Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep & Verschoonbare termijnoverschrijding

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1575

Feiten

Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 12 april 2012 hoger beroep ingesteld tegen het in deze zaak door de Politierechter in de Rechtbank Haarlem bij verstek gewezen vonnis van 24 februari 2012.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar verklaard dat hij, voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg, "de rechtbank (...) heeft gebeld en gezegd dat ik verhinderd was. Mij is toen verteld dat de behandeling toch door zou gaan".

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat, nu zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, de verdachte ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv binnen veertien dagen nadat het vonnis was gewezen het hoger beroep had moeten instellen, hetgeen hij heeft verzuimd.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat de verdachte - die aldaar was verschenen - heeft aangevoerd dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep verschoonbaar was.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te onderzoeken of de overschrijding door de verdachte van de wettelijke termijn voor het instellen van het hoger beroep verschoonbaar was.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel, dat berust op de opvatting dat het Hof gehouden was ambtshalve te onderzoeken of de overschrijding van die termijn verschoonbaar was, faalt omdat die opvatting geen steun vindt in het recht.

Opmerking verdient voorts het volgende. Voor zover het middel klaagt dat het Hof - gelet op de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte - gehouden was te onderzoeken of de zaak op de voet van art. 423 Sv naar de Politierechter moest worden teruggewezen, miskent het de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting. Immers, hier doet zich niet de situatie voor dat de verdachte bij het onderzoek ter terechtzitting niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996/557).

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verjaring & Wet voorkoming verontreiniging door schepen

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1578

Feiten

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte onder 2 tenlastegelegd dat: "hij op of omstreeks 21 december 2003, in elk geval in 2003, in de Nederlandse territoriale zee (op of nabij de positie(s) 53.12.6 NB 004.34 OL en/of 53.23.5 NB 004.45.6 OL), in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, vanaf een schip, genaamd A, een (grote) hoeveelheid schadelijke stof, te weten (een of meer container(s) en/of vat(en), inhoudende ongeveer 63000 kilogram) pesticide (aangeduid als UN 2902 Pesticide Liquid Toxic N.O.S., handelsnaam Celcure CCA Type C-72%, bestaande uit onder andere koper oxide en/of chroom trioxide en/of arseen pentoxide), in elk geval een schadelijke stof, in zee heeft geloosd in geen geval en/of op andere wijze dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur was vastgesteld;

2 subsidiair:

hij op of omstreeks 21 december 2003, in elk geval in 2003, in de Nederlandse territoriale zee (op of nabij de positie(s) 53.12.6 NB 004.34 OL en/of 53.23.5 NB 004.45.6 OL), in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, vanaf een schip, genaamd A, zonder ontheffing, een (grote) hoeveelheid schadelijke stof, te weten (een of meer container(s) en/of vat(en), inhoudende ongeveer 63000 kilogram) pesticide (aangeduid als UN 2902 Pesticide Liquid Toxic N.O.S., handelsnaam Celcure CCA Type C-72%, bestaande uit onder andere koper oxide en/of chroom trioxide en/of arseen pentoxide), in elk geval een afvalstof en/of verontreinigende en/of schadelijke stof heeft geloosd;

2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 21 december 2003, in elk geval in 2003, in de Nederlandse territoriale zee (op of nabij de positie(s) 53.12.6 NB 004.34 OL en/of 53.23.5 NB 004.45.6 OL), in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder vergunning, vanaf een schip, genaamd A, een (grote) hoeveelheid schadelijke stof, te weten (een of meer container(s) en/of vat(en), inhoudende ongeveer 63000 kilogram) pesticide (aangeduid als UN 2902 Pesticide Liquid Toxic N.O.S., handelsnaam Celcure CCA Type C- 72%, bestaande uit onder andere koper oxide en/of chroom trioxide en/of arseen pentoxide), in elk geval een afvalstof en/of verontreinigende en/of schadelijke stof in het water van de Noordzee, in elk geval in enig oppervlaktewater heeft geloosd, in elk geval heeft gebracht, op andere wijze dan met behulp van een werk."

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde misdrijf en is het beroep in cassatie niet gericht tegen deze vrijspraak.

Het Hof heeft hetgeen overigens onder 2 primair is tenlastegelegd en in art. 2, tweede lid, (oud) in verbinding met art. 1a, aanhef en onder 1˚, (oud) WED en art. 5, eerste lid, (oud) Wet voorkoming verontreiniging door schepen, als overtreding is strafbaar gesteld, bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een geldboete van € 45.000,-.

Middel

Het middel klaagt dat het ten laste van verdachte bewezenverklaarde feit verjaard is.

Beoordeling Hoge Raad

Dit feit is volgens de tenlastelegging begaan "in of omstreeks 21 december 2003, in elk geval in 2003". Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 1˚, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval tien jaren. Wat betreft dit feit is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR wijst overzichtsarrest getuigen in het strafproces

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496

De verdachte heeft op 10 augustus 2010 hoger beroep ingesteld. Op 20 augustus 2010 heeft de raadsman van de verdachte op de voet van art. 410, derde lid, Sv bij appelschriftuur een zestal getuigen opgegeven. In een op 8 september 2010 bij de Rechtbank Amsterdam ingekomen brief heeft de raadsman vervolgens verzocht de in het middel genoemde personen toe te voegen aan de reeds opgegeven getuigen.

Blijkens de bij het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2011 gevoegde pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Daarnaast acht ik het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in het belang van de verdediging. Zoals u in de aanvulling van het appelschriftuur heeft kunnen lezen hebben beide heren kort na het incident met [verdachte] gesproken en kunnen zij verklaren over de indruk die het verliezen van de spiegel bij [verdachte] had achtergelaten en wat hij hier over tegen hen heeft gezegd. Naar de mening van de verdediging is de belangrijkste vraag die u uiteindelijk zal moeten beantwoorden of [verdachte] wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij bij een ongeval betrokken was waarbij schade of letsel aan een ander was toegebracht. De verklaringen van [verdachte] aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (twee buitenstaanders) kunnen mijns inziens aantonen of [verdachte] er ook maar enig idee van had dat hij letsel had veroorzaakt. Om die reden acht ik het dan ook in het belang van de verdediging om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vragen te kunnen stellen."

Blijkens voormeld proces-verbaal heeft het Hof het verzoek tot het horen van betrokkene 1 en betrokkene 2 als getuigen afgewezen op de grond dat: "het verhoor van bedoelde getuigen naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk is voor enige op de voet van de artikelen 348 en 350 juncto art. 415 Sv te nemen beslissing."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2012 is aldaar het op de terechtzitting van 19 december 2011 geschorste onderzoek opnieuw aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het Hof. Uit laatstgenoemd proces-verbaal blijkt niet dat op die terechtzitting van 19 december 2012 door of namens de verdachte is verzocht om de in het middel genoemde personen op te roepen als getuigen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit achterwege is gebleven.

De in het middel bedoelde afwijzende beslissing van het Hof is een beslissing op de voet van de art. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Op die beslissing heeft art. 322, vierde lid, Sv geen betrekking (vgl. rov. 2.65). Gelet daarop moet het middel buiten behandeling blijven.

Middel

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van betrokkene 1 en betrokkene 2 als getuigen.

Beoordeling Hoge Raad

Overzichtsarrest

Alvorens uitspraak te doen in deze concrete zaak, geeft de Hoge Raad 'voorgaande beschouwingen over het oproepen & horen van getuigen ter terechtzitting' van bijna 20 pagina's ten aanzien van de volgende (sub)- onderwerpen:

  • Inleiding (rov. 2.1-2.2)
  • Toepasselijke wettelijke bepalingen (rov. 2.3)
  • Aan te leggen maatstaven
  • Verdedigingsbelang (rov. 2.4-2.7)
  • Noodzakelijkheidscriterium (rov. 2.8-2.9)
  • Procedure in eerste aanleg
  • Eerste terechtzitting (rov. 2.10)
  • Meebrengen van getuigen naar de terechtzitting (rov. 2.11-2.12)
  • Verzoek tot oproeping van getuigen gedaan vóór de terechtzitting (rov. 2.13-2.21)
  • Verzoek tot oproeping van getuigen gedaan op de terechtzitting (rov. 2.22-2.24)
  • Terechtzitting na schorsing van het onderzoek (rov. 2.25-2.30)
  • Pro forma-zitting en regiezitting (rov. 2.31-2.35)
  • Procedure in hoger beroep
  • Eerste terechtzitting (rov. 2.36)
  • Meebrengen van getuigen naar de terechtzitting (rov. 2.37)
  • Verzoek tot oproeping van getuigen gedaan vóór de terechtzitting (rov. 2.38)
  • Opgave bij appelschriftuur (rov. 2.39-2.48)
  • Opgave niet bij appelschriftuur (rov. 2.49-2.60)
  • Verzoek tot oproeping van getuigen gedaan op de terechtzitting (rov. 2.61)
  • Terechtzitting na schorsing van het onderzoek (rov. 2.62-2.67)
  • Pro forma-zitting en regiezitting (rov. 2.68)
  • Procedure in hoger beroep na terug- of verwijzing van de zaak door de Hoge Raad (rov. 2.69-2.72)
  • Toetsing in cassatie (rov. 2.73-2.77)
  • Slotopmerking (rov. 2.78)

Klik hier voor deze beschouwingen.

Onderhavige zaak

De in het middel bedoelde afwijzende beslissing van het Hof is een beslissing op de voet van de art. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Op die beslissing heeft art. 322, vierde lid, Sv geen betrekking (vgl. rov. 2.65). Gelet daarop moet het middel buiten behandeling blijven.

Opmerking verdient dat – anders dan in het middel wordt betoogd – de op 8 september 2010 bij de Rechtbank ingekomen brief met het verzoek tot oproeping van getuigen niet kan worden aangemerkt als een appelschriftuur houdende de opgave van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv en evenmin als een opgave van getuigen aan de Advocaat-Generaal als bedoeld in art. 414, tweede lid, in verbinding met art. 263 Sv. Op het in die brief vervatte verzoek behoefde dus niet te worden beslist, noch door de Advocaat-Generaal noch door het Hof (vgl. rov. 2.41).

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook de volgende uitspraken:

Print Friendly and PDF ^

Inzet stille sms en IMSI-catcher bij opsporing mag

​Stille sms en een IMSI-catcher mogen worden gebruikt bij de opsporing van een verdachte. Wanneer deze technische opsporingsmiddelen slechts beperkt inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van een verdachte dan is voor de inzet van deze middelen geen aparte wettelijke regeling  nodig. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld in drie zaken waarin advocaten bezwaar maakten tegen in hun ogen onrechtmatige inzet van deze opsporingsmethoden.

Met toestemming van de officier van justitie werd met een IMSI-catcher het gsm-toestel van een verdachte getraceerd. Zo kon deze verdachte van een poging tot moord worden aangehouden.

Door, in een andere zaak, stille sms’en (de ontvanger ziet deze sms’en niet) te sturen naar de toestellen van twee verdachten wist de politie een draaiend amfetaminelaboratorium op te sporen. Ook dit gebeurde met toestemming van de officier van justitie.

Wat de verdachten deden of zeiden kon met behulp van deze middelen niet worden waargenomen. Het hof kon dus in deze zaken inderdaad oordelen dat met deze middelen slechts een beperkte inbreuk werd gemaakt  op de privacy van de verdachten. Ook omdat de middelen slechts voor korte duur werden ingezet.
Indien met  dergelijke technische middelen een compleet beeld zou ontstaan van het persoonlijk leven van een verdachte kan de inzet ervan wel degelijk onrechtmatig zijn, aldus de Hoge Raad.
Print Friendly and PDF ^

Bewijsuitsluiting wegens het ontbreken van de mogelijkheid van een contra-expertise

Hoge Raad 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1451

Feiten

Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, zitting houdende te ‘s-Hertogenbosch, heeft verdachte bij arrest van 23 april 2013 integraal vrijgesproken van het hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. In eerste aanleg is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en elf maanden ter zake van de voortgezette handeling van drie Opiumwetdelicten, kort gezegd betreffende de voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne, de daadwerkelijke invoer van die cocaïne en vervolgens de doorlevering daarvan binnen Nederland.

Het beroep in cassatie is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof, mr. J.W.M. Grimbergen.

Middel

Het middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat de in het arrest genoemde stukken van het bewijs dienen te worden uitgesloten wegens het ontbreken van de mogelijkheid van een contra-expertise.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat voornoemd door R. Jellema opgesteld rapport van 25 september 2007 alsmede de over dat rapport afgelegde verklaringen en het door J.D.J. van den Berg uitgebrachte rapport van 2 februari 2009 moeten worden aangemerkt als 'resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen' als bedoeld in art. 359a, eerste lid onder b, Sv, is ontoereikend gemotiveerd, nu de omstandigheid dat als gevolg van enig verzuim het voor het verrichten van een tegenonderzoek bestemde materiaal, kort gezegd, in het ongerede is geraakt, niet meebrengt dat de verkrijging van voornoemd bewijsmateriaal als 'resultaat' van dat in het ongerede raken en reeds op die grond als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Voor zover het Hof voorts heeft geoordeeld dat het tot het bewijs bezigen van het hiervoor bedoelde bewijsmateriaal ondanks de onmogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek in de onderhavige zaak in de weg staat aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in art. 6 EVRM, moet worden vooropgesteld dat de vraag of de onmogelijkheid van een tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering in de weg staat afhankelijk is van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop de wens van de verdediging tot het doen verrichten van een tegenonderzoek steunt en (b) het belang van het gewenste tegenonderzoek in het licht van - bijvoorbeeld - de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat (vgl. HR 8 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228, NJ 2005/151, rov. 3.5).

Tegen deze achtergrond is het oordeel van het Hof dat "met het vernietigen (of het anderszins in het ongerede geraakt zijn) van alle monsters een inbreuk is gemaakt op een fundamenteel element van verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid van EVRM, meer in het bijzonder van het daarin vervatte beginsel van 'equality of arms'" niet zonder meer begrijpelijk. Ook in zoverre slaagt het middel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^