Profijtontneming & Gerechtvaardigd vertrouwen

Hoge Raad 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1306 

Feiten

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 29 januari 2013 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.582.800,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof het in hoger beroep gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie in zijn ontnemingsvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

3.1 Schending vertrouwensbeginsel

Door de verdediging is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege schending van het ver- trouwensbeginsel. De verdediging voert hiertoe aan dat de raadsman heeft aangevoerd dat de advocaat-generaal tijdens de behandeling van de straf- zaak van veroordeelde in hoger beroep heeft meegedeeld dat er geen ontnemingsvordering meer aanhangig zou worden gemaakt. De advocaat-generaal heeft kort daarna deze mededeling door middel van een brief aan de raadsman van verdachte van 28 april 2008 herroepen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze brief niet af doet aan het door de advocaat-generaal ter zitting opgewekte vertrouwen dat er geen ont- nemingsvordering meer zou komen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is aangezien er geen sprake is van een opgewekt vertrouwen.

Oordeel van het hof.

Het hof heeft kennis genomen van het dossier in de hoofdzaak. In dit dossier bevindt zich, gelet op het feit dat tegen het arrest van 7 mei 2008 geen beroep in cassatie is ingesteld, slechts een verkort proces-verbaal waarin de inhoud van de verklaringen van de verdachte, raadsman en advocaat-generaal niet zijn opgenomen. In dit dossier bevinden zich voorts de aantekeningen van de griffier waarbij als opmerking van de advocaat-generaal Frielink met betrekking tot de ontnemingsvordering is opge- nomen: 'Ontnemingsvordering is er niet gekomen en dat kan ook niet meer'.

Ter terechtzitting op 18 december 2012 is de advocaat-generaal Frielink als getuige gehoord en deze heeft alstoen, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij voorafgaande aan de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2008 in de hoofdzaak heeft geprobeerd contact te krijgen met de zaaksofficier van justitie. Toen dit niet mogelijk bleek, heeft hij aan een medewerker van het functioneel parket gevraagd om in het automatiseringssysteem de stand van zaken met betrekking tot een eventuele ontnemingsvordering tegen ver- dachte na te zoeken. Deze medewerker gaf de advocaat-generaal te kennen hierover niets in het systeem te kunnen vinden. Naar aanleiding hiervan heeft hij op de zitting van het gerechtshof van 23 april 2008 op een daartoe strekkende vraag van de voorzitter de mededeling gedaan dat er geen ontnemingsvordering gedaan was of gedaan zou worden. Wat hij toen precies gezegd heeft weet hij niet meer. Direct na afloop van de zitting werd hij door een in de zittingszaal aanwezige FIOD-medewerker aangesproken met de mededeling dat er wel degelijk een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde aanhangig zou worden gemaakt. Gelet hierop heeft hij toen de brief van 28 april 2008 aan de raadsman van verdachte geschreven.

Slechts wanneer sprake is van een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke toezegging door een tot het nemen van de vervolgingsbeslissing bevoegde autoriteit om van vervolging af te zien, kan vanwege een opgewekt vertrouwen een beroep op niet-ontvankelijkheid worden gehonoreerd. Bij de behandeling in hoger beroep van de hoofdzaak is ter zitting aan de advocaat-generaal door het gerechtshof naar de stand van zaken in de ontnemingsprocedure gevraagd. Deze heeft hierop naar achteraf bleek een foutieve mededeling gedaan, die hij kort daarna door middel van een brief aan de raadsman van verdachte heeft herroepen. Aan de uitlatingen van de advocaat-generaal, hoe deze ook precies hebben geluid, kon en mocht verdachte naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet zonder meer het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen van een toezegging dat er geen ontnemingsprocedure meer zou volgen, nu deze uitlatingen - gedaan naar aanleiding van een vraag van de voorzitter - informatief van aard waren en niet gezien kunnen worden als een formele toezegging van het openbaar ministerie jegens verdachte dat er geen ontnemingsprocedure (meer) zou volgen. Het feit dat door de officier van justitie eerder, te weten bij de behandeling van de hoofdzaak ter zitting van 24 februari 2006 aan verdachte is medegedeeld dat het openbaar ministerie voornemens was om een ontnemingsvordering in te dienen, het feit dat er een proces-verbaal SFO was opgemaakt, dat naar hetgeen de advocaat-generaal ter zitting van het hof onweersproken heeft gesteld ter hand was gesteld van veroordeelde, in welk proces-verbaal sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim anderhalf miljoen euro met vermelding van een groot aantal goederen waarop beslag is gelegd tijdens de doorzoekingen op 14 april 2004, en het feit dat de uitlatingen weliswaar zijn gedaan door een verte- genwoordiger van het openbaar ministerie maar niet door de zaaksofficier van justitie als eerstverantwoordelijke, hadden in ieder geval voor verdachte aanleiding moeten zijn om de uitlatingen te verifiëren bij de zaaksofficier van justitie teneinde zekerheid te verkrijgen over de juistheid van de door de advocaat-generaal verstrekte informatie. Door dit na te laten kan er geen sprake zijn van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen. Van schen- ding van het vertrouwensbeginsel is derhalve geen sprake."

Het Hof heeft het verweer dat het Openbaar Ministerie in zijn ontne- mingsvordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, verworpen op de grond dat "geen sprake kan zijn van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen". Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld (i) dat er een proces-verbaal van strafrechtelijk financieel onderzoek was opgemaakt hetwelk aan de betrokkene ter hand was gesteld, waarin melding werd gemaakt van een bedrag van ruim anderhalf miljoen euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel, (ii) dat aan de betrokkene door de Officier van Justitie bij de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting van 24 februari 2006 is medegedeeld dat het Openbaar Ministerie voornemens was om een ontnemingsvordering in te dienen, en (iii) dat de Advocaat-Generaal vrijwel onmiddellijk na zijn onjuiste uitlating een rectificatie heeft gestuurd aan de raadsman van de verdachte. Dat oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig, zodat hetgeen het Hof voor het overige heeft overwogen, buiten bespreking kan blijven.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag & beslag: Opeisen eigendom binnen termijn ex art. 3:86.3 BW door verzekeringsmaatschappij

Hoge Raad 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2013:2558

De Rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 13 december 2011 het beklag van klager, strekkende tot teruggave van de onder hem inbeslaggenomen horlogeband, ongegrond verklaard.

Middel

Het middel klaagt dat art. 3:86 lid 3 BW is geschonden, althans dat ontoe- reikend is gemotiveerd waarom de horlogeband niet aan klager als verkrijger te goede trouw dient te worden teruggegeven.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft met juistheid overwogen dat zij moet beoordelen of de verzekeringsmaatschappij aan wie de Officier van Justitie de horlogeband wil doen teruggeven, redelijkerwijs als rechthebbende van die horlogeband kan worden aangemerkt. Daarbij gaat het om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van die horlogeband (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat de verzekeringsmaatschappij binnen de in art. 3:86, derde lid, BW gestelde termijn de horlogeband als haar eigendom heeft opgeëist.

In de overwegingen van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat het vereiste dat de verzekeringsmaatschappij binnen drie jaar na de diefstal de horlogeband als haar eigendom heeft opgeëist, niet meebrengt dat de verzekeringsmaatschappij binnen die termijn een daad van rechtsvervolging moet hebben verricht waarmee zij de gestolen zaak als haar eigendom opeist, maar dat voldoende is dat de verzekeringsmaatschappij zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Duitse politie of justitie heeft gewend en te kennen heeft gegeven de inbeslaggenomen horlogeband als haar eigendom te willen opeisen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Uit het e-mailbericht van 14 juli 2009 van de verzekeringsmaatschappij aan de Duitse politiecommissaris volgt, naar het oordeel van de Rechtbank, dat de verzekeringsmaatschappij zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Duitse politie heeft gewend en te kennen heeft gegeven het gestolen horloge, waaronder moet worden begrepen ook de bij dat horloge behorende horlogeband, als haar eigendom te willen opeisen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontoereikende motivering van het oordeel dat geen overdracht van economische eigendom van de aandelen heeft plaatsgevonden

Hoge Raad 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1239

Verdachte, enig aandeelhouder en bestuurder van [A] BV, heeft blijkens door hem opgestelde notulen van de aandeelhoudersvergadering van 30 maart 2002, op die datum effecten die hij privé in eigendom had, (economisch) overgedragen aan [A] BV. Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat hij deze effecten niet daadwerkelijk heeft overgedragen, maar wel de verliezen die hij hierop heeft geleden in de jaren 2002, 2003 en 2004 ten laste heeft laten komen van de BV waardoor er in de periode 2003 tot en met 2005 onjuiste of onvolledige aangiften vennootschapsbelasting werden gedaan, ertoe strekkende dat te weinig belasting zou worden geheven.

Verdachte is bij arrest van 25 januari 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht, te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Mr. G.J.M.E. de Bont en Mr. Sitsen, advocaten te Amsterdam, hebben namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat er in 2002 geen (economische of juridische) overdracht van aandelen aan de BV heeft plaatsgevonden en dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er weldegelijk sprake is geweest van een reële economische eigendomsoverdracht waarbij alle resultaten van de overgedragen effectenportefeuille voor rekening en risico van de BV zijn gekomen, waardoor er geen sprake is geweest van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens zijn overweging heeft het Hof zijn oordeel dat "in 2002 geen (economische of juridische) overdracht van de aandelen heeft plaats- gevonden", als gevolg waarvan de vennootschap [A] B.V. over de jaren 2002, 2003 en 2004 onjuist en/of onvolledig aangifte heeft gedaan voor de vennootschapsbelasting, naar de kern genomen gebaseerd op de volgende omstandigheden:

  1. de desbetreffende aandelen werden ook na 30 maart 2002 niet aangehouden in een door de bank op naam van de vennootschap geadministreerd depot (maar in een depot geadministreerd op naam van de verdachte),
  2. bij akte van 8 april 2004 heeft de verdachte de aandelen verpand aan de bank tot zekerheid voor nakoming van zijn verplichtingen jegens de bank, en
  3. de notulen van de vergadering van aandeelhouders van de vennootschap van 30 maart 2002, houdende het besluit tot de overdracht van de aandelen door de verdachte aan de vennootschap, zijn eerst op een later tijdstip door de verdachte uitgetypt.

Aldus heeft het Hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu deze omstandigheden niet zonder meer eraan in de weg staan dat, zoals namens de verdachte is aangevoerd, de vennootschap met ingang van 30 maart 2002 de economische eigendom van de aandelen heeft verkregen, terwijl uit hetgeen het Hof in dat verband heeft overwogen niet blijkt in hoeverre het gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat bewijsmiddel 4 onder meer inhoudt: "[e]r is geen overeenkomst tussen [verdachte] en zijn holding betreffende de overdracht van de effecten".

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Redengevend bewijsmiddel

Hoge Raad 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 13 juli 2012 voor 1 subsidiair mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, en 4 verduistering, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed op de grond dat 's Hofs bewijsvoering tegenstrijdig is.

Beoordeling Hoge Raad

Wanneer de rechter zich - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - in een nadere overweging beroept op bepaalde feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, moeten deze feiten of omstandigheden zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen. Indien zij niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Een en ander heeft uitsluitend betrekking op feiten of omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, en dus niet op feiten of omstandigheden en evenmin op verklaringen die de rechter in zijn nadere overweging onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig acht. Die behoren dus niet te worden opgenomen onder de bewijsmiddelen. (Vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3442, NJ 2012/204).

Het Hof heeft de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde mede doen steunen op de verklaring van de verdachte dat hij van zijn vader € 100,- per dag van de rekening mocht halen als vergoeding voor zijn werkzaamheden in de huishouding en voor de zorg voor zijn moeder (bewijsmiddel 8). In zijn hiervoor onder 3.2.3 weergegeven overweging heeft het Hof evenwel geoordeeld dat de stelling van de verdachte dat hij met zijn vader een overeenkomst had gesloten, waarbij de verdachte toestemming had gekregen een geldbedrag van € 100,- per dag op te nemen als beloning voor de zorg voor zijn moeder, onaannemelijk is.

Het Hof heeft dit onderdeel van de verklaring van de verdachte, dat niet redengevend is voor de bewezenverklaring, dus ten onrechte onder de bewijsmiddelen opgenomen. Daarover klaagt het middel terecht.

Nochtans leidt de gegrondheid van het middel niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Dat berust op het volgende. In HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.2.5 is geoordeeld dat van onvoldoende te respecteren belang als bedoeld in art. 80a RO sprake kan zijn bij bepaalde gebreken in de bewijsmotivering die voordien grond plachten te vormen voor vernietiging, waarbij te denken valt aan gevallen waarin de bewezenverklaring – ook als het gebrek wordt weggedacht – zonder meer toereikend is gemotiveerd. In de onderhavige zaak, waarin de schriftuur is ingediend na de in dat arrest genoemde datum van 1 oktober 2012, is sprake van zo een geval. De bewezenverklaring is immers indien – in overeenstemming met de nadere bewijsoverweging van het Hof – voormeld onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt weggedacht, zonder meer toereikend gemotiveerd. Daarom heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG Machielse: anders

In bewijsmiddel 7 is een overzicht opgenomen van de opnames met een pas waarvan het hof kennelijk heeft aangenomen dat verdachte deze gebruikte. Dat overzicht toont dat verdachte in 2007 zeer regelmatig telkens bedragen van € 1000 heeft opgenomen. Hoewel deze opnames niet overeenkomen met de verklaring die verdachte heeft afgelegd, te weten dat hij € 100 per dag van de rekening zou mogen afhalen, schuilt de echte tegenstrijdigheid in de bewijsconstructie van het hof niet hierin, maar in de onoverbrugbare kloof tussen enerzijds de geciteerde overwegingen van het hof in het verkort arrest waarin het oordeelt dat de door verdachte beweerde afspraak niet aannemelijk is, gevoegd bij de inhoud van bewijsmiddel 6, en anderzijds de ook voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte dat hij € 100 per dag mocht opnemen. Het een strookt niet met het ander. De bewijsvoering is daarom op een punt dat niet slechts van ondergeschikte betekenis is innerlijk tegenstrijdig.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: Geld in bundeltje in een kluis in een tv doos in de kelder bewaren is geen verhullingshandeling

Hoge Raad 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1164

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 22 oktober 2012 de verdachte ter zake van feit 3 witwassen, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof een inbeslaggenomen geldbedrag van €18.140 verbeurd verklaard en de teruggave aan de verdachte gelast van de overige geldbedragen en een vijftal horloges.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

Beoordeling Hoge Raad

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een voorwerp - te weten een met een elastiekje gebundelde hoeveelheid geldbedragen met een totaal van € 18.140,-, die in een kluis in de kelder van de woning van de verdachte in een doos van een flatscreentelevisie lagen - dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (handel in cocaïne). Het Hof heeft geoordeeld dat zulks witwassen oplevert.

Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd. Dat de verdachte, zoals uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid, op deze wijze geldbedragen op deze plaats in zijn huis verborg, brengt immers nog niet zonder meer mee dat de verdachte daarmee in het bijzonder ook de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen.

Het middel slaagt.

Witwassen opbrengst eigen misdrijf

Op zichzelf staat noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. (Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001)

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Meer weten over witwassen(-jurisprudentie)? Kom dan op 27 juni 2014 naar de Verdiepingscursus Witwassen.

Programma
  • Uiteenzetting inhoud art. 420bis Sr t/m art. 420quater Sr aan de hand van praktische voorbeelden;
  • Uiteenzetting jurisprudentie omtrent het onbekende gronddelict, met bijzondere aandacht voor de gevolgen voor de vervolging en berechting in witwaszaken;
  • Uiteenzetting jurisprudentie omtrent de uitzondering voor enkel voorhanden hebben, met bijzondere aandacht voor de gevolgen voor de vervolging en berechting in witwaszaken;
  • Behandeling van een aantal casusposities met betrekking tot de rol van de verdediging in het voorbereidend onderzoek en het formuleren van onderzoekswensen, met aandacht voor de strategie in hoger beroep;
  • Behandeling van een aantal casusposities met betrekking tot het voeren van verweren bij de inhoudelijk behandeling.

Klik hier voor meer informatie.

Print Friendly and PDF ^