Horen van benadeelde partij als getuige

Hoge Raad 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1448

Feiten

De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag, bij arrest van 8 mei 2013 van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en wegens 1. (subsidiair) verduistering en 2. diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 601,92 ter vergoeding van de door beide bewezenverklaarde feiten geleden materiële schade toegewezen en verdachte in zoverre een schadevergoedings- maatregel opgelegd.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de afwijzing van het verzoek de benadeelde partij als getuige te horen onvoldoende met redenen heeft omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

In het arrest van 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0834, NJ 2012/11, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat - nu het de benadeelde partij ingevolge art. 334, eerst lid, Sv niet is toegestaan ter onderbouwing van haar vordering getuigen aan te brengen - de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM, in het bijzonder de equality of arms, eraan in de weg staan dat wel aan de verdachte de bevoegdheid zou toekomen met betrekking tot deze vordering getuigen aan te brengen.

Het Hof heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het namens de verdachte gedane verzoek tot het horen van een getuige over de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen. Dat dit verzoek betrekking had op het horen van de - niet ter terechtzitting in hoger beroep aanwezige - benadeelde partij zelf met betrekking tot haar vordering, leidt niet tot een ander oordeel.

Kennelijk heeft het Hof het niet noodzakelijk geoordeeld gebruik te maken van zijn eigen bevoegdheid de benadeelde partij als zodanig te horen ter nadere toelichting van haar vordering. Dat oordeel is, gelet op het namens de verdachte aangevoerde, niet onbegrijpelijk. De enkele niet nader onderbouwde stelling van de verdachte dat hij de benadeelde partij haar spullen had teruggegeven noopte het Hof evenmin tot nadere motivering van zijn beslissingen omtrent de vordering.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Afleggen valse verklaring & “behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie"

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1368

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 oktober 2012 de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde “medeplegen van poging opzettelijk iemand verdacht van enig misdrijf, behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van de taakstraf opgelegd bij parketnummer 13-447140-08, te weten een werkstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen jeugddetentie.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op 19 februari 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten betrokkene, die verdacht was van het misdrijf van diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend behulpzaam te zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie, betrokkene heeft voorzien van een vals alibi."

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van poging opzettelijk iemand verdacht van enig misdrijf, behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie."

Het Hof heeft een door de verdediging gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Het feitencomplex kan ook niet gekwalificeerd worden als poging tot begunstiging. betrokkene was op het moment van de getuigenverklaring al lang en breed aangehouden door de politie. Een alibi had niet gemaakt dat hij plotsklaps in vrijheid was gesteld en dat de zaak was geseponeerd. Aanhouden en nasporen door de politie/justitie hadden zich op 19 februari 2009 reeds voltrokken. Of misschien moet er wel gesproken worden van een absoluut ondeugdelijke poging van verdachte om betrokkene aan aanhouding cq nasporing te laten ontkomen, aldus de raadsvrouw. (...)

Het hof verwerpt de hiervoor gevoerde verweren en overweegt hiertoe het volgende. (...)

Ten aanzien van de begunstiging

Het hof stelt vast dat als poging om behulpzaam te zijn om te ontkomen aan de nasporing van de ambtenaren van politie en justitie kan worden aangemerkt het doen van een mededeling die ertoe strekt en ertoe kan leiden dat van een opsporingsonderzoek wordt afgezien (Hoge Raad 28 januari 2003, LJN AE9671). Het hof heeft vastgesteld dat op het moment van het afleggen van de valse verklaring het onderzoek nog gaande was. Die valse verklaring had er toe kunnen leiden dat het opsporingsonderzoek belemmerd zou worden. Gelet daarop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft getracht betrokkene behulpzaam te zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie, door betrokkene te voorzien van een vals alibi. Daaraan doet niet af dat deze betrokkene op het moment dat de verdachte hem een vals alibi verschafte, reeds was aangehouden. Nu opsporingsambtenaren hebben achterhaald dat het door de verdachte aan betrokkene verschafte alibi vals was, is het misdrijf niet voltooid." 

Middel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring en de kwalificatie daarvan.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 189, eerste lid onder 1°, Sr luidt:

"1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

1° hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of de aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie."

Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van art. 189 Sr moet worden aangenomen dat deze bepaling ertoe strekt te voorkomen dat politie of justitie worden tegengewerkt bij het opsporen en aanhouden van de dader van een misdrijf. 's Hofs oordeel dat de verdachte door bij de politie een valse verklaring af te leggen ten behoeve van betrokkene, die ten tijde van het afleggen van die verklaring reeds was aangehouden en ten aanzien van wie in dat verband reeds een strafrechtelijk onderzoek liep, heeft getracht betrokkene "behulpzaam te zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie" in de zin van art. 189, eerste lid onder 1°, Sr, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen zelf de zaak afdoen en de verdachte van het hem subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het subsidiair tenlastegelegde en verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Valselijk opmaken van persberichten met koersgevoelige informatie. Geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen?

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1358

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 23 mei 2012 de verdachte ter zake van “valsheid in geschrift” strafbaar verklaard, zij het dat het hof met toepassing van art. 9a Sr heeft bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aan de verdachte was tenlastegelegd dat: "hij op of omstreeks 14 juli 2005 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen achttien, althans een of meer e-mailbericht(-en) en/of persbericht(en) via het internet, - zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen telkens in strijd met de waarheid doen voorkomen alsof die/dat bericht(en) afkomstig waren/was van een woordvoerder/medewerker van Talpa (Capital BV) te weten betrokkene 1@Talpa.tv en/of betrokkene 1 en/of Versatel Telecom International N.V. te weten betrokkene 2@versatel.com en/of betrokkene 2, althans van een ander dan van hem verdachte en/of zijn mededader en/of in die/dat bericht(en) in strijd met de waarheid vermeld of doen vermelden dat “Versatel Telecom International NV mede deelt dat zij in het kader van haar voortdurende strategische orientatie onder meer initiele gesprekken voert met Deutsche Telekom AG tezamen met Talpa Capital BV over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod en dat gelet op de vergevorderde besprekingen op dit moment geen verdere mededelingen kunnen worden gedaan”, althans woorden van dergelijke aard en/of strekking zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(-en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken."

Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat: "hij op 14 juli 2005 te Amsterdam achttien persberichten via het internet, - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens in strijd met de waarheid doen voorkomen alsof die berichten afkomstig waren van een medewerker van Talpa (Capital BV), te weten betrokkene 1 of van Versatel Telecom International N.V., te weten betrokkene 2 en in die berichten in strijd met de waarheid vermeld of doen vermelden dat “Versatel Telecom International NV mede deelt dat zij in het kader van haar voortdurende strategische orientatie onder meer initiele gesprekken voert met Deutsche Telekom AG tezamen met Talpa Capital BV over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod en dat gelet op de vergevorderde besprekingen op dit moment geen verdere mededelingen kunnen worden gedaan”, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft het daderschap van de verdachte ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat aan het versturen van de emailberichten met als afzender 'betrokkene 1@talp/tv' onderscheidenlijk 'betrokkene 2@versatel.com' met de onjuiste inhoud – samengevat - dat Versatel Telecom International N.V. gesprekken voert met Deutsche Telekom AG over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod, het volgende is voorafgegaan. De verdachte en medeverdachte hebben, samen achter de pc van laatstgenoemde gezeten, een publicatie van Belgacom en Versatel aangepast waarbij zij Belgacom hebben veranderd in Deutsche Telecom. De aangepaste tekst hebben zij uitgeprint. Vervolgens zijn de verdachte en medeverdachte naar A Hostel gegaan en hebben zij samen plaatsgenomen achter de in het hostel aanwezige pc met internetverbinding. Aldaar heeft de verdachte de tekst van het bericht voorgelezen en heeft medeverdachte de tekst ingetypt.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte, gelet op de hiervoor omschreven gedragingen, kan worden aangemerkt als iemand die de persberichten heeft "opgemaakt" en daarmee het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Conclusie AG Aben: contrair

Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte samen met zijn medeverdachte, medeverdachte, achter de pc in A hostel is gaan zitten, dat de verdachte de tekst heeft voorgelezen en dat medeverdachte de tekst heeft ingetypt. Uit deze verklaring, noch uit de overige bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte de persberichten valselijk heeft opgemaakt. Het middel klaagt daarover terecht.

Anders dan is tenlastegelegd – en anders dan de rechtbank in eerste aanleg heeft geoordeeld – heeft het hof hier niet het medeplegen maar het plegen van valsheid in geschrift bewezenverklaard. Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de verklaringen van de verdachte zelf (bewijsm. 1 en 2), kan m.i. evenwel genoegzaam worden afgeleid dat tussen de verdachte en de medeverdachte een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan die gericht was op het versturen van de valse persberichten. De verdediging heeft in feitelijke aanleg de deelneming als medepleger bovendien niet betwist. Het voorgaande ten spijt gaat het m.i. te ver om op grond hiervan aan te nemen dat het hof als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring heeft verzuimd op te nemen dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Daarbij neem ik in aanmerking dat ook de kwalificatie “valsheid in geschrift” niet op het medeplegen maar op het plegen is afgestemd.

Evenmin komt het mij als juist voor om de bewijsmiddelen aldus op te vatten dat de verdachte kan worden beschouwd als de functionele dader van het misdrijf. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachte erin bestond dat de verdachte de tekst van het persbericht dicteerde en de medeverdachte de tekst vervolgens intypte. Van een concrete beschikkingsmacht dan wel zeggenschap van de verdachte over de gedragingen van zijn medeverdachte – zoals de Hoge Raad in zijn rechtspraak vereist – is niet gebleken, zodat de toerekening aan de verdachte van het opmaken van het persbericht en het versturen ervan reeds daarom niet aan de orde is. In elk geval biedt het bestreden arrest geen aanknopingspunt voor de stelling dat het hof het oog heeft gehad op deze juridische constructie.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het middel slaagt.

AG Aben: persbericht een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen?

Het derde middel klaagt over ’s hofs oordeel dat het persbericht een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen.

In de onderhavige zaak heeft het hof zijn oordeel dat het persbericht bewijsbestemming heeft gebaseerd op de omstandigheid dat op basis van de artikelen 9, 9a en 9b van het destijds geldende Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 onder de omstandigheden als in het bericht genoemd sprake kon zijn geweest van koersgevoelige informatie die rechtens tot publicatie en het uitbrengen van een persbericht zou hebben genoopt.

De artikelen 9 en 9a van het Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 schrijven een beursgenoteerde onderneming voor om – kort gezegd – middels de publicatie van een persbericht een openbare mededeling te doen van elk belangrijk nieuw feit betreffende de uitoefening van het bedrijf dat niet reeds openbaar is en waarvan een aanzienlijke invloed op de koers van de aandelen van die onderneming kan uitgaan. Ingevolge art. 9b van voornoemd besluit is daarvan o.a. sprake indien een openbaar bod wordt voorbereid of is aangekondigd. In zo’n geval doen de bieder en de doelvennootschap hiervan een openbare mededeling.

Het gaat hier om een persbericht afkomstig van beursgenoteerde ondernemingen, waartoe gelet op de inhoud ervan een wettelijke verplichting bestond en waarvan het belang in de maatschappij hierin is gelegen dat het rechtstreeks van invloed kan zijn op de omvang en de waarde van de handel in effecten. Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat het persbericht een bewijsbestemming heeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

Het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat de nabootsing zodanig onvolkomen was dat voor de geadresseerden duidelijk moest zijn geweest dat geen sprake was van een authentiek stuk acht ik evenmin onbegrijpelijk. Dat slechts één van de negen aangeschreven persbureaus het bericht heeft gepubliceerd, zoals door de steller van het middel wordt aangevoerd, doet daaraan niet af. Om met mijn voormalig ambtgenoot Wortel te spreken zou met de strekking van art. 225 Sr niet te verenigen zijn indien de bewijsbestemming van het geschrift niet kan worden aangenomen reeds omdat aannemelijk is dat degene die op het geschrift af zou moeten gaan het ontoereikend of ongeloofwaardig heeft geoordeeld en er daarom niet het door de steller beoogde gevolg aan heeft gegeven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bijstandsfraude: Slagende bewijsklacht ten aanzien van 'voordeel trekken'

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1362

Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 10 augustus 2012 de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis ter zake van opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken

Middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het door misdrijf verkregen geld. Uit de bewijsmiddelen heeft het Hof weliswaar kunnen afleiden dat de verdachte en medeverdachte sinds de zomer van 2004 feitelijk samenwoonden op het adres te Almere, dat de verdachte aldus gebruik maakte van de voorzieningen op dat adres en eet-en drinkwaren heeft genuttigd en dat die voorzieningen, de huur van die woning en de genuttigde eet-en drinkwaren geheel of ten dele werden bekostigd met de bijstandsuitkering van medeverdachte, maar de bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, de verdachte wist dat medeverdachte onjuiste gegevens verstrekte en zij op grond van die gegevens ten onrechte een uitkering voor een alleenstaande genoot.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad over 'samenweefsel van verdichtsels'

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1366

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 september 2012 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden ter zake van

  • zaak A onder 1: primair een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;
  • zaak A onder 2: oplichting
  • zaak A onder 3: poging tot oplichting
  • zaak B: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Middel

Het eerste middel komt op tegen ’s Hofs bewezenverklaring van het tweede feit van zaak A met de klacht dat de bewezenverklaring niet kan worden gekwalificeerd als oplichting, althans niet als een ‘samenweefsel van verdichtsels’ zoals bedoeld in art. 326 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren:

  • de vertrouwenwekkende aard
  • het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang
  • de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De bewezenverklaring van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte betrokkene 2 door een samenweefsel van verdichtsels, te weten dat hij bedrieglijk in strijd met de waarheid zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar van een personenauto en deze personenauto ter verkoop heeft aangeboden en een tenaamstelling van de personenauto heeft overhandigd, heeft bewogen tot afgifte van geld kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet uit 's Hofs bewijsvoering worden afgeleid. In zoverre is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie AG Vegter

De bewijsconstructie voor het tweede feit bestaat uit niet meer dan een opsomming van twee bewijsmiddelen en is erg algemeen. Uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat er sprake is van een opeenstapeling van leugens, een samenweefsel van verdichtsels.

Dat er is betaald voor een auto blijkt uit bewijsmiddel 2 en het samenweefsel zou moeten volgen uit het eerste bewijsmiddel. Uit dat bewijsmiddel kan blijken dat de auto ter verkoop is aangeboden en dat verdachte een overschrijvingsbewijs en een tenaamstelling van de auto bij zich had. In ieder geval blijkt niet zonder meer uit dit bewijsmiddel dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar en evenmin dat verdachte met het overschrijvingsbewijs en de tenaamstelling meer heeft gedaan dan deze in zijn bezit te hebben. Uit het in bezit hebben van de tenaamstelling heeft het Hof kennelijk afgeleid dat verdachte die tenaamstellling ook heeft overhandigd. De omstandigheid dat bij het verzoek om vrijwaring blijkt dat het kenteken niet recent is, kan niet aangemerkt worden als een onderdeel van het samenweefsel van verdichtsels. Mij is niet zondermeer duidelijk welke betekenis het Hof aan deze omstandigheid voor het bewijs heeft toegekend. In het bewijsmiddel is namelijk ook nog opgenomen dat aangever wordt meegedeeld dat een nieuw kenteken net die dag op de post zou gaan. Dat het kentekenbewijs, zoals uit het bewijsmiddel blijkt, anders dan was afgesproken niet door verdachte aan aangever is verstrekt, kan ook niet als een verdichtsel worden aangemerkt. De gang van zaken rond het kenteken is door de steller van de tenlastelegging dan ook terecht niet tot een zelfstandig onderdeel van de tenlastelegging gemaakt en komt daarom evenmin in de bewezenverklaring voor. Intussen is mij evenmin duidelijk of en op welke wijze deze gang van zaken het samenweefsel kleur zou kunnen geven.

Als al zou worden aangenomen dat in de bewijsmiddelen besloten ligt dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar dan geldt nog het volgende. Het ter verkoop aanbieden van een auto terwijl je de rechtmatige eigenaar niet bent is hooguit een enkele leugen. Het in bezit hebben en overhandigen van een tenaamstelling is geen (zelfstandig) verdichtsel, maar hooguit een versterking van de leugen dat verdachte als rechtmatige eigenaar de auto ter verkoop aanbood. Van een openstapeling van leugens blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer.

Uit de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 kan evenmin worden afgeleid dat de mededelingen van verdachte mede gelet op de context in het bijzonder vertrouwenwekkend of indringend waren. Niet blijkt dat de mededelingen bepaald uitvoerig waren of dat ze veel werden herhaald. Evenmin blijkt van allerlei smoezen. Er blijkt niet meer en niet minder dan van een niet erg opvallend en doorgaans gebruikelijk patroon. Was de koopprijs die aanzienlijk lager (bijna de helft) ligt dan hetgeen minder dan twee weken tevoren moest worden betaald niet zodanig is dat er aanleiding had moeten zijn om een mogelijke onwaarheid te onderkennen? Zonder nadere (ontbrekende) motivering op dit punt acht ik het oordeel van het Hof evenmin zonder meer begrijpelijk. Kortom, het samenweefsel van verdichtsels ligt niet zonder meer besloten in de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De slotsom is dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid dat er sprake was van een samenweefsel van verdichtsels.

Is verdedigbaar dat verdachte geen belang heeft bij cassatie omdat de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen die in het kader van dat feit zijn gebezigd worden aangemerkt als een nadere motivering van het samenweefsel van verdichtsels? De bewezenverklaring en de voor het eerste feit opgenomen bewijsmiddelen bieden geen steun voor de conclusie dat er in het kader van feit 2 van een samenweefsel van verdichtsels sprake was, omdat ze compliceren, althans contra-indicaties bevatten. Als feit 1 is immers onder meer bewezenverklaard dat verdachte de auto heeft gekocht. Gelet daarop zou een nadere toelichting zijn vereist ten aanzien van de bij feit 2 bewezenverklaarde passage inhoudende dat verdachte zich in strijd met de waarheid voordeed als rechtmatig eigenaar. Waarom kan degene die op 11 juni 2011 een auto koopt die auto op 21 juni 2011 niet te koop aanbieden of verkopen, ook al is koopprijs nog niet betaald? In het handelsverkeer is een dergelijke gang van zaken niet ongebruikelijk en ook niet onrechtmatig. Anders gezegd: ook hier geldt dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof van oordeel is dat verdachte zich in strijd met de waarheid heft voorgedaan als rechtmatige eigenaar. Daar komt nog bij dat de auto zich kennelijk op of kort na 21 juni 2011 ook feitelijk in de machtssfeer van betrokkene 2 bevond, al staat niet zonder meer vast dat de auto aan betrokkene 2 is overgedragen of zelfs geleverd. Het eerste bewijsmiddel bij feit 1 houdt namelijk in dat de verkoper van de auto, aangever betrokkene 1, de auto op 23 juni 2011 in de showroom van betrokkene 2 heeft zien staan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^