Hetzelfde feit: uitlokking van meineed d.m.v. bedreiging & uitlokking d.m.v. het verschaffen van gelegenheid. Conclusie AG anders.

Hoge Raad 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1686

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 13/413939-06 tenlastegelegd dat: "getuige op of omstreeks 15 augustus 2006 te Amsterdam ter terechtzitting van de politierechter als getuige in de zaak tegen verdachte (parketnummer 410057.06), nadat hij in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

  • de verklaring op papier die de raadsman van verdachte zojuist heeft overgelegd, klopt
  • Ik stond een paar meter van de taxi van verdachte. Ik zat aan de linkerkant van de taxi. Eventueel kan ik via mijn rittenstaat en werkmap aantonen dat ik daar toen was.
  • Ik heb een paar weken later van verdachte gehoord dat hij verdachte was in een strafzaak.
  • Ik weet niet meer wat voor weer het die avond was. Ik had een jas aan en het zal koud geweest zijn. Op de standplaats zien wij collega's en hebben er toen over gesproken. Ik weet niet meer welke kledij de klanten droegen, maar wel het om 3 personen ging.
  • Op vragen van de officier van justitie zeg ik dat ik niets heb gehoord en niet heb gezien dat iemand achter de taxi van verdachte heeft aangerend. Ik weet niet meer of mijn autoraam open stond. Het was op dat tijdstip donker. Ik stond tegenover het hotel op een paar meter afstand.
  • verdachte heeft mij niet eerder gevraagd om te getuigen en ik heb dat ook niet aangeboden
  • Ik heb op die avond zelf een paar minuten gesproken met verdachte, direct nadat hij met de klanten had afgerekend;
  • Ik stond met mijn auto achter de auto van verdachte,

welk feit hij, verdachte op of omstreeks 15 augustus 2006, opzettelijk heeft uitgelokt door een in artikel 47 eerste lid onder 2e van het Wetboek van strafrecht vermeld middel te weten bedreiging, welke bedreiging(en) bestond(en) uit het maken van zogenaamde fluisterbewegingen in de richting van getuige."

Ter terechtzitting van het Hof heeft de Advocaat-Generaal op de voet van art. 313 Sv gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd, in die zin dat deze zou komen te luiden dat:

"getuige op of omstreeks 15 augustus 2006 te Amsterdam ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank te Amsterdam, als getuige in de zaak tegen verdachte verdachte (parketnummer 13/410057-06), nadat hij in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, mondeling, persoonlijk, opzettelijk (een) valse verklaring(en) onder ede heeft afgelegd, immers heeft hij valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

  • "De verklaring op papier die de raadsman van verdachte zojuist heeft overgelegd, klopt", en/of
  • "Ik stond een paar meter van de taxi van verdachte. Ik zat aan de linkerkant van de taxi. Eventueel kan ik via mijn rittenstaat en werkmap aantonen dat ik daar toen was", en/of
  • "Ik heb een paar weken later van verdachte gehoord dat hij verdachte was in een strafzaak", en/of
  • "Ik weet niet meer wat voor weer het die avond was. Ik had een jas aan en het zal koud geweest zijn. Op de standplaats zien wij collega's en hebben er toen over gesproken. Ik weet niet meer welke kleding de klanten droegen, maar wel het om drie personen ging", en/of
  • "Op vragen van de officier van justitie zeg ik dat ik niets heb gehoord en niet heb gezien dat iemand achter de taxi van verdachte heeft aangerend. Ik weet niet meer of mijn autoraam open stond. Het was op dat tijdstip donker. Ik stond tegenover het hotel op een paar meter afstand", en/of
  • "verdachte heeft mij niet eerder gevraagd om te getuigen en ik heb dat ook niet aangeboden", en/of
  • "Ik heb op die avond zelf een paar minuten gesproken met verdachte, direct nadat hij met de klanten had afgerekend", en/of
  • "Ik stond met mijn auto achter de auto van verdachte. Wij stonden beiden/buiten tegenover het hotel",

welk feit hij, verdachte, op een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december 2005 tot en met 15 augustus 2006 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid, en/of (een) middel(en), en/of (een) inlichting(en) aan getuige, bestaande die opzettelijke uitlokking hierin, dat hij, verdachte

  • getuige heeft verteld waar de tegen hem, verdachte, aanhangige strafzaak over ging, en/of;
  • getuige heeft verteld wat deze (precies) (ten overstaan van de rechter) moest verklaren, en/of;
  • voor getuige een schriftelijke verklaring heeft opgesteld/heeft geschreven (die hij, getuige, moest ondertekenen en/of die verdachte (vervolgens) aan zijn advocaat en/of aan de rechter heeft overgelegd/laten overleggen." 

De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering van de advocaat-generaal af te wijzen:

"De handelingen die de advocaat-generaal voorstelt aan cliënt ten laste te leggen, betreffen een compleet ander feitencomplex - een compleet andere gedraging - dan de handelingen die in de originele tenlastelegging staan. (...)

Dit betreft een ander handelen, andere gedragingen, zonder verwantschap of zonder enige samenhang met het eerdere feitencomplex waarin cliënt werd verweten dreigende fluisterbewegingen te hebben gemaakt op het politiebureau. Er is sprake van een andere verwijtbaarheid: dreiging 'door fluisterbewegingen' is iets heel anders dan het verstrekken van informatie. Het gaat bovendien om een geheel ander tijdstip en een geheel andere plaats. Het eerdere verwijt had als tijdstip twee dagen na de aanhouding voor meineed op het politiebureau. De huidige tijdspanne bestrijkt een eerder gelegen en veel langere periode en de plaats is onbekend, maar in ieder geval niet het politiebureau.

De verdediging stelt dat de nieuw omschreven gedraging in de vordering wijziging tenlastelegging hierdoor een ander feit in de zin van art. 68 Sr betreft.

Ik vind hiervoor steun in het genoemde arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2009 (LJN: BG9179):

Na het uiteenzetten van het beslissingskader overweegt de Raad dat het oordeel van het hof dat sprake is van het zelfde feit niet zonder meer begrijpelijk is en wordt de zaak gecasseerd.

"2.7. Hof heeft in de hiervoor onder 2.5 weergegeven overweging niet duidelijk gemaakt of het van dat beslissingskader is uitgegaan. Bovendien is de overweging van het Hof dat "de gedragingen zoals omschreven in de vordering tot wijziging vallen binnen hetzelfde feitencomplex" als omschreven in de inleidende dagvaarding niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het in de inleidende dagvaarding onder 2 gaat om het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte, terwijl het in de gewijzigde tenlastelegging onder 2 b gaat om het verzuim aangifte te doen."

Ik verzoek u de vordering van de advocaat-generaal af te wijzen."

Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen: "Na beraadslaging deelt de voorzitter mede dat de gewijzigde tekst weliswaar een andere periode en plaats behelst, maar dat er niet een zodanig groot verschil is met de tekst van de huidige tenlastelegging dat er sprake is van een ander feit."

Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een voor- waardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf voor de duur van 60 uren wegens in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede uitlokken.

Middel

Het middel klaagt over de toewijzing door het Hof van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging.

De steller van het middel betoogt dat het hof een onjuist criterium heeft gehanteerd om te beoordelen of na wijziging van de tenlastelegging nog steeds sprake is van hetzelfde feit, omdat het niets heeft overwogen over de mate van verschil tussen de gedragingen wat betreft de aard en kennelijke strekking daarvan en het tijdstip waarop, de plaats waar en de omstan- digheden waaronder zij zijn verricht. Bovendien is het oordeel van het hof dat sprake is van hetzelfde feit onjuist, althans onbegrijpelijk, want de oor- spronkelijke tenlastelegging ziet op uitlokking door middel van bedreiging op 15 augustus 2006 en de gewijzigde tenlastelegging behelst uitlokking door middel van het verschaffen van gelegenheid, (een) middel(en) en/of inlichtingen in de periode van 23 december 2005 tot en met 15 augustus 2006 te Amsterdam. Daardoor zijn de aard, de kennelijke strekking, het tijdstip, de plaats en de omstandigheden van de gedragingen zodanig verschillend dat niet kan worden gesproken van hetzelfde feit.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit", dient de rechter in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delicts- omschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de om- standigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip "hetzelfde feit" vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. (Vgl. HR 1 februari 2011, LJN BM9102, NJ 2011/394).

De aan de verdachte verweten gedraging is in de tenlastelegging om- schreven als - kort gezegd - uitlokking van meineed door middel van bedreiging op 15 augustus 2006 kennelijk te Amsterdam, en in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging als uitlokking van diezelfde meineed door middel van het verschaffen van gelegenheid, (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) in de periode van 23 december 2005 tot en met 15 augustus 2006 te Amsterdam, althans in Nederland. Zowel de tenlaste- legging als de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is toegesneden op art. 47, eerste lid aanhef en onder 2°, in verbinding met art. 207 Sr.

In aanmerking genomen dat het gaat om uitlokking van dezelfde meineed en dat het verschil tussen de omschreven gedragingen wat betreft de aard en de strekking daarvan en de tijd waarop, de plaats waar en de omstan- digheden waaronder zij zijn verricht - alles bijeengenomen - van beperkte betekenis is, geeft het oordeel van het Hof dat door het toewijzen van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging sprake blijft van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt derhalve.

Conclusie AG Machielse: Contrair

In de oorspronkelijke tenlastelegging wordt de gedraging die verdachte zou hebben verricht om getuige uit te lokken meineed te plegen omschreven als een op een niet nader aangeduide plaats op 15 oktober 2006 gepleegde bedreiging door het maken van zogenaamde fluisterbewegingen in de richting van getuige. De vordering tot wijziging rept helemaal niet meer over bedreiging, maar omschrijft het gedrag van verdachte volledig anders namelijk als het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, gepleegd in de periode van 23 december 2005 tot en met 15 augustus 2006 te Amsterdam, althans in Nederland, doordat verdachte aan getuige zou hebben verteld waar verdachtes strafzaak over ging en wat getuige als getuige moest verklaren en verdachte voor getuige een (kennelijk onware) schriftelijke verklaring zou hebben opgesteld die deze heeft ondertekend en welke vervolgens aan verdachtes advocaat en/of de rechter is overgelegd.

Verdedigbaar is dat de juridische aard van de feiten van de oorspronkelijke tenlastelegging en die van de gewijzigde tenlastelegging zich niet van elkaar onderscheiden, zodat het voor de beoordeling of er nog sprake is van hetzelfde feit neerkomt op een vergelijking van de onderscheiden gedra- gingen van verdachte. Het hof heeft uitdrukkelijk geconstateerd dat de gewijzigde tekst een andere periode en plaats behelst. Het hof heeft niet uitdrukkelijk aandacht besteed aan het verschil tussen de onderscheiden ten laste gelegde gedragingen van verdachte, wat betreft de aard en strekking daarvan en de omstandigheden waaronder ze zijn verricht. Indien het hof ervan is uitgegaan dat deze factoren voor de beoordeling niet relevant zijn, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof van oordeel was dat er geen aanzienlijk verschil tussen de onderscheiden gedragingen bestond, gelet op alle omstandigheden die in de vergelijking moeten worden betrokken, is dat oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.

Dit betekent dat door de wijziging van de tenlastelegging niet langer sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr en dat het hof de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten onrechte heeft toegewezen. Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Eenvoudige bankbreuk: Falende middelen over grondslagverlating

Hoge Raad 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1685

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 8 oktober 2012

  • de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 4 en 6 tenlastegelegde,
  • de verdachte vrijgesproken van het onder 2, 3 en 5 (impliciet) primair tenlastegelegde en
  • de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wegens 5 (impliciet) subsidiair feitelijk leiding geven aan het aan de bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, te wijten zijn, dat de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek administratie is gevoerd, niet in ongeschonden staat worden tevoorschijn gebracht, begaan door een rechtspersoon.

Aan de verdachte is onder 5 tenlastegelegd dat:

"De Stichting [A] op een of meer tijdstippen in de periode van juni 2002 tot en met maart 2003, in ieder geval op of rond 9 augustus 2002 en/of 13 augustus 2002 en/of 16 augustus 2002 en/of 26 september 2002 (zijnde data van schriftelijke verzoeken curator om afgifte administratie) en/of 26 maart 2003 (mondeling verzoek curator om afgifte administratie) te Tiel en/of Zeewolde en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als bestuurder van een of meer rechtspers(o)on(en) te weten [B] BV, welke vennootschap bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem d.d. 24 juli 2002 in staat van faillissement is verklaard en/of [C] BV, welke vennootschap bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht d.d. 14 augustus 2002 in staat van faillissement is verklaard, (al dan niet) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15a, eerste lid van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of tevoorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevens- dragers, met name grootboeken en/of bankafschriften, in die artikelen bedoeld, aan welk(e) strafb(a)ar(e) feit(en) hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) feitelijk leiding heeft gegeven en/of opdracht toe heeft gegeven."

Het Hof heeft ten aanzien van de tenlastelegging het volgende overwogen:

"Het hof leidt, uit het bezigen van de woorden "(al dan niet)" af dat de steller van de tenlastelegging heeft beoogd ten laste te leggen (impliciet) primair:

  • het misdrijf van artikel 343, aanhef en onder 4° van het Wetboek van Strafrecht en (impliciet) subsidiair:
  • het misdrijf van artikel 342, aanhef en onder 3° van het Wetboek van Strafrecht."

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"De Stichting [A] op tijdstippen in de periode van juni 2002 tot en met maart 2003, te Tiel en/of Zeewolde als bestuurder van rechtspersonen, te weten [B] BV, welke vennootschap bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem d.d. 24 juli 2002 in staat van faillissement is verklaard en [C] BV, welke vennootschap bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht d.d. 14 augustus 2002 in staat van faillissement is verklaard, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het tevoorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevens- dragers, met name grootboeken en/of bankafschriften, bedoeld in artikel 10, eerste lid van Boek 2 Burgerlijk Wetboek, aan welk strafbaar feit hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven."

Het Hof heeft het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd: "feitelijk leiding geven aan het aan de bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, te wijten zijn, dat de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek administratie is gevoerd, niet in onge- schonden staat worden tevoorschijn gebracht, begaan door een rechts- persoon."

Middel

Het tweede middel klaagt dat het Hof bij de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde feit de grondslag van de tenlastelegging heeft ver- laten, door bewezen te verklaren dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het begaan door een rechtspersoon van het misdrijf van art. 342, aanhef en onder 3°, (oud) Sr, terwijl dit niet is tenlastegelegd.

Het derde middel klaagt dat het Hof het onder 5 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als het misdrijf van art. 342, aanhef en onder 3°, (oud) Sr, nu in de bewezenverklaring en in de tenlastelegging de be- standdelen "aan hem te wijten [zijn]" en "niet in ongeschonden staat tevoorschijn [brengen]" ontbreken.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de tenlastelegging aldus verstaan, dat daarin aan de verdachte primair wordt verweten dat hij eraan feitelijk leiding heeft gegeven dat de Stichting [A], als bestuurder van de in staat van faillissement verklaarde rechtsperso(o)n(en) [B] BV en/of [C] BV, "ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die rechtsperso(o)n(en)" niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen omschreven in de tenlastelegging en subsidiair, dat hij eraan feitelijk leiding heeft gegeven dat de Stichting [A], als bestuurder van de in staat van faillissement verklaarde rechtsper- so(o)n(en) [B] BV en/of [C] BV, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen omschreven in de tenlastelegging. Die uitleg is niet onver- enigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Van die uitleg uitgaande, heeft het Hof bij de bewezenverklaring de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

Klaarblijkelijk heeft het Hof de tenlastelegging voorts aldus verstaan dat de in art. 342, aanhef en onder 3°, (oud) Sr voorkomende termen "indien aan hem te wijten is, dat (...) boeken, bescheiden en andere gegevens (...) niet in ongeschonden staat worden tevoorschijn gebracht", daarin zijn omschreven met de woorden "niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het (...) tevoorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers". Uitgaande van die uitleg heeft het Hof te- recht geoordeeld dat het bewezenverklaarde het misdrijf van art. 342, aanhef en onder 3°, (oud) Sr, oplevert.

Beide middelen falen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende middelen over afstand aanwezigheidsrecht en afwijzing aanhoudingsverzoek

Hoge Raad 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 13 november 2012 verdachte wegens poging tot diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht dagen. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2012 houdt het volgende in:

"De verdachte, gedagvaard als:

verdachte

geboren op: geboortedatum 1967 te geboorteplaats,

adres: a-straat 1, woonplaats,

uit andere hoofde thans gedetineerd, in Huis van Bewaring De Weg te Amsterdam

is niet verschenen.

De voorzitter deelt mede dat de appèldagvaarding is uitgereikt aan het GBA-adres a-straat 1 te woonplaats aan een persoon, die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de appèldagvaarding in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen.

De voorzitter deelt mede dat de verdachte thans uit anderen hoofde is gedetineerd, in het Huis van Bewaring De Weg te Amsterdam en dat hij van de receptie van het hof heeft vernomen dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht bij de terechtzitting van heden aanwezig te zijn.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R. Pothast, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.

De raadsman verzoekt om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Hij deelt mee dat de verdachte sinds lange tijd cliënt is van zijn kantoor, maar dat zijn kantoor hem uit het oog heeft verloren. Een kantoorgenoot heeft gisteren pas contact gehad met de verdachte en volgens de raadsman wist de verdachte tot dan niet van de zitting af. Volgens de verdachte lopen er meer zaken tegen hem. De raadsman geeft in overweging deze zaak daarbij te voegen.

De raadsman zou gaarne de verdachte eerst nader spreken over het ten laste gelegde en over de eventuele straftoemeting.

De voorzitter deelt hierop mede dat hij op een redelijke termijn op een maandag de zaak zou kunnen behandelen. De raadsman deelt hierop mee dat hij niet weet of de verdachte dan nog is gedetineerd. De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter zitting opdat de advocaat-generaal hieromtrent inlichtingen kan inwinnen op de parketadministratie.

Na hervatting van het onderzoek deelt de advocaat-generaal mee dat hij niet heeft kunnen nagaan hoelang de verdachte nog gedetineerd zal zijn. De raadsman deelt hierop nog mee dat hij verrast was toen hij bij de receptie vandaag vernam dat de verdachte afstand had gedaan. Hij vernam dat dus pas toen hij zich aanmeldde voor de zitting van heden.

De raadsman doet een verzoek tot aanhouding van de zaak in het belang van voorbereiding van de verdediging.

Voorts deelt de raadsman mede niet op de hoogte te zijn van de recente justitiële documentatie. Hierop overhandigt de voorzitter een recent uittreksel uit de Justitiële Documentatie.

De voorzitter wijst, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, het verzoek tot aanhouding af, nu de verdachte mr. R. Pothast, uitdrukkelijk heeft gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen en hij van zijn aanwezigheidsrecht afstand heeft gedaan."

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een brief van 28 november 2013 van de Griffier van het Hof aan de Hoge Raad, inhoudende:

"Op 13 november 2012 heeft het gerechtshof te Amsterdam arrest gewezen (TEGENSPRAAK) in de zaak van – verdachte (parketnummer: 23-005516-11).

In deze zaak is in het proces-verbaal terechtzitting gerelateerd dat de voorzitter van de receptie had vernomen dat de verdachte afstand had gedaan van zijn recht bij de terechtzitting van 13 november 2012 aanwezig te zijn.

Bij de uitwerking bleek echter de afstandsverklaring niet in het dossier te zijn opgenomen. Helaas konden wij bij het Huis van Bewaring De Weg ook geen gegevens meer opvragen van deze verdachte want het dossier was reeds vernietigd aldaar. Ook onze bodedienst had geen beschikking meer over stukken uit die periode. Een en ander met de voorzitter besproken en besloten tot het schrijven van deze brief."

Middelen

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het tweede middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof, inhoudende dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, berust kennelijk op de enkele grond dat de voorzitter van de receptie van het Hof had vernomen dat de verdachte "afstand heeft gedaan van zijn recht bij de terechtzitting van heden aanwezig te zijn". Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dat oordeel niet begrijpelijk. Het eerste middel treft doel.

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294).

Uit 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl het ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Daarom is de afwijzing door het Hof van het verzoek ontoereikend gemotiveerd. Ook het tweede middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Afwijzing getuigenverzoek: De bepalingen art. 331 lid 1 jo. art. 328 Sv zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing

Hoge Raad 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1615

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 13 februari 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren wegens de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Mr. C.F. Korvinus heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

Tweede Middel

Het middel klaagt over 's Hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van betrokkene 1als getuige.

Beoordeling Hoge Raad

Het ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman overgenomen verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor het doen ondervragen van betrokkene 1 is een verzoek in de zin van art. 331, eerste lid, in verbinding met art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast.

Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over de motivering van de beslissing inzake een verzoek tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in:

"2.75. (...) In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. (...)

2.76. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) (...)

2.77. Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen van waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet horen onderscheidenlijk doen oproepen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst."

De raadsman heeft zich op de (vijfde) terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2013 slechts aangesloten bij het verzoek van de raadsman van medeverdachte medeverdachte om betrokkene 1als getuige te horen en heeft in dat kader met betrekking tot de identiteit van deze getuige aangevoerd dat er "nu concrete informatie is dat die 'Boyke' wel degelijk bestaat", zonder deze stelling nader te onderbouwen. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof met betrekking tot de afwijzing van het verzoek overwogen dat de raadsman niet heeft gemotiveerd dat en waarom de getuige van wie de oproeping wordt verzocht, de persoon zou zijn die door de verdachte in zijn verhoren als 'Boyke' is aangeduid. De afwijzing van dat verzoek is, mede gelet op het stadium waarin het verzoek is gedaan, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn hoger beroep. Verontschuldigbare termijnoverschrijding?

Hoge Raad 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1612

Verzoeker is bij arrest van 17 juni 2013 door het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden niet ontvankelijk-verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank te Leeuwarden van 8 mei 2012, waarbij verzoeker is veroordeeld tot 12 weken gevangenisstraf wegens

  1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; en
  2. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2013 heeft de verdachte aldaar het volgende verklaard:

"Het klopt dat de dagvaarding in eerste aanleg op 10 februari 2012 in persoon aan mij is uitgereikt. Ik was op 8 mei 2012 te laat bij de zitting van de politierechter. Ik was ongeveer 10 minuten te laat omdat ik in de file had gestaan. Ik heb mij meteen gemeld bij de bode. betrokkene was bij mij. Wij zijn samen met de auto gekomen. Hij is mijn begeleider van Zorggroep A. De bode liet mij de zittingszaal binnen. De politierechter zei toen tegen mij dat ik te laat was en dat ik wel weer kon vertrekken. De politierechter heeft mij wel gezegd wat zijn beslissing in mijn zaak was, namelijk 12 weken gevangenisstraf. Ik weet niet meer of hij heeft gezegd dat ik binnen 14 dagen hoger beroep kon instellen. Maar ik heb wel tegen hem gezegd dat ik hoger beroep wilde instellen. Ik weet niet wat de rechter daarop heeft gezegd.

Ik ben daarna wel even bij de balie geweest, maar ik heb daar niet geïnformeerd naar het instellen van hoger beroep."

Voorts heeft de raadsvrouwe blijkens voornoemd proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd:

"De dagvaarding in eerste aanleg is in persoon aan mijn cliënt betekend. Hij is bij verstek veroordeeld, omdat hij iets te laat in de zittingzaal was. Hij is wel in de zittingzaal geweest en heeft daar de uitspraak gehoord. Vervolgens heeft hij verklaard hoger beroep te willen instellen. De politierechter heeft hem niet verteld hoe hij dat moest doen. Na een paar weken heeft hij contact opgenomen met zijn advocaat. Toen bleek dat hij nog geen hoger beroep had ingesteld en te laat was.

Deze termijnoverschrijding is verontschuldigbaar. Hij had in eerste aanleg geen bijstand van een advocaat. Zie ook HR 12 oktober 2010, LJN BL7694 en HR 22 februari 2011, LJNB06742. De politierechter had mijn cliënt alsnog moeten wijzen op de mogelijkheid van hoger beroep. Het gaat om iemand zonder raadsman. Hij dacht dat hij hoger beroep had ingesteld. (...) Ik verzoek het hof mijn cliënt wel ontvankelijk te verklaren in hoger beroep."

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

Uit het dossier blijkt dat de dagvaarding voor de politierechter op 10 februari 2012 in persoon aan verdachte is uitgereikt.

Op het moment dat verdachte in de zittingzaal van de politierechter verschijnt (te laat) is er al een einduitspraak in zijn zaak gedaan. De politierechter heeft verdachte nog te woord gestaan en hem het vonnis meegedeeld, terwijl de politierechter dit niet had hoeven te doen.

Verdachte is naar eigen zeggen achteraf nog bij de balie van de rechtbank geweest, maar heeft niets gevraagd over het instellen van hoger beroep.

In de door verdachte bij de dagvaarding ontvangen toelichting op de dagvaarding staat echter hoe en wanneer het hoger beroep ingesteld moet worden. Dat verdachte die informatie kennelijk niet tot zich heeft genomen is voor eigen rekening en risico van verdachte. Er is geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.

Gelet op het voorgaande zal het hof verdachte niet ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep."

Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Leeuwarden van 8 mei 2012.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. (Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:- AO5706, NJ 2004/462)

Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsvrouwe van de verdachte een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in voormelde zin. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat - zoals het Hof heeft vastgesteld - de dagvaarding om ter terechtzitting van de Politierechter te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend, dat de verdachte aldaar niet is verschenen en dat de Politierechter de zaak vervolgens bij verstek heeft behandeld en de verdachte tot straf heeft veroordeeld. Dat de Politierechter de verdachte, nadat deze zich na afloop van de behandeling van zijn zaak in de zittingszaal had vervoegd, heeft geïnformeerd over de hem opgelegde straf, leidt niet tot een ander oordeel, ook niet indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat de verdachte in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een raadsman.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^