Toewijzing vordering benadeelde partij aan erfgenaam

Hoge Raad 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:917 

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 9 april 2013 verdachte wegens, onder 1 en onder 6, “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld met bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden. Voorts heeft het Hof de in het arrest nader omschreven beslissingen met betrekking tot verschillende inbeslaggenomen voorwerpen genomen. Tot slot heeft het Hof de vorderingen van de twee benadeelde partijen toegewezen tot bedragen van, respectievelijk, € 2.500,00 en € 19.850,- en aan verdachte voor diezelfde bedragen betalingsverplichtingen opgelegd.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij betrokkene 1 heeft toegewezen aan haar erfgenaam betrokkene 2.

Beoordeling Hoge Raad

Het strafgeding voorziet niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat ook indien degene die zich op de voet van art. 51f, eerste lid, Sv als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, is overleden, de rechter ingevolge art. 361, vierde lid, Sv dient te beslissen op diens vordering. (Vlg. ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2011/259).

De vordering van de benadeelde partij betrokkene 1 tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2500,- is in eerste aanleg integraal toegewezen. In het onderhavige geval is dus sprake van de in art. 421, tweede lid, Sv bedoelde situatie dat de voeging van betrokkene 1 als benadeelde partij in hoger beroep van rechtswege voortduurde. Het Hof had die vordering, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, niet mogen aanmerken als een vordering van haar erfgenaam betrokkene 2 en op die vordering niet mogen beslissen. Nu het Hof heeft geoordeeld dat de gevorderde immateriële schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte, had het die vordering moeten toewijzen aan de benadeelde partij betrokkene 1 (wiens vordering op de voet van art. 6:106, tweede lid tweede volzin, BW vatbaar is voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam). Het middel, dat hierover klaagt, is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Geen cassatie mogelijk tegen beslissing voorzitter hof beperking in het voeren van verdediging tot hetgeen van belang is voor het tenlastegelegde

Hoge Raad 15 april, ECLI:NL:HR:2014:911

Feiten

Verdachte is bij arrest van 20 december 2012 door het hof te Arnhem wegens eenvoudige belediging veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren te vervangen door tien dagen hechtenis en tot een geldboete van € 250,- te vervangen door vijf dagen hechtenis. Mr. H. Sytema en mr. J.L. Bar hebben namens de verdachte een schriftuur met een middel van cassatie ingediend.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte "op ontoelaatbare wijze heeft beperkt in het voeren van zijn verdediging".

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Verdachte geeft te kennen dat dit een politiek proces is. De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de relevante stukken van de zaak. De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb de brief van 4 juni 2011 aan betrokkene verzonden. Ik vind het kwalificerend wat ik heb geschreven. Ik spreek mij uit over het functioneren van een ambtenaar, een wethouder. Ik heb die bewoordingen gebruikt, gelet op de ernst van de zaak. Het zijn geen prettige woorden die ik heb gebruikt, maar de woorden kwamen mij passend voor. Natuurlijk moeten mensen respectvol met elkaar om gaan, maar dat moet wederzijds gebeuren. betrokkene heeft er voor gezorgd dat mij dingen zijn overkomen. Ik ben zeer hardhandig door de politie uit de Arnhemse raadzaal ontvoerd tijdens een openbaar debat. Ik ben diverse keren door negers agressief bejegend. Ik ben hartpatiënt en ik ben tot drie keer toe belaagd door die bende onvolwassen racistische negers en dat heb ik in mijn brief aan betrokkene vermeld. Ik kon mij niet verdedigen, want ik stond stijf van de reuma. betrokkene faciliteert zaken door zijn politieke opvattingen, en de situatie die daar uit voortkomt, bevalt mij niet. Daarom heb ik deze woorden in mijn brief gebruikt. Door deze aanvallen heb ik volgens de cardioloog een verminderde elektrische doorstroming van mijn hart. Ik gebruik ook medicijnen.

De oudste raadsheer houdt verdachte voor dat hij op 22 april 2011 door het Gerechtshof Arnhem is veroordeeld.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

De behandeling van die zaak door mr Van den Dungen als politierechter beviel mij totaal niet. Ik heb die zaak onderbroken. Ik ben ook niet in kennis gesteld van het vonnis. Ik ben zelf bij de zitting geweest, zowel bij de rechtbank als bij het hof. Die zaak ging ook over het plaatsen van die moskee.

De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:

In korte tijd is twee keer door betrokkene aangifte gedaan ter zake van geschriften met beledigende teksten die verdachte heeft gestuurd. De oorzaak en de reden van verdachte om zo te handelen zit in het feit dat verdachte betrokkene verantwoordelijk houdt voor de herplaatsing van een moskee in Klarendal, als gevolg waarvan verdachte hinder ondervindt. De tekst is beledigend, maar ook op de rand van bedreigend. Ik acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij verantwoordelijk is voor het versturen van de brief aan betrokkene, die voorheen een publieke functie vervulde. Verdachte vindt zijn taalgebruik kwalificerend en gepast, maar dat is totaal niet aan de orde. Dit is beledigend. Woorden als landverrader, amoreel zwijn, ploert en dictator. Dit overschrijdt de grenzen van fatsoen en vrijheid van meningsuiting. Verdachte is eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. De veroordeling van de rechtbank heeft plaatsgevonden voor het plegen van dit feit. Verdachte trekt zich niets aan van de gerechtelijke uitspraak. De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De voorzitter geeft verdachte het woord en geeft daarbij aan dat hij zich dient te beperken tot een betoog wat ziet op deze zaak. De verdachte voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven: Eén van de daders heeft mij als dader aangewezen en ik word vervolgd. Waarom sta ik hier en niet u? Van een slachtoffer wordt een dader gemaakt. Wij zijn allemaal geconditioneerd. Wij zijn elk een eigen entiteit. Ik ook, u heeft met mijn cortex te maken. De voorzitter geeft te kennen dat verdachte ter zake dient te komen en geen betoog dient te houden over zijn cortex. De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven: Ik kan mij niet anders verdedigen dan door dit betoog te houden. Het klopt wat ik heb geschreven. Dit is een politiek proces, dat onderdeel uitmaakt van koehandel. Artikel 147 Sr staat op de nominatielijst om op de schroothoop te belanden. Artikel 137 Sr is door Wilders als achterlijk gekwalificeerd. Artikel 266 Sr laat uitdrukkelijk het kwalificeren van functionarissen in zijn/haar ambt open. Ik ben niet strafbaar. Ik kan mij niet adequaat verdedigen. Ik spreek verder over mijn cortex. De voorzitter geeft te kennen dat verdachte zijn pleidooi dient te beperken tot het tenlastegelegde en niet over zijn cortex. De verdachte verklaart zakelijk weergegeven: Ik voel mij het zwijgen opgelegd. Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden. Na gehouden beraad, geeft de bode te kennen dat verdachte tussentijds de zaal heeft verlaten en dat hij niet wenst terug te keren voor de uitspraak van het arrest."

Beoordeling Hoge Raad

De verdachte is door de voorzitter van het hof beperkt in zijn pleidooi tot hetgeen van belang is voor het tenlastegelegde. Het betreft hier een beslissing van de voorzitter ten behoeve van de handhaving van de orde op de terechtzitting. Daartegen staat geen beroep in cassatie open (vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9897, NJ 2010/303). In zoverre moet het middel onbesproken blijven.

Voor zover het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is omdat de verdachte niet overeenkomstig art. 311, tweede lid, Sv het woord heeft kunnen voeren, mist het feitelijke grondslag en kan het dus niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Flora- en faunawet & Grondslagverlating

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:853

Feiten

Aan de verdachte is onder 4 onder meer tenlastegelegd het opzettelijk onder zich hebben van "één of meer vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 8, althans een of meer vinken en/of 55, althans een of meer (grote en/of kleine) goudvinken".

Daarvan is door het Hof bewezenverklaard het opzettelijk onder zich hebben van "vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten meer vinken en meer goudvinken".

Tweede middel

Het middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

Beoordeling Hoge Raad

De klacht dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, behoeft geen bespreking nu niet wordt aangevoerd dat blijkens de gebezigde bewijsvoering 's Hofs bewezenverklaring méér dan 8 vinken en 55 goudvinken betreft.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Derde middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde wat betreft de noordse goudvink en de afrikaanse vink niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Onder 4 is ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard het opzettelijk onder zich hebben van vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten afrikaanse vinken en een noordse goudvink.

Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, in:

"Vast staat dat de tenlastegelegde vogels behoren tot inheemse beschermde diersoorten, waarop de Flora en Faunawet en de daaronder liggende regelingen van toepassing zijn. Voor zover de tenlastelegging ziet op de Noordse goudvink en de Afrikaanse vink is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat dit ondersoorten van respectievelijk de goudvink en de vink zijn en dat zij van nature op Europees grondgebied van de Europese Unie voorkomen, zodat deze soorten daarmee behoren tot beschermde inheemse diersoorten."

Ingevolge art. 13, eerste lid, Flora- en faunawet is het onder meer verboden dieren die tot een beschermde inheemse diersoort behoren, onder zich te hebben. In art. 4, eerste lid aanhef onder b, van die wet zijn - afgezien van hier niet relevante uitzonderingen - alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels aangemerkt als beschermde inheemse diersoort. Ingevolge art. 1, tweede lid, van genoemde wet wordt onder "soort" mede verstaan: "ondersoort".

Het is van algemene bekendheid dat de afrikaanse vink (Fringilla coelebs africana) een ondersoort is van de soort (boek)vink (Fringilla coelebs) en dat de noordse goudvink (Pyrrhula pyrrhula pyrrhula) een ondersoort is van de goudvink (Pyrrhula pyrrhula). Gelet hierop moet 's Hofs overweging aldus worden verstaan dat de noordse goudvink en de afrikaanse vink ondersoorten zijn van respectievelijk de goudvink en de vink, dat deze soorten van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomen, zodat ook genoemde ondersoorten behoren tot de door de Flora- en faunawet beschermde diersoorten.

Het middel miskent dat de regel van art. 339, tweede lid, Sv dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs behoeven, ook ziet op gegevens die zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kunnen worden achterhaald. Daarom faalt het middel.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Economische zaak & Strafoplegging

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:850

Essentie

Het Hof, dat uitdrukkelijk heeft overwogen dat het rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van verdachte v.zv. deze ttz. is gebleken, heeft kennelijk geoordeeld dat de draagkracht van verdachte toereikend is om de opgelegde – voor de helft voorwaardelijke – geldboete te voldoen. Dat is in het licht van hetgeen door en namens verdachte omtrent o.m. het bedrag van zijn uitkering is aangevoerd, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Feiten

Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 3 april 2012 de verdachte ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan veroordeeld tot een geldboete van € 8.000, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan € 4.000, subsidiair 50 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Middel

Het middel behelst de klacht dat de strafoplegging, gelet op een gevoerd strafmaatverweer, onvoldoende met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof, dat uitdrukkelijk heeft overwogen dat het rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte voor zover deze ter terechtzitting is gebleken, heeft kennelijk geoordeeld dat de draagkracht van de verdachte toereikend is om de opgelegde - voor de helft voorwaardelijke - geldboete te voldoen. Dat is in het licht van hetgeen door en namens de verdachte omtrent onder meer het bedrag van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is aangevoerd, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. De strafoplegging is in dit opzicht dus toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bevoegdheid rechter om o.g.v. art. 36e lid 5 Sr het bedrag dat de betrokkene aan de Staat dient te betalen lager vast te stellen

Hoge Raad 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860

Feiten

Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 25 november 2011 bepaald dat aan de betrokkene geen verplichting aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt opgelegd.

Middel

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de beslissing van het Hof dat aan de betrokkene geen betalingsverplichting wordt opgelegd.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel bevat ten eerste de klacht dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bevoegdheid van de rechter op grond van art. 36e, vijfde lid, Sr het bedrag dat de betrokkene aan de Staat dient te betalen lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel. Aan deze klacht ligt ten grondslag de opvatting dat die bevoegdheid van de rechter "enkel in relatie tot beperkte draagkracht kan worden toegepast". Deze opvatting vindt geen steun in de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 36e, vijfde lid, Sr en is derhalve onjuist, zodat de klacht faalt.

Het middel klaagt voorts dat de beslissing van het Hof dat aan de betrokkene geen betalingsverplichting wordt opgelegd, onvoldoende of onbegrijpelijk is gemotiveerd. Ook in zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat het "om redenen als door de raadsman in de door hem ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen en overgelegde pleitnota uiteengezet" termen aanwezig acht om aan de betrokkene geen betalingsverplichting op te leggen. De motivering van dat oordeel voldoet aan de daaraan, op grond van art. 359, vijfde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv en art. 511e Sv, gestelde eisen. Dit oordeel is voorts gelet op hetgeen door de raadsman is aangevoerd niet onbegrijpelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^