelen - wijze van zaken doen betekent echter in strafrechtelijke zin nog niet dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting zoals telastegelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat verdachte door middel van listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels de klanten heeft bewogen tot het overmaken van de geldbedragen. Voor het aannemen van de valse hoedanigheid van bonafide ondernemer en/of internetwinkel bestaan weliswaar aanwijzingen, maar het concrete bewijs daarvoor ontbreekt.

De rechtbank overweegt in dat verband het volgende. Niet elke vorm van bewust oneerlijk zakendoen levert het in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf 'oplichting' op. Dat geldt eveneens wanneer kan worden bewezen dat men is benadeeld door een persoon die niet van plan of in staat was zijn verplichting na te komen en die zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een bonafide (ver)koper. Die enkele omstandigheid is volgens vaste rechtspraak onvoldoende om 'het aannemen van een valse hoedanigheid van bonafide (ver)koper' op te leveren (zie o.m. HR 15 december 1998, LJN: ZD1177 en HR 13 november 2001, LJN: AD4320).

De bescherming van het in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf oplichting is blijkens de wetsgeschiedenis beperkt omdat van de deelnemers aan het handelsverkeer wordt gevergd dat zij zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van overeenkomsten en zij de daaraan verbonden risico's in beginsel dienen te aanvaarden. Consumenten van webwinkels zijn, ondanks de beperkte reikwijdte van artikel 326 Sr, niet weerloos. Zij kunnen immers het risico op moedwillige wanprestatie afwenden door hun aankoop te doen bij een (web)winkel waarvan de betrouwbaarheid is gebleken en/of die de mogelijkheid biedt tot betaling bij levering of op een later tijdstip. Als zij niettemin bereid zijn om vooraf te betalen, kunnen zij in geval van het uitblijven van de levering de verkoper tot nakoming aanmanen en/of een schadevergoeding vorderen, wanneer diens (adres)gegevens, zoals in het geval van verdachte, bekend zijn.

Nu niet is komen vast te staan dat verdachte meer heeft gedaan dan te kwader trouw betalingen te ontvangen van klanten, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank volgens de in de aangehaalde jurisprudentie gehanteerde criteria, geen sprake van het bewegen tot afgifte van geld door het aannemen van een valse hoedanigheid. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 1, eerste deel, telastegelegde.

(...)

Onder 1 is voorts telastegelegd dat verdachte een geldbedrag van in totaal (ongeveer) € 51.000,- toebehorende aan de in de telastelegging vermelde personen heeft verduisterd.

De rechtbank overweegt het volgende. Het bedrag van € 51.000,- is het totaalbedrag van betalingen die de in de telastelegging vermelde personen aan verdachte hebben verricht. Deze betalingen vloeiden telkens voort uit een tussen deze personen en verdachte tot stand gekomen koopovereenkomst, waarbij verdachte zich tegen betaling van de overeengekomen prijs verplichtte tot levering van de bestelde computer-, audio- en videoapparatuur. Door de girale betaling van de prijs zijn de betreffende geldbedragen telkens onderdeel geworden van het vermogen van verdachte. Om die reden kan niet worden bewezen dat die geldbedragen nog aan de genoemde personen toebehoorden. De omstandigheid dat verdachte niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting tot levering, maakt dit niet anders. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken."

De bestreden uitspraak houdt voorts als overwegingen van het Hof het volgende in:

"De advocaat-generaal heeft zich, kort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld, dat de verdachte zich valselijk heeft voorgedaan als bonafide internetondernemer en in die hoedanigheid zijn klanten heeft bewogen tot het afgeven van geldbedragen. De advocaat-generaal heeft voorts aangevoerd, dat naast het zich valselijk voordoen als bonafide ondernemer, bovendien sprake is van het bedrieglijk gebruik van een maatschappelijk verwachtingspatroon, hetgeen tezamen en in onderling verband beschouwd voldoende is voor een veroordeling voor oplichting.

De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd - samengevat - dat de verdachte een façade in het leven heeft geroepen door het maken van een website, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, het te woord staan van klanten per telefoon en email, het gebruik maken van algemene voorwaarden en het zich als ZZP-er laten registreren bij de Belastingdienst, terwijl de verdachte nooit de bedoeling heeft gehad om de afspraken met zijn klanten na te komen door de bestelde (en betaalde) goederen af te leveren. De advocaat-generaal heeft er daarbij op gewezen dat bij de verdachte geen boekhouding en facturen zijn aangetroffen, dat geen omzetbelasting is afgedragen, dat verdachte geen personeel en geen bedrijfsruimte had en dat hij maar één leverancier had (PIXmania.com) waardoor hij per definitie niet zou hebben kunnen verdienen aan de verkopen aan zijn klanten.

Het hof is van oordeel, dat de door de advocaat-generaal ingeroepen omstandigheden er weliswaar op kunnen wijzen, dat de verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als bonafide internetverkoper, maar dat hiermee nog geen sprake is van oplichting in de zin van art. 326 Sr. Anders dan kennelijk de advocaat-generaal, oordeelt het hof dat de verdachte door het opzetten van een op internet bonafide ogende onderneming (die vervolgens zijn verplichtingen niet kon nakomen) niet een zodanig vaste en vertrouwenwekkende functie of rol heeft gecreëerd, dat kopers daar in het maatschappelijk verkeer te allen tijde en zonder meer op af konden gaan.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel, dat noch uit het ter terechtzitting aangevoerde, noch uit het dossier naar voren is gekomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde strafrechtelijke oplichting."

Eerste middel

Het middel klaagt dat aan de vrijspraak van de aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde oplichting een onjuiste rechtsopvatting omtrent 'het aannemen van een valse hoedanigheid' ten grondslag ligt, althans dat het Hof die beslissing onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de verdachte via een website goederen te koop aanbood en bestellingen en betalingen van kopers accepteerde in het besef dat hij niet (langer) aan zijn leverings- of restitutieverplichtingen kon voldoen, niet kan worden aangemerkt als het aannemen van een valse hoedanigheid als bedoeld in art. 326 Sr van, in dit geval, een bonafide internetondernemer. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de door de Advocaat-Generaal bij het Hof aangevoerde omstandigheden in het onderhavige geval niet leiden tot een ander oordeel. Dat oordeel is, in aanmerking genomen dat het zozeer is verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Tweede middel

Het middel klaagt dat aan de vrijspraak van de aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde verduistering een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag ligt.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat de geldbedragen die door de kopers zijn overgemaakt aan de verdachte na ontvangst daarvan niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening door de verdachte vatbaar waren. Dat oordeel berust kennelijk op de opvatting dat in de enkele omstandigheid dat degene die krachtens overeenkomst een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen (vervolgens) nalaat de door hem verschuldigde tegenprestatie te leveren, nog geen reden is te vinden om af te wijken van de uit het burgerlijk recht voortvloeiende regel dat de ontvangen koopsom na het effectueren van die betaling tot het vermogen van de (nalatige) verkoper is gaan behoren. Die opvatting is juist (vgl. HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8280, NJ 2013/14).

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht bijstandsfraude

Hoge Raad 3 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3489

De verdachte is bij vonnis van 29 mei 2013 door de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wegens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 10 augustus 2004 tot en met 1 november 2007 en 28 maart 2008 tot en met 2 juni 2008 en 16 september 2008 tot en met 2 november 2011, te IJsselstein, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [betrokkene], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet werk en bijstand, door middel van het niet voldoen aan de inlichtingenverplichtingen, uit hoofde van de Wet werk en bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte."

Met betrekking tot de bewijsvoering houdt het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank het volgende in:

"4.3.1 De bewijsmiddelen

[betrokkene] heeft in de volgende periodes een uitkering ingevolge de Wet Werk en bijstand(hierna: WWB) ontvangen van de gemeente IJsselstein:

  • 10 augustus 2004 tot en met 1 november 10 mei 2007;
  • 28 maart 2008 tot en met 2 juni 2008;
  • 16 september 2008 tot en met 2 november 2011.

In de brief waarin de gemeente IJsselstein [betrokkene] met ingang van 10 augustus 2004 een WWB-uitkering heeft toegekend staat vermeld dat zij verplicht is direct alles te melden wat van invloed kan zijn op haar uitkering. Tot deze verplichtingen worden gerekend wijzigingen in de gezinssituatie en de financiële situatie.

In de brieven waarin de gemeente IJsselstein [betrokkene] met ingang van 28 maart 2008 en met ingang van 16 september 2008 een WWB-uitkering heeft toegekend staat eveneens vermeld dat zij verplicht is direct alles te melden wat van invloed kan zijn op haar uitkering.

[betrokkene] staat sinds 28 mei 2004 ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [a-straat] in IJsselstein.

Gedurende de periode van augustus 2004 tot en met december 2005 heeft [betrokkene] op de rechtmatigheidsformulieren Abw/WWB van de gemeente IJsselstein ingevuld dat haar echtgenoot in hoofdzaak niet op haar adres aan de [a-straat] te IJsselstein verbleef.

In de periode van februari 2006 tot en met 30 november 2007 heeft [betrokkene] op mutatieformulieren van de gemeente IJsselstein ingevuld dat de woon/gezinssituatie niet was gewijzigd.

In de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 november 2011 heeft [betrokkene] op de mutatieformulieren van de gemeente IJsselstein ingevuld dat er geen wijzigingen haar persoonlijke omstandigheden waren opgetreden, noch in de persoonlijke omstandigheden van haar partner.

[betrokkene] heeft op al voormelde formulieren telkens ingevuld dat haar vermogen niet is toegenomen.

De motorvoertuigen met de volgende kentekens hebben op naam van [betrokkene] gestaan:

  • [001] in de periode van 17-03-2004 tot en met 09-12-2004;
  • [002] in de periode van 03-02-2005 tot en met 04-05-2005;
  • [003] in de periode van 15-09-2005 tot en met 11-11-2005;
  • [004] in de periode van 12-04-2007 tot en met 19-07-2007;
  • [005] in de periode van 29-05-2007 tot en met 30-07-2007;
  • [006] in de periode van 22-08-2007 tot en met 07-02-2008;
  • [007] in de periode van 09-11-1987 tot en met 14-12-2008;
  • [008] in de periode van 05-03-2009 tot en met 02-12-20109.

[betrokkene] heeft op 2 november 2011 tegenover de sociale recherche verklaard dat [verdachte] nooit helemaal bij haar is weggegaan en dat hij bij haar sliep. [verdachte] ging de afgelopen zeven jaar naar een andere vrouw maar sliep meestal bij [betrokkene]. Hij was bij [betrokkene] om te helpen met de kinderen. [verdachte] was het grootste gedeelte van de week bij [betrokkene]. De post en boetes werden op het adres van [betrokkene] bezorgd. De kleding van [verdachte] lag in haar woning en zij deed de was voor hem. [verdachte] had een sleutel van de woning van [betrokkene]. [betrokkene] heeft elke maand gemeentebriefjes ingevuld. Zij werd hierbij soms geholpen door de sociale dienst. Daarbij werd het formulier voorgelezen.

[betrokkene] had de auto met kenteken [001] toen ze een bijstandsuitkering ontving. De auto's met de kentekens [002], [003], [004], [006] heeft [betrokkene] gekocht. De auto met het kenteken [008] heeft ze van [verdachte] gekregen. [verdachte] woonde in mei 2007 bij [betrokkene].

[verdachte] heeft op 2 november 2011 bij de sociale recherche verklaard dat hij bij [betrokkene] woonde. Vanaf 2006 was hij bij een andere vrouw maar ging hij tussendoor naar [betrokkene]. Hij zorgde ervoor dat [betrokkene] geld had. Hij betaalde alles voor haar en hun kinderen. Met de uitkering van [betrokkene] werden de huur en de vaste lasten betaald. [verdachte] deed dit al tien of vijftien jaar. [betrokkene] redde het financieel niet met haar uitkering. Er kwamen bekeuringen en ook andere post van [verdachte] op het adres van [betrokkene]. [verdachte] had een sleutel van de woning van [betrokkene]. Zijn kleding lag in de slaapkamer van die woning.

4.3.2

De bewijsoverwegingen

De rechtbank deelt de mening van de raadsman niet dat geen sprake van een duurzame gezamenlijke huishouding is geweest. De rechtbank heeft hierbij met name gelet op de verklaringen die [betrokkene] en [verdachte] bij de sociale recherche hebben afgelegd. [verdachte] sliep meestal bij [betrokkene] en had zijn kleding in de slaapkamer van de woning van [betrokkene] liggen. Hij had een sleutel van die woning. [verdachte] heeft bovendien verklaard dat de huur en vaste lasten van de uitkering van [betrokkene] werden betaald en dat [verdachte] verder alles voor haar en de kinderen betaalde. Gelet op laatstgenoemde verklaring verwerpt de rechtbank eveneens de stelling van de raadsman dat [verdachte] geen opzet heeft gehad op het voordeel trekken uit door uitkeringsfraude verkregen geld."

Middel

Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde opzettelijk voordeel trekken niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan niet volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit door misdrijf verkregen geld. Uit de bewijsvoering heeft het Hof weliswaar kunnen afleiden dat de verdachte en betrokkene in de tenlastegelegde periodes feitelijk samenwoonden in IJsselstein en dat de verdachte aldus gebruik maakte van het geld van betrokkene dat werd besteed aan dit huishouden, maar de bewijsvoering houdt niets in waaruit kan volgen dat de verdachte wist dat betrokkene niet had voldaan aan de inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Wet werk en bijstand, dat zij aldus onjuiste gegevens had verstrekt en op grond van die gegevens een uitkering had genoten en dat derhalve sprake was van geld dat door misdrijf was verkregen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Meer weten over de aanpak van uitkeringsfraude? Kom op 29 januari 2015 naar de Cursus Handhaving van Sociale Zekerheidsfraude. Tijdens deze cursus staan recente ontwikkelingen centraal en komende onder meer de bevoegdheden van de toezichthouders sociale zekerheidswetgeving en opsporingsambtenaren uitgebreid aan bod. 

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^

In de bewezenverklaring is geen delictsgedraging opgenomen en dus heeft het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als “schuldwitwassen"

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3477

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 6 december 2013 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wegens 1 subsidiair schuldwitwassen, meermalen gepleegd, 3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en 4. in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming.

Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

"zij op een tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot 20 augustus 2006 in de gemeente Enschede, een voorwerpen, te weten:

    • op 31 oktober 2007 in Enschede een geldbedrag van 1000 euro waarmee een auto van het merk KIA (ter waarde van ongeveer 15.000 euro) is aanbetaald en
    • op 25 maart 2008 in Enschede een geldbedrag waarmee televisies zijn betaald en
    • in de periode van 31 maart 2008 tot 10 april 2008 in Enschede een geldbedrag waarmee een wasmachine en strijkijzer zijn betaald en
    • in de periode van 1 januari 2006 tot 20 augustus 2008 in Enschede en/of elders in Nederland geldbedragen tot een totaal geldbedrag van 4457,35 euro boetes aan politie en/of justitie is/zijn betaald en
    • in de periode van 1 januari 2006 tot 20 augustus 2008 in Enschede enig geldbedrag waarmee een plafond in een woning is aanbetaald en/of afbetaald terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als "schuldwitwassen, meermalen gepleegd".

Beoordeling Hoge Raad

Het aan de verdachte onder 1 subsidiair tenlastegelegde is toegesneden op art. 420quater, eerste lid aanhef en onder b, Sr.

Het Hof - dat in de voor de bewezenverklaring gebruikte tekst van de tenlastelegging heeft doorgehaald de woorden "heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt", zodat in de bewezenverklaring geen delictsgedraging is opgenomen - heeft het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als "schuldwitwassen, meermalen gepleegd".

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Versnelde behandeling cassatieberoep FIOD-ambtenaren

De Hoge Raad heeft het verzoek van de staatssecretaris van Financiën om versnelde behandeling van het cassatieberoep van twee FIOD-ambtenaren ingewilligd. De twee FIOD-ambtenaren stelden beroep in cassatie in bij de Hoge Raad in de zaak waarin zij als getuigen zijn gehoord door de belastingkamer van het hof Arnhem-Leeuwarden. In die zaak weigerden deze ambtenaren de naam te noemen van een tipgever.

De uiterste datum voor het indienen van verweerschriften door de staatssecretaris en de belastingplichtige is vastgesteld op 14 januari 2015. De datum voor een eventueel pleidooi is vastgesteld op 4 februari 2015. Nog niet bekend is of partijen gebruik willen maken van de mogelijkheid van pleidooi. In belastingzaken vindt het pleidooi in beginsel plaats achter gesloten deuren. Dit betekent dat pers en belangstellenden de zitting niet kunnen bijwonen.

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijk in cassatie: HR leest kwalificatie als “overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 10.40 Wet milieubeheer” hetgeen een overtreding i.p.v. een misdrijf betreft

Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3476

Na terugwijzing door de Hoge Raad, is verdachte bij arrest van 15 oktober 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden schuldig bevonden aan de “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan”, maar is haar geen straf of maatregel opgelegd.

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij op 14 november 2006 in de gemeente Druten als een persoon, als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b van de Wet milieubeheer, opzettelijk, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten verontreinigde baggerslib (klasse 2), in ontvangst heeft genomen zonder dat haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b van voornoemde Wet werd verstrekt, aangezien de baggerslib werd aangevoerd met een duwbak, [A], met een daarbij behorende begeleidingsbrief die niet volledig conform voornoemd artikel was ingevuld aangezien de geschatte hoeveelheid van de lading ontbrak.”

Namens deze heeft mr. R. de Bree, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, waardoor de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9197 heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank Arnhem van 4 augustus 2009 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan". De  Hoge Raad leest: "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40 van de Wet milieubeheer" (een overtreding derhalve) strafbaar verklaard doch bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie AG: contrair

Het middel klaagt terecht dat uit deze bewijsvoering niet zonder meer volgt dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld en dat de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. De opname in de bewezenverklaring van het woord “opzettelijk” kan echter worden aangemerkt als een kennelijke misslag van het hof, die door de Hoge Raad kan worden hersteld door de bewezenverklaring - en de daarop gebaseerde kwalificatie - verbeterd te lezen. Nu de bewezenverklaring van de niet-opzettelijke delictvariant van art. 10.39, eerste lid, Wet Milieubeheer, die op grond van art. 2, eerste lid, Wet op de economische delicten moet worden aangemerkt als een overtreding, zonder meer toereikend is gemotiveerd en zeker gelet op het feit dat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd, heeft verdachte naar mijn oordeel na een verbeterde lezing geen belang meer bij vernietiging van het bestreden arrest.

Het middel is vruchteloos voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^