Hoge Raad over deelneming, artt. 47 t/m 51 Sr.

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 4 februari 2013 voor drugsdelicten (feiten 1, 2, 3 en 6) en misdrijven van de Wet Wapens en munitie (feiten 5 en 7) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Het Hof heeft onder 1 en 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij, op 16 juli 2009, te Naarden, tezamen en in vereniging met ander(en), opzettelijk heeft verkocht, in een pand gelegen aan de a-straat (nummer 9-11), een hoeveelheid van 2 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. hij, op 16 juli 2009, te Naarden, tezamen en in vereniging met ander(en), opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand gelegen aan de a-straat (nummer 9-11) een grote hoeveelheid van 12 kilogram hennep en in een pand gelegen aan de b-straat (nummer 27-13), een grote hoeveelheid van 1185 hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."

Met betrekking tot deze bewezenverklaring heeft het Hof in de bewijsoverweging in het bijzonder het volgende geoordeeld:

"Uit een en ander leidt het hof voor wat betreft de positie van verdachte af dat hij bij de handel in hennep een centrale positie had en dat hij over de gedragingen in dat kader vermocht te beschikken en dat hij blijkens de gang van zaken het plaatsvinden daarvan aanvaardde dan wel placht te aanvaarden. Onder bedoeld aanvaarden begrijpt het hof mede het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging (voetnoot 5: Vgl. HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 (IJzerdraad), HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003: AF7938 (Drijfmest) (in verband met daderschap rechtspersoon).

Hieruit volgt in de eerste plaats dat het hof feit 3 - kort gezegd de handel in de periode 2006 - 2009 - bewezen acht. De feiten 1 en 2 zien op gedragingen op 16 juli 2009. Er zijn weliswaar geen bewijsmiddelen waaruit blijkt van enige directe betrokkenheid van verdachte, hetzij als medepleger hetzij als pleger, op de dag van het feit zelf, nu verdachte niet aanwezig maar vanaf begin juli met vakantie was. De aanwezigheid van de hoeveelheden hennep en de hennepstekken behoorde evenwel gelet op de functie van verdachte binnen A, tot de gedragingen waarover verdachte vermocht te beschikken of deze al dan niet plaatsvonden en welker plaatsvinden hij blijkens de gang van zaken aanvaardde dan wel placht te aanvaarden. Hetzelfde geldt voor de verkoop van de twee kilo hennep door betrokkene op 16 juli 2009. betrokkene heeft bij zijn verhoor door de rechter-commissaris weliswaar verklaard dat hij alleen heeft gehandeld. Het hof acht dit op grond van het bovenstaande - hennepverkopen behoorden tot de gewone gang van zaken en verdachte functioneerde daarin als leidinggevende - echter niet aannemelijk. Nu niet gebleken is van instructies van verdachte dat er in de periode waarin hij met vakantie was geen (ver)kopen zouden plaatsvinden, heeft verdachte ook niet de zorg betracht die in redelijkheid kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de feiten. Dat geldt naar het oordeel van het hof op dezelfde gronden ook voor de in de zich in het pand van de A bevindende auto van betrokkene aangetroffen hoeveelheid. betrokkene was degene die op 16 juli 2009 de twee kilo hennep heeft verkocht."

Middel

De middelen klagen over de motivering van de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 wat betreft het medeplegen.

Beoordeling Hoge Raad

De art. 47 tot en met 51 Sr bieden - al dan niet in zogenoemd functionele vorm - diverse mogelijkheden om iemand onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. In geval van het medeplegen houden die voorwaarden vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen (vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481).

Uit de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden kan niet volgen dat de verdachte wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde opzettelijk verkopen van twee kilogram hennep en wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde opzettelijk aanwezig hebben van hennep zo nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedragingen. De door het Hof in dit verband in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden, welke er op neerkomen dat de verdachte gelet op zijn functie als bedrijfsleider binnen de growshop "A" over deze gedragingen "vermocht te beschikken of deze al dan niet plaatsvonden en welker plaatsvinden hij blijkens de gang van zaken aanvaardde dan wel placht te aanvaarden", welke omstandigheden eraan zouden kunnen bijdragen dat de verdachte als "functionele dader" van die gedragingen wordt aangemerkt, zijn onvoldoende om een dergelijke bewuste en nauwe samenwerking te kunnen aannemen. De bewezenverklaring is dus in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

Beide middelen zijn gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht witwassen

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1588

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 4 februari 2013 vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en voor 2 (schuldwitwassen, meermalen gepleegd) veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren.

Mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal bij het hof, heeft cassatie ingesteld, evenals mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, die dat namens verdachte heeft gedaan.

Middel

Het door verdachte ingestelde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen en overdragen van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, is de bewezenverklaring - mede in het licht van hetgeen de verdachte ter terechtzitting omtrent dat geld heeft verklaard - niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verschoningsrecht notaris: Indien een doorzoeking plaatsvindt op het kantoor van een notaris geschiedt aldaar de inbeslagneming van stukken op grond van het (voorlopig) oordeel van de r-c dat deze stukken kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566

De Rechtbank heeft het namens de klager ingediende klaagschrift, voor zover strekkende tot teruggave en een verbod tot kennisneming van de onder de klager inbeslaggenomen stukken ten aanzien waarvan door hem een beroep is gedaan op zijn verschoningsrecht, ongegrond verklaard.

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris de stukken niet had mogen inzien en inhoudelijk had mogen beoordelen. Enerzijds niet omdat zij de behandeling van het klaagschrift had moeten afwachten en anderzijds niet omdat zij haar oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden niet had mogen doen steunen op stukken die juist onder het verschoningsrecht vallen.

De rechtbank deelt deze opvatting niet.

Nog daargelaten dat (...) verzet geen rechtsregel zich tegen integrale kennisname door de rechter-commissaris van stukken die onder het verschoningsrecht vallen ter beoordeling van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Immers, deze beslissing is bij uitstek voorbehouden aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na het horen van de ringvoorzitter, wat in casu ook is gebeurd. Daarbij komt dat partijen hebben ingestemd met deze werkwijze.

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechter-commissaris dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden te laat is genomen.

De rechtbank deelt dit standpunt niet en overweegt hiertoe als volgt. Uit de wet noch uit de jurisprudentie volgt dat een dergelijke beslissing voorafgaand aan de doorzoeking dient plaats te vinden. Wel is deze beslissing redengevend voor de inbeslagneming. De rechtbank overweegt dat de rechter-commissaris de stukken met toestemming van klager heeft meegenomen van zijn kantoor. De rechtbank is zich bewust van het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2009 (LJN: BG6151), maar is van oordeel dat op deze wijze nog geen sprake is van inbeslagneming. Het besluit tot inbeslagname d.d. 28 juni 2012 is de formele beslissing tot inbeslagname. De rechter-commissaris heeft in dit besluit aangegeven welke stukken in beslag worden genomen en gemotiveerd op grond waarvan zij van oordeel is dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. De rechtbank acht dit een juiste gang van zaken.

De rechtbank is met de rechter-commissaris van oordeel dat in casu zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, als omschreven in haar beslissing van 28 juni 2012. Klager wordt verdacht van het medeplegen van valsheid in geschrifte in authentieke akten en nota's van afrekeningen, strafbaar gesteld in de artikelen 225 en 226 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betreft zeer ernstige strafbare feiten omdat het de kern van het werk van een notaris raakt. De maatschappelijke functie van de notaris brengt met zich dat in het maatschappelijk verkeer vertrouwd moet kunnen worden op de door hem opgestelde c.q. ondertekende stukken. Zou bewezen worden verklaard dat klager zich in het kader van de uitoefening van zijn ambt schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte door opzettelijk mee te werken aan een opzetje van zijn cliënt om een aanzienlijk belastingvoordeel te behalen dan zou dat ook ernstig afbreuk doen aan het ambt van notaris en de maatschappelijke functie van de notaris in het algemeen. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake van de verdenking van een zeer ernstig misdrijf, maar ook van uitzonderlijke omstandigheden, omdat in dit geval met de waarheidsvinding een groter belang is gediend, namelijk het maatschappelijk belang van de aan de notaris in het tweede lid van artikel 21 van de Wet op het notarisambt opgelegde plicht met het oog op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van de notaris moet kunnen worden gesteld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de waarheidsvinding wegens zeer uitzonderlijke omstandigheden dient te prevaleren boven het respecteren van de geheimhoudingsplicht van klager."

Middel

Het middel bevat onder meer de klacht dat bij de beoordeling of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding, inbreuk is gemaakt op het verschoningsrecht van de klager, zodat de beslissing van de Rechtbank niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Indien een doorzoeking plaatsvindt op het kantoor van een notaris geschiedt aldaar de inbeslagneming van stukken - ook indien de rechter-commissaris die stukken meeneemt naar zijn kantoor ter nadere beoordeling - op grond van het (voorlopig) oordeel van de rechter-commissaris dat deze stukken kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Ter beoordeling daarvan zal hij voor zover dat noodzakelijk is van de inhoud van die stukken moeten kunnen kennisnemen.

De verschoningsgerechtigde moet in staat worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen of inbeslaggenomen stukken. Diens standpunt dient te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het oordeel of dat laatste het geval is komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de Ringvoorzitter (of diens vervanger). Voor zover dat noodzakelijk is mag de rechter-commissaris ook daartoe van de inhoud van de stukken waarop het verschoningsrecht betrekking heeft, kennisnemen. De omstandigheid dat de rechter-commissaris ter beoordeling van de relevantie van de stukken voor de waarheidsvinding of ter beoordeling van het standpunt van de verschoningsgerechtigde kennisneemt van de stukken als hiervoor bedoeld, brengt dus niet mee dat sprake is van een inbreuk op het verschoningsrecht.

Opmerking verdient dat bij de beoordeling door de rechter-commissaris van de vraag of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat het verschoningsrecht moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding kennisneming van de inhoud van die stukken doorgaans niet vereist zal zijn nu het daarbij gaat om de beoordeling van omstandigheden die zich ongeacht de inhoud van de stukken voordoen.

De beslissing van de Rechtbank tot ongegrondverklaring van het klaagschrift is blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen niet gebaseerd op de inhoud van de stukken die onder het verschoningsrecht vallen, maar op het eigen oordeel van de Rechtbank dat op grond van zeer uitzonderlijke omstandigheden het verschoningsrecht op de stukken waarop het klaagschrift ziet, dient te wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel over dat oordeel klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep & Verschoonbare termijnoverschrijding

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1575

Feiten

Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 12 april 2012 hoger beroep ingesteld tegen het in deze zaak door de Politierechter in de Rechtbank Haarlem bij verstek gewezen vonnis van 24 februari 2012.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar verklaard dat hij, voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg, "de rechtbank (...) heeft gebeld en gezegd dat ik verhinderd was. Mij is toen verteld dat de behandeling toch door zou gaan".

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat, nu zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, de verdachte ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv binnen veertien dagen nadat het vonnis was gewezen het hoger beroep had moeten instellen, hetgeen hij heeft verzuimd.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat de verdachte - die aldaar was verschenen - heeft aangevoerd dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep verschoonbaar was.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te onderzoeken of de overschrijding door de verdachte van de wettelijke termijn voor het instellen van het hoger beroep verschoonbaar was.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel, dat berust op de opvatting dat het Hof gehouden was ambtshalve te onderzoeken of de overschrijding van die termijn verschoonbaar was, faalt omdat die opvatting geen steun vindt in het recht.

Opmerking verdient voorts het volgende. Voor zover het middel klaagt dat het Hof - gelet op de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte - gehouden was te onderzoeken of de zaak op de voet van art. 423 Sv naar de Politierechter moest worden teruggewezen, miskent het de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting. Immers, hier doet zich niet de situatie voor dat de verdachte bij het onderzoek ter terechtzitting niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996/557).

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verjaring & Wet voorkoming verontreiniging door schepen

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1578

Feiten

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte onder 2 tenlastegelegd dat: "hij op of omstreeks 21 december 2003, in elk geval in 2003, in de Nederlandse territoriale zee (op of nabij de positie(s) 53.12.6 NB 004.34 OL en/of 53.23.5 NB 004.45.6 OL), in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, vanaf een schip, genaamd A, een (grote) hoeveelheid schadelijke stof, te weten (een of meer container(s) en/of vat(en), inhoudende ongeveer 63000 kilogram) pesticide (aangeduid als UN 2902 Pesticide Liquid Toxic N.O.S., handelsnaam Celcure CCA Type C-72%, bestaande uit onder andere koper oxide en/of chroom trioxide en/of arseen pentoxide), in elk geval een schadelijke stof, in zee heeft geloosd in geen geval en/of op andere wijze dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur was vastgesteld;

2 subsidiair:

hij op of omstreeks 21 december 2003, in elk geval in 2003, in de Nederlandse territoriale zee (op of nabij de positie(s) 53.12.6 NB 004.34 OL en/of 53.23.5 NB 004.45.6 OL), in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, vanaf een schip, genaamd A, zonder ontheffing, een (grote) hoeveelheid schadelijke stof, te weten (een of meer container(s) en/of vat(en), inhoudende ongeveer 63000 kilogram) pesticide (aangeduid als UN 2902 Pesticide Liquid Toxic N.O.S., handelsnaam Celcure CCA Type C-72%, bestaande uit onder andere koper oxide en/of chroom trioxide en/of arseen pentoxide), in elk geval een afvalstof en/of verontreinigende en/of schadelijke stof heeft geloosd;

2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 21 december 2003, in elk geval in 2003, in de Nederlandse territoriale zee (op of nabij de positie(s) 53.12.6 NB 004.34 OL en/of 53.23.5 NB 004.45.6 OL), in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder vergunning, vanaf een schip, genaamd A, een (grote) hoeveelheid schadelijke stof, te weten (een of meer container(s) en/of vat(en), inhoudende ongeveer 63000 kilogram) pesticide (aangeduid als UN 2902 Pesticide Liquid Toxic N.O.S., handelsnaam Celcure CCA Type C- 72%, bestaande uit onder andere koper oxide en/of chroom trioxide en/of arseen pentoxide), in elk geval een afvalstof en/of verontreinigende en/of schadelijke stof in het water van de Noordzee, in elk geval in enig oppervlaktewater heeft geloosd, in elk geval heeft gebracht, op andere wijze dan met behulp van een werk."

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde misdrijf en is het beroep in cassatie niet gericht tegen deze vrijspraak.

Het Hof heeft hetgeen overigens onder 2 primair is tenlastegelegd en in art. 2, tweede lid, (oud) in verbinding met art. 1a, aanhef en onder 1˚, (oud) WED en art. 5, eerste lid, (oud) Wet voorkoming verontreiniging door schepen, als overtreding is strafbaar gesteld, bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een geldboete van € 45.000,-.

Middel

Het middel klaagt dat het ten laste van verdachte bewezenverklaarde feit verjaard is.

Beoordeling Hoge Raad

Dit feit is volgens de tenlastelegging begaan "in of omstreeks 21 december 2003, in elk geval in 2003". Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 1Ëš, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval tien jaren. Wat betreft dit feit is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^