Valselijk opmaken van persberichten met koersgevoelige informatie. Geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen?

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1358

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 23 mei 2012 de verdachte ter zake van “valsheid in geschrift” strafbaar verklaard, zij het dat het hof met toepassing van art. 9a Sr heeft bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aan de verdachte was tenlastegelegd dat: "hij op of omstreeks 14 juli 2005 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen achttien, althans een of meer e-mailbericht(-en) en/of persbericht(en) via het internet, - zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen telkens in strijd met de waarheid doen voorkomen alsof die/dat bericht(en) afkomstig waren/was van een woordvoerder/medewerker van Talpa (Capital BV) te weten betrokkene 1@Talpa.tv en/of betrokkene 1 en/of Versatel Telecom International N.V. te weten betrokkene 2@versatel.com en/of betrokkene 2, althans van een ander dan van hem verdachte en/of zijn mededader en/of in die/dat bericht(en) in strijd met de waarheid vermeld of doen vermelden dat “Versatel Telecom International NV mede deelt dat zij in het kader van haar voortdurende strategische orientatie onder meer initiele gesprekken voert met Deutsche Telekom AG tezamen met Talpa Capital BV over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod en dat gelet op de vergevorderde besprekingen op dit moment geen verdere mededelingen kunnen worden gedaan”, althans woorden van dergelijke aard en/of strekking zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(-en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken."

Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat: "hij op 14 juli 2005 te Amsterdam achttien persberichten via het internet, - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens in strijd met de waarheid doen voorkomen alsof die berichten afkomstig waren van een medewerker van Talpa (Capital BV), te weten betrokkene 1 of van Versatel Telecom International N.V., te weten betrokkene 2 en in die berichten in strijd met de waarheid vermeld of doen vermelden dat “Versatel Telecom International NV mede deelt dat zij in het kader van haar voortdurende strategische orientatie onder meer initiele gesprekken voert met Deutsche Telekom AG tezamen met Talpa Capital BV over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod en dat gelet op de vergevorderde besprekingen op dit moment geen verdere mededelingen kunnen worden gedaan”, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft het daderschap van de verdachte ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat aan het versturen van de emailberichten met als afzender 'betrokkene 1@talp/tv' onderscheidenlijk 'betrokkene 2@versatel.com' met de onjuiste inhoud – samengevat - dat Versatel Telecom International N.V. gesprekken voert met Deutsche Telekom AG over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod, het volgende is voorafgegaan. De verdachte en medeverdachte hebben, samen achter de pc van laatstgenoemde gezeten, een publicatie van Belgacom en Versatel aangepast waarbij zij Belgacom hebben veranderd in Deutsche Telecom. De aangepaste tekst hebben zij uitgeprint. Vervolgens zijn de verdachte en medeverdachte naar A Hostel gegaan en hebben zij samen plaatsgenomen achter de in het hostel aanwezige pc met internetverbinding. Aldaar heeft de verdachte de tekst van het bericht voorgelezen en heeft medeverdachte de tekst ingetypt.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte, gelet op de hiervoor omschreven gedragingen, kan worden aangemerkt als iemand die de persberichten heeft "opgemaakt" en daarmee het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Conclusie AG Aben: contrair

Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte samen met zijn medeverdachte, medeverdachte, achter de pc in A hostel is gaan zitten, dat de verdachte de tekst heeft voorgelezen en dat medeverdachte de tekst heeft ingetypt. Uit deze verklaring, noch uit de overige bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte de persberichten valselijk heeft opgemaakt. Het middel klaagt daarover terecht.

Anders dan is tenlastegelegd – en anders dan de rechtbank in eerste aanleg heeft geoordeeld – heeft het hof hier niet het medeplegen maar het plegen van valsheid in geschrift bewezenverklaard. Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de verklaringen van de verdachte zelf (bewijsm. 1 en 2), kan m.i. evenwel genoegzaam worden afgeleid dat tussen de verdachte en de medeverdachte een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan die gericht was op het versturen van de valse persberichten. De verdediging heeft in feitelijke aanleg de deelneming als medepleger bovendien niet betwist. Het voorgaande ten spijt gaat het m.i. te ver om op grond hiervan aan te nemen dat het hof als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring heeft verzuimd op te nemen dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Daarbij neem ik in aanmerking dat ook de kwalificatie “valsheid in geschrift” niet op het medeplegen maar op het plegen is afgestemd.

Evenmin komt het mij als juist voor om de bewijsmiddelen aldus op te vatten dat de verdachte kan worden beschouwd als de functionele dader van het misdrijf. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachte erin bestond dat de verdachte de tekst van het persbericht dicteerde en de medeverdachte de tekst vervolgens intypte. Van een concrete beschikkingsmacht dan wel zeggenschap van de verdachte over de gedragingen van zijn medeverdachte – zoals de Hoge Raad in zijn rechtspraak vereist – is niet gebleken, zodat de toerekening aan de verdachte van het opmaken van het persbericht en het versturen ervan reeds daarom niet aan de orde is. In elk geval biedt het bestreden arrest geen aanknopingspunt voor de stelling dat het hof het oog heeft gehad op deze juridische constructie.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het middel slaagt.

AG Aben: persbericht een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen?

Het derde middel klaagt over ’s hofs oordeel dat het persbericht een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen.

In de onderhavige zaak heeft het hof zijn oordeel dat het persbericht bewijsbestemming heeft gebaseerd op de omstandigheid dat op basis van de artikelen 9, 9a en 9b van het destijds geldende Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 onder de omstandigheden als in het bericht genoemd sprake kon zijn geweest van koersgevoelige informatie die rechtens tot publicatie en het uitbrengen van een persbericht zou hebben genoopt.

De artikelen 9 en 9a van het Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 schrijven een beursgenoteerde onderneming voor om – kort gezegd – middels de publicatie van een persbericht een openbare mededeling te doen van elk belangrijk nieuw feit betreffende de uitoefening van het bedrijf dat niet reeds openbaar is en waarvan een aanzienlijke invloed op de koers van de aandelen van die onderneming kan uitgaan. Ingevolge art. 9b van voornoemd besluit is daarvan o.a. sprake indien een openbaar bod wordt voorbereid of is aangekondigd. In zo’n geval doen de bieder en de doelvennootschap hiervan een openbare mededeling.

Het gaat hier om een persbericht afkomstig van beursgenoteerde ondernemingen, waartoe gelet op de inhoud ervan een wettelijke verplichting bestond en waarvan het belang in de maatschappij hierin is gelegen dat het rechtstreeks van invloed kan zijn op de omvang en de waarde van de handel in effecten. Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat het persbericht een bewijsbestemming heeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

Het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat de nabootsing zodanig onvolkomen was dat voor de geadresseerden duidelijk moest zijn geweest dat geen sprake was van een authentiek stuk acht ik evenmin onbegrijpelijk. Dat slechts één van de negen aangeschreven persbureaus het bericht heeft gepubliceerd, zoals door de steller van het middel wordt aangevoerd, doet daaraan niet af. Om met mijn voormalig ambtgenoot Wortel te spreken zou met de strekking van art. 225 Sr niet te verenigen zijn indien de bewijsbestemming van het geschrift niet kan worden aangenomen reeds omdat aannemelijk is dat degene die op het geschrift af zou moeten gaan het ontoereikend of ongeloofwaardig heeft geoordeeld en er daarom niet het door de steller beoogde gevolg aan heeft gegeven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF