Hoge Raad omarmt ‘doel-middel benadering’ bij sanctionering van vormfouten

De Hoge Raad heeft in recente rechtspraak de zogenaamde ‘doel-middel benadering’ bij de sanctionering van vormfouten omarmd. Daarbij gaat het om de vraag welk doel de strafrechter met de opgelegde sanctie beoogt te bereiken en of die sanctie daartoe het effectieve middel is dat bovendien evenredig moet zijn ten opzichte van het beoogde doel. Op zichzelf een goed idee om het debat over vormfouten meer structuur te geven. Maar er kleven in de praktische toepassing ervan ook bezwaren aan. Uiteindelijk leidt deze theorie ertoe dat de rechter steeds minder ruimte krijgt om op vormfouten adequaat te reageren.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor veroorzaken dodelijk ongeval moet over: bewijsvoering hof ten aanzien van roekeloosheid schiet tekort

Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3045

De verdachte reed in 2008 een vrouw aan op de N2 in Maastricht op een oversteekplaats voor (brom-)fietsers. De vrouw overleed ruim 2 maanden later als gevolg van het door haar bij deze aanrijding opgelopen letsel. Het hof veroordeelde de verdachte voor roekeloos rijgedrag op basis van: te hard rijden, door rood licht rijden, rijden onder invloed van alcohol en met een belemmerd zicht de oversteekplaats op rijden tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met een bijzondere voorwaarde. Voorts heeft het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 3 jaren.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

"Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door het rijgedrag van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Het hof is van oordeel dat het geheel van de gedragingen van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos.

Van roekeloosheid is sprake bij zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen, waarbij op zeer licht-zinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het hof is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is geweest, omdat verdachte in aanzienlijke mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft over-schreden door met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur een oversteek-plaats voor (brom)fietsers te benaderen en toen hij dicht bij die oversteekplaats was zijn snelheid te verhogen tot ongeveer 90 kilometer per uur en vervolgens met on-verminderde snelheid die oversteekplaats op te rijden, dit terwijl:

  • verdachte ter plaatse bekend was en wist dat er aldaar een oversteekplaats voor (brom)fietsers was;
  • verdachte heeft gezien dat er op de rechter rijstrook een personenauto stil stond en zijn zicht op de oversteekplaats werd belemmerd door die personenauto;
  • het voor hem geldende verkeerslicht op rood stond;
  • verdachte onder invloed was van alcoholhoudende drank, immers hij had drie volle glazen Pasoa gedronken tijdens zijn bezoek aan een discotheek kort voorafgaand aan het ongeval. Dat het hof - nu het onderzoek naar het alcoholgehalte van de adem van verdachte niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels heeft plaatsgevonden- niet kan vaststellen hoe hoog het alcoholpromillage precies is geweest maakt dit niet anders. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte een beginnend bestuurder was.

Verdachte heeft door aldus te handelen onaanvaardbare risico's genomen."

Middel

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

Beoordeling Hoge Raad

Het tenlastegelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen (Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25).

In het licht van het voorgaande schiet de bewijsvoering van het Hof tekort. De door het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden - kort gezegd dat de verdachte, die ter plaatse bekend is, een oversteekplaats voor (brom)fietsers met een toenemende snelheid van uiteindelijk ongeveer 90 kilometer per uur is opgereden waar slechts 50 kilometer per uur was toegestaan, aldaar een van rechts komende bestuurster van een bromfiets heeft aangereden, terwijl zijn zicht op die oversteekplaats door een op de rechter rijstrook stilstaande personenauto werd belemmerd, het voor hem geldende verkeerslicht op rood stond en hij onder invloed was van alcoholhoudende drank - zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte zoals eveneens is tenlastegelegd "zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend" heeft gereden onder een van de in art. 175, derde lid, WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175, tweede lid, WVW 1994 heeft gereden.

Het middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR haalt streep door het vervolgen van Hawala-bankieren als witwassen

Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044

Feiten

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 15 februari 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden wegens 1 primair medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken en 3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De verdachte maakte deel uit van een groep personen die vanuit een wasserette in Amsterdam op grote schaal “ondergrondse” geldtransacties heeft uitgevoerd. Naast de verdachte behoorden onder meer medeverdachte 1 en medeverdachte 2 (de vennoten van de wasserette) en medeverdachte 3 (een werknemer van de wasserette) tot deze groep. De leden van de groep hebben stelselmatig grote contante geldbedragen geleverd aan derden, terwijl niet is gebleken dat door de personen die deze geldbedragen van hen ontvingen jegens hen tegenprestaties zijn verricht. De (in Pakistan geboren) verdachte en andere leden van de groep hebben telefonisch overleg met personen met een Pakistaans telefoonnummer over het leveren van geldbedragen aan derden. Bij de geldtransacties zijn zogenaamde “tokennummers” gebruikt als betalingsbewijzen. Deze wijze van geldlevering kan worden aangeduid als ‘hawala-bankieren’. Dit betreft een onder andere in de Pakistaanse gemeenschap gehanteerd systeem van ondergronds bankieren, dat wordt gebruikt voor het overdragen van geldbedragen tussen personen in Nederland en personen in het buitenland. Daarbij worden contante bedragen in een bepaalde valuta bij een buitenlandse ‘bankier’ ingeleverd teneinde in een andere valuta door een andere ‘bankier’ in een ander land aan de begunstigde te worden uitgekeerd. De inschuld die zodoende ontstaat bij de uitkerende ‘bankier’ wordt niet voldaan door fysiek transport van gelden, maar door onderlinge verrekening tussen de ‘bankiers’. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten opgetreden als een dergelijke ‘bankier’.

De rol van de verdachte bestond hieruit dat hij fungeerde als geldkoerier en in opdracht van medeverdachte 1 transacties verrichtte, terwijl hij voor medeverdachte 1 aanzienlijke geldbedragen in bewaring heeft gehad. De verdachte is vrijgesproken van het medeplegen van het opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam zijn door beroeps- of bedrijfsmatig voor derden geldtransacties uit te voeren (feit 2), aangezien de gedragingen van de verdachte hebben plaatsgevonden na 1 november 2009 en deze derhalve niet kunnen worden aangemerkt als geldtransacties in de zin van de Wet inzake de geldtransactiekantoren maar moeten worden beschouwd als een betaaldienst in de zin van de Wet op het financieel toezicht. Voorts is de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 1) en deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met witwassen (feit 3).

De raadsman heeft in hoger beroep betoogd dat de feiten 2 en 3 bewezen kunnen worden verklaard maar dat de verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het hof moet kritisch kijken naar de transacties waarbij geen geld in beslag is genomen. In die gevallen zijn er voor een bewezenverklaring aanvullende feiten en omstandigheden nodig. Bovendien wordt ondergronds bankieren in sommige culturen als “iets reguliers” gezien, aldus de raadsman.

Het hof heeft onder “nadere bewijsoverweging” onder meer het volgende overwogen:

“Bij zijn oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachten, in georganiseerd verband als ondergronds bankier hebben gefungeerd, heeft het hof allereerst acht geslagen op de verklaring van [betrokkene 1] van 25 maart 2011 (zaakdossier IA, rubriek 2, deel 1, p. 126-132). In deze verklaring geeft [betrokkene 1] in de kern een omschrijving van wat hiervoor als ondergronds bankieren is beschreven. Hij verklaart voorts dat hij in 2010 meerdere malen bij de wasserette in de [a-straat 1], waarvan [medeverdachte 2] 'chef’ was, is geweest met twee ondergrondse bankiers uit Pakistan, genaamd [betrokkene 2] en [betrokkene 2]. Deze [betrokkene 2] en [betrokkene 2] spraken bij deze bezoeken met [medeverdachte 2] of, in diens afwezigheid, met [medeverdachte 1]. Het doel van deze bezoeken was geld 'dealen', aldus [betrokkene 1] (p. 128, 129).

Voorts heeft het hof acht geslagen op twee geldtransacties waarbij leden van de bewezen verklaarde criminele organisatie betrokken waren en waarbij door de politie de geleverde geldbedragen zijn onderschept, te weten een (aan de verdachte ten laste gelegde) geldtransactie op 27 oktober 2010 en een transactie op 8 november 2010. Bij eerstgenoemde transactie is de verdachte rechtstreeks betrokken geweest. Bij de transactie op 8 november 2010 is dit niet het geval, maar hierbij is wel de medeverdachte (en lid van de bewezenverklaarde criminele organisatie) [medeverdachte 1] betrokken. Nu bij deze transactie een werkwijze met tokennummers (waarop het hof hierna nog ingaat) is gehanteerd, die ook door de verdachte is gehanteerd, acht het hof deze transactie niettemin redengevend. (…)

Van misdrijf afkomstig

Zoals reeds overwogen, heeft de verdachte, tezamen met zijn medeverdachten, stelselmatig geldtransacties verricht, in die zin dat in samenspraak met personen in het buitenland die kunnen worden aangemerkt ondergronds bankiers aldaar, door hen (onder meer) de onder 1 bewezen verklaarde geldbedragen in Nederland werden verstrekt aan derden, zonder dat deze derden jegens de verdachte en zijn medeverdachten tegenprestaties verrichtten in relatie tot deze bedragen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben naar 's hofs oordeel aldus opzettelijk zonder vergunning het bedrijf van betalingsdienstverlener uitgeoefend, hetgeen een misdrijf oplevert. De geldbedragen die de verdachte en zijn medeverdachten in het kader van dit uitoefenen hebben verworven, voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen zijn daarmee van misdrijf afkomstig.

Overigens aangetroffen geld

In de woning van de verdachte zijn verschillende contante geldbedragen van in totaal € 94.900,00 aangetroffen. Gelet op de hoogte van dit geldbedrag, en de vele geldtransacties waarbij de verdachte betrokken is geweest, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte deze geldbedragen voorhanden heeft gehad in de uitoefening van ondergronds bankieren.

Criminele organisatie

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en de overige in de bewezenverklaring genoemde personen - zich centrerend rond de wasserette aan de [a-straat 1] te Amsterdam -, gericht op het (gewoonte)witwassen van geldbedragen, en dat de verdachte daaraan opzettelijk heeft bijgedragen. In voornoemde wasserette is een contant geldbedrag van € 50.000,00 aangetroffen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren beiden vennoten van voornoemde wasserette en kunnen, tezamen met [medeverdachte 3] (gewezen werknemer van de wasserette en schoonzoon van [medeverdachte 2]), worden beschouwd als bestuurders van de organisatie. Met name deze personen hadden contact met Pakistaanse bankiers en stuurden geldkoeriers als de verdachte aan. In de woning van [medeverdachte 1] is voorts een contant geldbedrag van € 100.000,00 aangetroffen. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] waren in de wasserette werkzaam. Zij hadden een ondergeschikte rol binnen de organisatie. [medeverdachte 5] hield in zijn woning administratie die zag op het ondergronds bankieren en [medeverdachte 6] had telefoons onder zich die daarbij gebruikt werden. Voorts heeft [medeverdachte 5] hand- en spandiensten verricht voor de organisatie en is in de woning van [medeverdachte 6] is een groot contant geldbedrag aangetroffen. [medeverdachte 4], eveneens voormalig werknemer van de wasserette, heeft een telefoon en administratie die verband hielden met het ondergronds bankieren in zijn woning gehouden. De deelneming van de verdachte bij de criminele organisatie heeft bestaan uit zijn betrokkenheid bij de onder feit 1 bewezen verklaarde transacties, en voorts is, zoals gezegd, in zijn woning een contant geldbedrag van € 94.900,00 aangetroffen.”

Voorts heeft het hof onder “strafbaarheid van het bewezen verklaarde” het volgende overwogen:

“Ten aanzien van het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van (in totaal) € 94.900,00, overweegt het hof nog als volgt. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg omtrent dit bedrag verklaard dat hij het geld van [medeverdachte 1] heeft gekregen. Mede gelet op de hiervoor geduide rolverdeling binnen de criminele organisatie, waarbij [medeverdachte 1] als bestuurder wordt aangemerkt, is aan te nemen dat dit geldbedrag door [medeverdachte 1] aan de verdachte in bewaring is geven teneinde deze weg te houden uit de wasserette in de [a-straat 1] van waaruit hoofdzakelijk de betalingsdiensten werden uitgevoerd, zodat een verband tussen de geldbedragen en deze diensten werd verhuld. De verdachte heeft door het voorhanden hebben van deze geldbedragen zodoende de misdadige herkomst daarvan verhuld. In zoverre kan dit handelen van de verdachte dan ook worden aangemerkt als strekkende tot uitvoering van het hem ten laste gelegde gewoontewitwassen.

Er is, mede hierop gelet, geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”

Het beroep in cassatie is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.S. Nan bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als witwassen.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de geldbedragen die verdachte en zijn mededaders in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder vergunning hebben verworven en/of voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen "daarmee" van misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestandsdelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf" in de zin van de art. 420bis en 420quarter Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan, terwijl de bewezenverklaring kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot gelden.

Voor zover het middel hierover beoogt te klagen, is het terecht voorgesteld.

Conclusie AG: anders

De tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van art. 420bis Sr staan er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de verdachte die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp. Dit betekent niet dat elke gedraging die in art. 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de in die bepaling nader omschreven kwalificatie witwassen rechtvaardigt. Indien vaststaat dat het enkele verwerven en/of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zodanig geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat aannemelijk is dat de desbetreffende voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Voorts zien deze regels uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of het voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen bewezen is verklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op gevallen waarin het “overdragen”, het “gebruik maken” en/of het “omzetten” van zulke voorwerpen, in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr aan die begrippen toekomt, bewezen is verklaard. Niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat het “overdragen”, het “gebruik maken” of het “omzetten” van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Volgens de Hoge Raad moet immers worden voorkomen dat de hiervoor weergegeven regels worden omzeild enkel door het ten laste leggen en bewezen verklaren van een andere delictsgedraging dan “verwerven” of “voorhanden hebben”. In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als “witwassen”, er sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hiervoor omschreven zin.

In de hiervoor weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen, die de verdachte en zijn medeverdachten hebben verworven, voorhanden gehad en overgedragen, afkomstig zijn uit een door de verdachte en zijn medeverdachten zelf begaan misdrijf, te weten het opzettelijk zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. In hoger beroep is door of namens de verdachte niet aangevoerd dat deze geldbedragen niet afkomstig zouden zijn van een misdrijf. De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2013 in dit verband slechts, zonder nadere onderbouwing, opgemerkt dat ondergronds bankieren in sommige culturen als “iets reguliers” wordt gezien. Nu het oordeel van het hof betreffende de herkomst van de geldbedragen door de steller van het middel in de onderhavige zaak niet wordt bestreden, dient er in cassatie van te worden uitgegaan dat de geldbedragen uit (eigen) misdrijf afkomstig zijn. De omstandigheid dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het medeplegen van het opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam zijn door beroeps- of bedrijfsmatig voor derden geldtransacties uit te voeren (feit 2), maakt dat niet anders.

Gelet op het ontbreken van een verweer in hoger beroep en een klacht in cassatie op dit punt, behoeft de vraag of ondergronds bankieren als zodanig meebrengt dat sprake is van het witwassen van de in dat verband verstrekte geldbedragen geen beantwoording. Ik merk hierover terzijde nog op dat deze vraag wel in de feitenrechtspraak aan de orde is gekomen. Voor een nadere uiteenzetting hieromtrent verwijs ik naar mijn conclusie in de zaak tegen de medeverdachte (nr. 13/02041).

Zoals blijkt uit de toelichting, steunt het middel in de eerste plaats op de opvatting dat de rechtspraak van de Hoge Raad inzake witwassen, zoals hiervoor is vooropgesteld, niet alleen geldt voor het “voorhanden hebben” en het “verwerven” van voorwerpen die afkomstig zijn van door de verdachte zelf begane misdrijven, maar ook dient te gelden voor het “overdragen” van die voorwerpen.

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, vindt deze opvatting evenwel geen steun in het recht. Daaruit volgt immers dat bedoelde regels van de Hoge Raad in beginsel geen betrekking hebben op een geval als het onderhavige, waarin (naast het “verwerven” en het “voorhanden hebben”) het “overdragen” van geldbedragen bewezen is verklaard. Bovendien is noch aangevoerd noch (anderszins) aannemelijk geworden dat er sprake zou zijn van een bijzonder geval zoals hiervoor bedoeld. Gelet op het voorgaande is het kennelijke oordeel van het hof, dat een dergelijk uitzonderingsgeval zich hier niet voordoet, niet onbegrijpelijk.

Voorts bevat het middel de klacht dat van het in de woning van de verdachte aangetroffen bedrag van in totaal € 94.900,- niet kan worden gezegd dat sprake is van het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst.

Deze klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte door het voorhanden hebben van het geldbedrag de misdadige herkomst daarvan heeft verhuld. Het hof heeft daartoe overwogen dat de medeverdachte 1 het geldbedrag aan de verdachte in bewaring heeft gegeven teneinde het geld weg te houden uit de wasserette, van waaruit de betaaldiensten werden uitgevoerd, zodat een verband tussen het geldbedrag en deze diensten werd verhuld.

Dit oordeel van het hof is niet begrijpelijk gemotiveerd. Uit de bewijsvoering kan ten aanzien van het voorhanden hebben van voornoemd geldbedrag in de woning van de verdachte niet worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag. De omstandigheid dat de medeverdachte 1 het geld aan de verdachte in bewaring heeft gegeven is daarvoor onvoldoende. Die gedraging brengt bijvoorbeeld niet mee dat het geldbedrag daarmee in het economische verkeer is gebracht. Het middel klaagt daarover terecht.

Op grond van het navolgende behoeft dit evenwel niet tot cassatie te leiden. De bewezenverklaring van feit 1 houdt niet alleen in dat de verdachte samen met anderen “een geldbedrag van 9.900,- euro en 5.000,- euro en 35.000,- euro en 45.000,- op 30 november 2010 (woning [verdachte])” (een totaalbedrag van € 94.900,-) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar ook dat hij dit geldbedrag samen met anderen heeft overgedragen. Bovendien heeft het hof bij de kwalificatie van feit 1 kennelijk geen zelfstandige betekenis toegekend aan het voorhanden hebben (en het verwerven) van het geldbedrag van € 94.900,-. Zoals hiervoor is uiteengezet, behoeft ten aanzien van een bewezenverklaring en kwalificatie als in de onderhavige zaak aan de orde uit de motivering van het hof niet te volgen dat er sprake is van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag gericht karakter heeft. Nu evenmin is aangevoerd dat zich hier een bijzonder geval voordoet, zoals hiervoor onder 17 bedoeld, kan het middel niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Voortzetting onderzoek ter terechtzitting na toewijzing van vordering wijziging tll zonder toestemming verdachte of uitdrukkelijk gemachtigd raadsman

Hoge Raad 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966

Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 6 november 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden voor 1 primair: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en 2: medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen,

Ter terechtzitting van het Hof heeft de Advocaat-Generaal op de voet van art. 313 Sv gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd in die zin dat deze zou komen te luiden:

"dat aan feit 1 na "dan wel een ontslagvergoeding," wordt toegevoegd "dan wel een werkeloosheidsuitkering," dat wordt toegevoegd als feit 2: hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2011 tot en met 15 september 2011 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of bedreiging met geweld [betrokkene] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, althans van enig goed, en tot het tenietdoen van een inschuld, te weten het accepteren van zijn ([betrokkene]'s) beëindiging dienstverband bij [A] en daarmee zijn rechten op salaris danwel een ontslagvergoeding dan wel een werkeloosheidsuitkering, welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het, - creëren van een situatie waarbij [betrokkene] alleen stond tegenover een (numerieke) overmacht van drie, althans een of meerdere perso(on)n(en), en/of - dwingen van [betrokkene] tot het ondertekenen van een, of meerdere document(en), en/of - een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), althans een hard voorwerp, op/tegen het gezicht en/of hoofd van [betrokkene] gedrukt/geduwd/gehouden, en/of - het (meermalen) [betrokkene] in/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd slaan."

Blijkens het proces-verbaal van de voormelde terechtzitting is namens de niet verschenen verdachte zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouwe ter terechtzitting aanwezig. Het proces-verbaal houdt in dat de raadsvrouwe in reactie op de vordering van de Advocaat-Generaal het volgende heeft opgemerkt:

"Inhoudelijk heb ik geen bezwaar tegen de wijziging tenlastelegging. Mijn cliënt is niet aanwezig dus ik kan de wijziging niet met hem bespreken. Met een beroep op artikel 314 van het Wetboek van Strafvordering vraag ik om de zaak aan te houden."

Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen en aan de raadsvrouwe van de verdachte een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde tenlastelegging ter hand gesteld. Het onderzoek is vervolgens aanstonds voortgezet. Het Hof heeft de beslissing tot toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging en tot voortzetting van het onderzoek als volgt gemotiveerd:

"Het hof wijst voorts de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toe. Aan de raadsvrouw wordt een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde tenlastelegging ter hand gesteld.

Het Hof vindt dat sprake is van een kleine wijziging, nu het hetzelfde feitencomplex betreft als de oorspronkelijke tenlastelegging, en is van oordeel dat de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad, temeer nu hij wordt vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw en zij kennis heeft genomen van de gewijzigde tenlastelegging.

Het onderzoek wordt aanstonds voortgezet."

Namens verdachte is cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof na toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging het onderzoek in strijd met art. 314, tweede lid, Sv aanstonds zonder toestemming van de uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouwe heeft voortgezet.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel stelt de vraag aan de orde of het de feitenrechter gelet op art. 314, tweede lid, Sv na wijziging van de tenlastelegging is toegestaan het onderzoek van de zaak zonder toestemming van de verdachte of diens uitdrukkelijk gemachtigd raadsman aanstonds voort te zetten op de in art. 314, eerste lid, tweede volzin, Sv genoemde grond.

Gelet op de tekst van de wet moet worden aangenomen dat het eerste lid van art. 314 Sv slechts betrekking heeft op de behandeling van de zaak bij verstek, terwijl het tweede lid ziet op de behandeling van de zaak op tegenspraak, met het gevolg dat de in de tweede volzin van het eerste lid omschreven maatstaf voor de te nemen beslissing niet van toepassing is bij een op grond van het tweede lid te nemen beslissing. Een andersluidende uitleg van de betrokken artikelleden valt niet te verenigen met de wetsgeschiedenis (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3, 3.4 en 3.6).

In het bijzonder valt daaruit af te leiden dat een voorstel tot wijziging van het tweede lid van art. 314 Sv, zodat het zou komen te luiden: "2. De rechtbank schorst het onderzoek, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte door voortzetting van het onderzoek, redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad", na een daartoe strekkend amendement van leden van de Tweede Kamer is ingetrokken. Bij de behandeling van een zaak op tegenspraak zal het onderzoek dus slechts aanstonds kunnen worden voortgezet indien de verdachte of zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman daartoe toestemming heeft gegeven.

In dit geval is sprake van een behandeling van de zaak op tegenspraak. De raadsvrouwe heeft geen toestemming als hiervoor bedoeld gegeven en om aanhouding van de zaak verzocht. Het oordeel van het Hof dat het onderzoek niettemin aanstonds kan worden voortgezet op de grond dat de verdachte door het achterwege laten van een kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad, is derhalve onjuist. De onder 2.5 geformuleerde vraag moet dan ook ontkennend worden beantwoord.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: Oordeel Hof dat voorhanden hebben van geldbedragen witwassen oplevert is ontoereikend gemotiveerd, aangezien niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan enkele voorhanden hebben van deze geldbedragen doordat de gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op daadwerkelijk verbergen/verhullen van criminele herkomst

Hoge Raad 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2971

Verzoeker is bij arrest van 22 maart 2012 door het Gerechtshof te Leeuwarden, nevenzittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens

  • 1. primair medeplegen van het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken,
  • 3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
  • 4. medeplegen van valsheid in geschrift en
  • 5. medeplegen van oplichting.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof zijn oordeel dat de bewezenverklaring met betrekking tot de in feit 1 genoemde voorwerpen witwassen oplevert, ontoereikend heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde het volgende overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat door verdachte en of de medeverdachten, zijn broers [verdachte] en [medeverdachte 1] over een lange periode en meerdere keren forse geldbedragen werden gestort of overgeboekt op rekeningen, terwijl de herkomst van die geldbedragen onverklaarbaar, niet traceerbaar en niet aannemelijk is geworden. In ieder geval ging het veelal om bedragen die volstrekt niet pasten bij de inkomenspositie van medeverdachte [medeverdachte 1]. Ook is geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] met regelmaat (hoge) - van verdachte afkomstige - bedragen stortte op zijn eigen RABO-bankrekening, waarna min of meer overeenkomstige bedragen werden doorgeboekt naar de rekening van [A]. Deze zaak stond vanaf 12 maart 2007 op naam van medeverdachte [verdachte]. Bovendien stortte medeverdachte [medeverdachte 1] in opdracht van verdachte ook al flinke sommen geld op de hierboven bedoelde rekening toen hij nog niet bij [A] werkte. Daarnaast hadden verdachte en zijn medeverdachten de beschikking over dure personenauto's, waarvan de aankoop kennelijk contant kon worden betaald. Verdachte zelf is accountant van beroep en was als het financiële brein nauw betrokken bij de financiële transacties, de aan- en verkoop van auto's die hebben plaatsgevonden en het financieel-administratief beheer van [A] en de Growshop. Uit dit samenstel van handelen blijkt volgens het hof van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken. Alhoewel verdachte diverse financiële stukken heeft aangeleverd hebben hij en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring kunnen geven voor de vermogenstransacties en voor de bij de doorzoeking aangetroffen gelden. Op geen wijze zijn de verklaringen van verdachte voor de herkomst van het geld aannemelijk geworden. Juist voor iemand met de specifieke kennis op financieel gebied als verdachte is de wijze waarop de financiële transacties werden verricht en flinke bedragen aan contante gelden werden gestort en weer werden opgenomen, thuis bewaard en weer werden uitgegeven, verre van gebruikelijk en begrijpelijk te noemen. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dat dit handelen voortvloeide uit de criminele activiteiten zoals onder feit 3 ten laste zijn gelegd en hierna bewezen zullen worden verklaard en dat aldus de gelden en goederen uit misdrijf verkregen waren."

Uit de bewijsvoering van het Hof vloeit rechtstreeks voort dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit door de verdachte zelf begane misdrijven.

Het Hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als medeplegen van het misdrijf: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Voor zover het middel opkomt tegen deze oordelen met betrekking tot de in de bewezenverklaring genoemde drie personenauto’s en het geldbedrag van €117.451,70 kan het middel niet tot cassatie leiden op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 25 en 26.

Het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van de geldbedragen van €20.000,- en €6.000,- witwassen oplevert is ontoereikend gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van deze geldbedragen doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan. Dat de genoemde geldbedragen, zoals uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, zijn aangetroffen in het huis van de verdachte in de binnenzak van een jas in de hal van de woning respectievelijk onder een kastje op de overloop, brengt niet mee dat de verdachte de criminele herkomst ervan heeft getracht te verbergen of te verhullen. Het middel slaagt in zoverre.

De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid de verdachte alsnog vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging. Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.

Conclusie AG

25. Ten aanzien van de drie personenauto’s kan uit de bewijsmiddelen (met name 2, 3 en 11), bezien in samenhang met ’s Hofs bewijsoverweging, worden afgeleid dat het Hof het oog heeft op het ‘omzetten’ in de zin van art. 420bis Sr. De uit eigen misdrijf verkregen inkomsten zijn voor een deel aangewend voor de aanschaf van twee BMW’s en een VW Passat. Aldus is dat deel van het misdaadgeld geïnvesteerd in de verkrijging van deze personenauto’s en is het uit de eigen criminele, onder feit 3 bewezenverklaarde, activiteiten verkregen voordeel belichaamd in de aanschaf van deze goederen. Dit is precies de omzettingshandeling waarop de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet tot ‘Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven’ doelde. Ik meen dat in deze omzetting het verbergend of verhullend karakter besloten ligt, waarbij ik ’s Hofs overweging in aanmerking neem dat verzoeker en zijn medeverdachten geen plausibele en aanvaardbare verklaring hebben kunnen geven voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld, en dat het Hof op dit onderdeel niet tot een nadere motivering gehouden was. In zoverre faalt het middel.

26. Met verwijzing naar hetgeen ik hierboven onder 19 heb opgemerkt, kom ik tot eenzelfde slotsom aangaande het in de bewezenverklaring van feit 1 primair genoemde geldbedrag van € 117.451,70. Ik begrijp de inhoud van de bewijsmiddelen in het licht van de bewijsoverweging van het Hof aldus, dat dit geldbedrag het totaal is dat verzoeker en zijn medeverdachten contant uit hun eigen drugshandel hebben verkregen en verbergend dan wel verhullend door stortingen op verschillende bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningnummers hebben overgedragen en/of omgezet. Daarbij neem ik in aanmerking dat het Hof op basis van de door hem gebezigde bewijsmiddelen in zijn bewijsoverweging niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat sprake was van (i) stortingen op bepaalde bankrekeningen en doorboekingen naar andere rekeningen zoals het rekeningnummer van [A], (ii) het op ongebruikelijke wijze flinke bedragen aan contante gelden storten en weer opnemen, thuis bewaren en weer uitgeven, en (iii) het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verzoeker en zijn medeverdachten voor de vermogenstransacties en de herkomst van het geld. Ook wat het totaalbedrag van € 117.451,70 betreft, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden en faalt het middel in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^