Afleggen valse verklaring & “behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie"

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1368

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 oktober 2012 de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde “medeplegen van poging opzettelijk iemand verdacht van enig misdrijf, behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van de taakstraf opgelegd bij parketnummer 13-447140-08, te weten een werkstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen jeugddetentie.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op 19 februari 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten betrokkene, die verdacht was van het misdrijf van diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend behulpzaam te zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie, betrokkene heeft voorzien van een vals alibi."

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van poging opzettelijk iemand verdacht van enig misdrijf, behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie."

Het Hof heeft een door de verdediging gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Het feitencomplex kan ook niet gekwalificeerd worden als poging tot begunstiging. betrokkene was op het moment van de getuigenverklaring al lang en breed aangehouden door de politie. Een alibi had niet gemaakt dat hij plotsklaps in vrijheid was gesteld en dat de zaak was geseponeerd. Aanhouden en nasporen door de politie/justitie hadden zich op 19 februari 2009 reeds voltrokken. Of misschien moet er wel gesproken worden van een absoluut ondeugdelijke poging van verdachte om betrokkene aan aanhouding cq nasporing te laten ontkomen, aldus de raadsvrouw. (...)

Het hof verwerpt de hiervoor gevoerde verweren en overweegt hiertoe het volgende. (...)

Ten aanzien van de begunstiging

Het hof stelt vast dat als poging om behulpzaam te zijn om te ontkomen aan de nasporing van de ambtenaren van politie en justitie kan worden aangemerkt het doen van een mededeling die ertoe strekt en ertoe kan leiden dat van een opsporingsonderzoek wordt afgezien (Hoge Raad 28 januari 2003, LJN AE9671). Het hof heeft vastgesteld dat op het moment van het afleggen van de valse verklaring het onderzoek nog gaande was. Die valse verklaring had er toe kunnen leiden dat het opsporingsonderzoek belemmerd zou worden. Gelet daarop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft getracht betrokkene behulpzaam te zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie, door betrokkene te voorzien van een vals alibi. Daaraan doet niet af dat deze betrokkene op het moment dat de verdachte hem een vals alibi verschafte, reeds was aangehouden. Nu opsporingsambtenaren hebben achterhaald dat het door de verdachte aan betrokkene verschafte alibi vals was, is het misdrijf niet voltooid." 

Middel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring en de kwalificatie daarvan.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 189, eerste lid onder 1°, Sr luidt:

"1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

1° hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of de aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie."

Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van art. 189 Sr moet worden aangenomen dat deze bepaling ertoe strekt te voorkomen dat politie of justitie worden tegengewerkt bij het opsporen en aanhouden van de dader van een misdrijf. 's Hofs oordeel dat de verdachte door bij de politie een valse verklaring af te leggen ten behoeve van betrokkene, die ten tijde van het afleggen van die verklaring reeds was aangehouden en ten aanzien van wie in dat verband reeds een strafrechtelijk onderzoek liep, heeft getracht betrokkene "behulpzaam te zijn in het ontkomen aan de nasporing van ambtenaren van de justitie of politie" in de zin van art. 189, eerste lid onder 1°, Sr, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen zelf de zaak afdoen en de verdachte van het hem subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het subsidiair tenlastegelegde en verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Valselijk opmaken van persberichten met koersgevoelige informatie. Geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen?

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1358

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 23 mei 2012 de verdachte ter zake van “valsheid in geschrift” strafbaar verklaard, zij het dat het hof met toepassing van art. 9a Sr heeft bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aan de verdachte was tenlastegelegd dat: "hij op of omstreeks 14 juli 2005 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen achttien, althans een of meer e-mailbericht(-en) en/of persbericht(en) via het internet, - zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen telkens in strijd met de waarheid doen voorkomen alsof die/dat bericht(en) afkomstig waren/was van een woordvoerder/medewerker van Talpa (Capital BV) te weten betrokkene 1@Talpa.tv en/of betrokkene 1 en/of Versatel Telecom International N.V. te weten betrokkene 2@versatel.com en/of betrokkene 2, althans van een ander dan van hem verdachte en/of zijn mededader en/of in die/dat bericht(en) in strijd met de waarheid vermeld of doen vermelden dat “Versatel Telecom International NV mede deelt dat zij in het kader van haar voortdurende strategische orientatie onder meer initiele gesprekken voert met Deutsche Telekom AG tezamen met Talpa Capital BV over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod en dat gelet op de vergevorderde besprekingen op dit moment geen verdere mededelingen kunnen worden gedaan”, althans woorden van dergelijke aard en/of strekking zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(-en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken."

Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat: "hij op 14 juli 2005 te Amsterdam achttien persberichten via het internet, - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens in strijd met de waarheid doen voorkomen alsof die berichten afkomstig waren van een medewerker van Talpa (Capital BV), te weten betrokkene 1 of van Versatel Telecom International N.V., te weten betrokkene 2 en in die berichten in strijd met de waarheid vermeld of doen vermelden dat “Versatel Telecom International NV mede deelt dat zij in het kader van haar voortdurende strategische orientatie onder meer initiele gesprekken voert met Deutsche Telekom AG tezamen met Talpa Capital BV over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod en dat gelet op de vergevorderde besprekingen op dit moment geen verdere mededelingen kunnen worden gedaan”, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft het daderschap van de verdachte ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat aan het versturen van de emailberichten met als afzender 'betrokkene 1@talp/tv' onderscheidenlijk 'betrokkene 2@versatel.com' met de onjuiste inhoud – samengevat - dat Versatel Telecom International N.V. gesprekken voert met Deutsche Telekom AG over mogelijke vormen van strategische samenwerking, waaronder een openbaar bod, het volgende is voorafgegaan. De verdachte en medeverdachte hebben, samen achter de pc van laatstgenoemde gezeten, een publicatie van Belgacom en Versatel aangepast waarbij zij Belgacom hebben veranderd in Deutsche Telecom. De aangepaste tekst hebben zij uitgeprint. Vervolgens zijn de verdachte en medeverdachte naar A Hostel gegaan en hebben zij samen plaatsgenomen achter de in het hostel aanwezige pc met internetverbinding. Aldaar heeft de verdachte de tekst van het bericht voorgelezen en heeft medeverdachte de tekst ingetypt.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte, gelet op de hiervoor omschreven gedragingen, kan worden aangemerkt als iemand die de persberichten heeft "opgemaakt" en daarmee het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Conclusie AG Aben: contrair

Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte samen met zijn medeverdachte, medeverdachte, achter de pc in A hostel is gaan zitten, dat de verdachte de tekst heeft voorgelezen en dat medeverdachte de tekst heeft ingetypt. Uit deze verklaring, noch uit de overige bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte de persberichten valselijk heeft opgemaakt. Het middel klaagt daarover terecht.

Anders dan is tenlastegelegd – en anders dan de rechtbank in eerste aanleg heeft geoordeeld – heeft het hof hier niet het medeplegen maar het plegen van valsheid in geschrift bewezenverklaard. Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de verklaringen van de verdachte zelf (bewijsm. 1 en 2), kan m.i. evenwel genoegzaam worden afgeleid dat tussen de verdachte en de medeverdachte een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan die gericht was op het versturen van de valse persberichten. De verdediging heeft in feitelijke aanleg de deelneming als medepleger bovendien niet betwist. Het voorgaande ten spijt gaat het m.i. te ver om op grond hiervan aan te nemen dat het hof als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring heeft verzuimd op te nemen dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Daarbij neem ik in aanmerking dat ook de kwalificatie “valsheid in geschrift” niet op het medeplegen maar op het plegen is afgestemd.

Evenmin komt het mij als juist voor om de bewijsmiddelen aldus op te vatten dat de verdachte kan worden beschouwd als de functionele dader van het misdrijf. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachte erin bestond dat de verdachte de tekst van het persbericht dicteerde en de medeverdachte de tekst vervolgens intypte. Van een concrete beschikkingsmacht dan wel zeggenschap van de verdachte over de gedragingen van zijn medeverdachte – zoals de Hoge Raad in zijn rechtspraak vereist – is niet gebleken, zodat de toerekening aan de verdachte van het opmaken van het persbericht en het versturen ervan reeds daarom niet aan de orde is. In elk geval biedt het bestreden arrest geen aanknopingspunt voor de stelling dat het hof het oog heeft gehad op deze juridische constructie.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het middel slaagt.

AG Aben: persbericht een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen?

Het derde middel klaagt over ’s hofs oordeel dat het persbericht een geschrift is dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen.

In de onderhavige zaak heeft het hof zijn oordeel dat het persbericht bewijsbestemming heeft gebaseerd op de omstandigheid dat op basis van de artikelen 9, 9a en 9b van het destijds geldende Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 onder de omstandigheden als in het bericht genoemd sprake kon zijn geweest van koersgevoelige informatie die rechtens tot publicatie en het uitbrengen van een persbericht zou hebben genoopt.

De artikelen 9 en 9a van het Besluit Toezicht Effectenverkeer 1995 schrijven een beursgenoteerde onderneming voor om – kort gezegd – middels de publicatie van een persbericht een openbare mededeling te doen van elk belangrijk nieuw feit betreffende de uitoefening van het bedrijf dat niet reeds openbaar is en waarvan een aanzienlijke invloed op de koers van de aandelen van die onderneming kan uitgaan. Ingevolge art. 9b van voornoemd besluit is daarvan o.a. sprake indien een openbaar bod wordt voorbereid of is aangekondigd. In zo’n geval doen de bieder en de doelvennootschap hiervan een openbare mededeling.

Het gaat hier om een persbericht afkomstig van beursgenoteerde ondernemingen, waartoe gelet op de inhoud ervan een wettelijke verplichting bestond en waarvan het belang in de maatschappij hierin is gelegen dat het rechtstreeks van invloed kan zijn op de omvang en de waarde van de handel in effecten. Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat het persbericht een bewijsbestemming heeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

Het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat de nabootsing zodanig onvolkomen was dat voor de geadresseerden duidelijk moest zijn geweest dat geen sprake was van een authentiek stuk acht ik evenmin onbegrijpelijk. Dat slechts één van de negen aangeschreven persbureaus het bericht heeft gepubliceerd, zoals door de steller van het middel wordt aangevoerd, doet daaraan niet af. Om met mijn voormalig ambtgenoot Wortel te spreken zou met de strekking van art. 225 Sr niet te verenigen zijn indien de bewijsbestemming van het geschrift niet kan worden aangenomen reeds omdat aannemelijk is dat degene die op het geschrift af zou moeten gaan het ontoereikend of ongeloofwaardig heeft geoordeeld en er daarom niet het door de steller beoogde gevolg aan heeft gegeven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bijstandsfraude: Slagende bewijsklacht ten aanzien van 'voordeel trekken'

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1362

Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 10 augustus 2012 de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis ter zake van opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken

Middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het door misdrijf verkregen geld. Uit de bewijsmiddelen heeft het Hof weliswaar kunnen afleiden dat de verdachte en medeverdachte sinds de zomer van 2004 feitelijk samenwoonden op het adres te Almere, dat de verdachte aldus gebruik maakte van de voorzieningen op dat adres en eet-en drinkwaren heeft genuttigd en dat die voorzieningen, de huur van die woning en de genuttigde eet-en drinkwaren geheel of ten dele werden bekostigd met de bijstandsuitkering van medeverdachte, maar de bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, de verdachte wist dat medeverdachte onjuiste gegevens verstrekte en zij op grond van die gegevens ten onrechte een uitkering voor een alleenstaande genoot.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad over 'samenweefsel van verdichtsels'

Hoge Raad 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1366

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 september 2012 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden ter zake van

  • zaak A onder 1: primair een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren;
  • zaak A onder 2: oplichting
  • zaak A onder 3: poging tot oplichting
  • zaak B: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Middel

Het eerste middel komt op tegen ’s Hofs bewezenverklaring van het tweede feit van zaak A met de klacht dat de bewezenverklaring niet kan worden gekwalificeerd als oplichting, althans niet als een ‘samenweefsel van verdichtsels’ zoals bedoeld in art. 326 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren:

  • de vertrouwenwekkende aard
  • het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang
  • de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De bewezenverklaring van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte betrokkene 2 door een samenweefsel van verdichtsels, te weten dat hij bedrieglijk in strijd met de waarheid zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar van een personenauto en deze personenauto ter verkoop heeft aangeboden en een tenaamstelling van de personenauto heeft overhandigd, heeft bewogen tot afgifte van geld kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet uit 's Hofs bewijsvoering worden afgeleid. In zoverre is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en verwerpt het beroep voor het overige.

Conclusie AG Vegter

De bewijsconstructie voor het tweede feit bestaat uit niet meer dan een opsomming van twee bewijsmiddelen en is erg algemeen. Uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat er sprake is van een opeenstapeling van leugens, een samenweefsel van verdichtsels.

Dat er is betaald voor een auto blijkt uit bewijsmiddel 2 en het samenweefsel zou moeten volgen uit het eerste bewijsmiddel. Uit dat bewijsmiddel kan blijken dat de auto ter verkoop is aangeboden en dat verdachte een overschrijvingsbewijs en een tenaamstelling van de auto bij zich had. In ieder geval blijkt niet zonder meer uit dit bewijsmiddel dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar en evenmin dat verdachte met het overschrijvingsbewijs en de tenaamstelling meer heeft gedaan dan deze in zijn bezit te hebben. Uit het in bezit hebben van de tenaamstelling heeft het Hof kennelijk afgeleid dat verdachte die tenaamstellling ook heeft overhandigd. De omstandigheid dat bij het verzoek om vrijwaring blijkt dat het kenteken niet recent is, kan niet aangemerkt worden als een onderdeel van het samenweefsel van verdichtsels. Mij is niet zondermeer duidelijk welke betekenis het Hof aan deze omstandigheid voor het bewijs heeft toegekend. In het bewijsmiddel is namelijk ook nog opgenomen dat aangever wordt meegedeeld dat een nieuw kenteken net die dag op de post zou gaan. Dat het kentekenbewijs, zoals uit het bewijsmiddel blijkt, anders dan was afgesproken niet door verdachte aan aangever is verstrekt, kan ook niet als een verdichtsel worden aangemerkt. De gang van zaken rond het kenteken is door de steller van de tenlastelegging dan ook terecht niet tot een zelfstandig onderdeel van de tenlastelegging gemaakt en komt daarom evenmin in de bewezenverklaring voor. Intussen is mij evenmin duidelijk of en op welke wijze deze gang van zaken het samenweefsel kleur zou kunnen geven.

Als al zou worden aangenomen dat in de bewijsmiddelen besloten ligt dat verdachte zich heeft voorgedaan als rechtmatige eigenaar dan geldt nog het volgende. Het ter verkoop aanbieden van een auto terwijl je de rechtmatige eigenaar niet bent is hooguit een enkele leugen. Het in bezit hebben en overhandigen van een tenaamstelling is geen (zelfstandig) verdichtsel, maar hooguit een versterking van de leugen dat verdachte als rechtmatige eigenaar de auto ter verkoop aanbood. Van een openstapeling van leugens blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer.

Uit de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 kan evenmin worden afgeleid dat de mededelingen van verdachte mede gelet op de context in het bijzonder vertrouwenwekkend of indringend waren. Niet blijkt dat de mededelingen bepaald uitvoerig waren of dat ze veel werden herhaald. Evenmin blijkt van allerlei smoezen. Er blijkt niet meer en niet minder dan van een niet erg opvallend en doorgaans gebruikelijk patroon. Was de koopprijs die aanzienlijk lager (bijna de helft) ligt dan hetgeen minder dan twee weken tevoren moest worden betaald niet zodanig is dat er aanleiding had moeten zijn om een mogelijke onwaarheid te onderkennen? Zonder nadere (ontbrekende) motivering op dit punt acht ik het oordeel van het Hof evenmin zonder meer begrijpelijk. Kortom, het samenweefsel van verdichtsels ligt niet zonder meer besloten in de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

De slotsom is dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid dat er sprake was van een samenweefsel van verdichtsels.

Is verdedigbaar dat verdachte geen belang heeft bij cassatie omdat de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen die in het kader van dat feit zijn gebezigd worden aangemerkt als een nadere motivering van het samenweefsel van verdichtsels? De bewezenverklaring en de voor het eerste feit opgenomen bewijsmiddelen bieden geen steun voor de conclusie dat er in het kader van feit 2 van een samenweefsel van verdichtsels sprake was, omdat ze compliceren, althans contra-indicaties bevatten. Als feit 1 is immers onder meer bewezenverklaard dat verdachte de auto heeft gekocht. Gelet daarop zou een nadere toelichting zijn vereist ten aanzien van de bij feit 2 bewezenverklaarde passage inhoudende dat verdachte zich in strijd met de waarheid voordeed als rechtmatig eigenaar. Waarom kan degene die op 11 juni 2011 een auto koopt die auto op 21 juni 2011 niet te koop aanbieden of verkopen, ook al is koopprijs nog niet betaald? In het handelsverkeer is een dergelijke gang van zaken niet ongebruikelijk en ook niet onrechtmatig. Anders gezegd: ook hier geldt dat niet zonder meer begrijpelijk is dat het Hof van oordeel is dat verdachte zich in strijd met de waarheid heft voorgedaan als rechtmatige eigenaar. Daar komt nog bij dat de auto zich kennelijk op of kort na 21 juni 2011 ook feitelijk in de machtssfeer van betrokkene 2 bevond, al staat niet zonder meer vast dat de auto aan betrokkene 2 is overgedragen of zelfs geleverd. Het eerste bewijsmiddel bij feit 1 houdt namelijk in dat de verkoper van de auto, aangever betrokkene 1, de auto op 23 juni 2011 in de showroom van betrokkene 2 heeft zien staan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Opgave van bewijsmiddelen

Hoge Raad 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1277

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft op 24 september 2012, met aanvulling van de gronden, het vonnis van de politierechter te Haarlem bevestigd waarbij verdachte wegens 1) medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren en 2) deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, goederen verbeurd zijn verklaard en de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, een en ander zoals in het vonnis bepaald.

In het bestreden arrest heeft het hof het vonnis van de politierechter bevestigd, met een aanvulling van de gronden. Deze aanvulling behelst een bewijsoverweging betreffende de criminele organisatie (feit 2) en de rol die verdachte daarin heeft gehad en een beslissing over inbeslaggenomen voorwerpen.

Het door het hof bevestigde vonnis houdt in dat de bewezenverklaring steunt op hetgeen van de dossierstukken in het proces-verbaal van de terechtzitting op 2 maart 2010 onder III tot en met XXXIV is opgenomen. Het proces-verbaal van de zitting op 2 maart 2010 vermeldt onder III tot en met XXXIII 31 processen-verbaal, waarvan de politierechter ter zitting de korte inhoud heeft medegedeeld en die alle betrekking hebben op feit 1. Onder XXXIV vermeldt het ten aanzien van feit 2 de processen-verbaal genoemd onder VII, XIV, XXI, XXIX en XXXIII.

In het proces-verbaal van de zitting op 2 maart 2010 is niet van alle 31 bewijsmiddelen de redengevende inhoud opgenomen. De bewijsmiddelen III tot en met V, VIII tot en met XI en XV zijn als volgt aangehaald:

“Zaak 1

III. Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina 519). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 7 mei 2008 door aangever betrokkene 1 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 1 afgelegde verklaring.

IV. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 526). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 13 oktober 2008 door de getuige betrokkene 2 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 2 afgelegde verklaring.

V. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 528). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 13 oktober 2008 door de getuige betrokkene 3 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 2 afgelegde verklaring. (…)

Zaak 2

(…) VIII. Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina 566). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 23 april 2008 door aangever betrokkene 4 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 4 afgelegde verklaring.

IX. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 578). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 30 september 2008 door de getuige betrokkene 4 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 3 afgelegde verklaring.

X. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 580). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 30 september 2008 door de getuige betrokkene 5 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 3 afgelegde verklaring.

XI. Een proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 582). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 30 september 2008 door de getuige betrokkene 6 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 3 afgelegde verklaring. (…)

Zaak 3

XV. Een proces-verbaal van aangifte (dossierpagina 635). Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 5 april 2008 door aangever betrokkene 7 ten overstaan van de verbalisant verbalisant 5 afgelegde verklaring.”

Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In het licht van de wetsgeschiedenis, die is weergegeven in HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5776, NJ 2006/542, moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen.

Voor zover het middel steunt op de stelling dat uit de enkele omstandigheid dat blijkens het vonnis of arrest de bewezenverklaring niet (volledig) steunt op een opgave van bewijsmiddelen doch op een of meer – uitgewerkte – bewijsmiddelen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, moet worden afgeleid dat geen sprake is van een zogenoemde bekennende verdachte als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv, faalt het, aangezien die stelling geen steun vindt in het recht.

Wat betreft het onder 1 in de zaken 1 en 2 bewezenverklaarde klaagt het middel evenwel terecht dat 's Hofs kennelijke oordeel dat de verdachte deze feiten heeft bekend in de zin van voormelde wetsbepaling, onbegrijpelijk is. Immers, de tot het bewijs van het in die zaken tenlastegelegde gebezigde verklaringen van de verdachte houden in "Ik heb op 25 april 2008 gebeld naar de drogist, het koeriersbedrijf en de koerier, daarbij gebruikmakend van het telefoonnummer 06-0001" (bewijsmiddel VI) en "Ik heb op 18 april 2008 gebeld met telefoonnummer 06-0001 en met het nummer 06-0005 naar de computerzaak, het koeriersbedrijf en de koerier" (bewijsmiddel XIII). Deze verklaringen betreffen niet alle onderdelen van het onder 1 als zaken 1 en 2 bewezenverklaarde. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat - anders dan in de strafzaak die heeft geleid tot HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4938 - in het bestreden arrest noch in het daarbij bevestigde vonnis van de Politierechter het wettig bewijsmiddel is aangeduid waaraan een mogelijk bekennende verklaring van de verdachte is ontleend, zodat het Hof wat betreft de zaken 1 en 2 niet kon volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen III-V onderscheidenlijk VIII-XI.

Wat betreft feit 2 heeft het Hof geoordeeld dat gedurende de in de tenlastelegging vermelde periode sprake was van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Het Hof heeft dat oordeel doen steunen op "de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting". Aldus heeft het Hof miskend dat indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden dient aan te duiden, en (b) het wettige bewijsmiddel dient aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165). Ook in zoverre slaagt het middel.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^