Beklag, beslag & Verschoningsrecht: Géén geschriften die voorwerp van het s.f. uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend? Géén zeer uitzonderlijke omstandigheden?

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740

Feiten

De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 19 juli 2012 het beklag van klager ex 552a Sv gericht tegen het voortduren van het onder klager gelegde beslag gegrond verklaard en de teruggave aan klager gelast van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Tegen deze beschikking heeft mr. C.E.J. Backer, officier van justitie bij het Functioneel Parket, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel dat de aantekeningen, gespreksnotities, e-mails en brieven die zich mogelijk in de inbeslaggenomen cliëntendossiers bevinden niet kunnen worden beschouwd als geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9694, NJ 1994/537 en HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439).

Het oordeel van de Rechtbank dat zich hier niet het geval voordoet dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klager onjuist is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een "verdenking van ernstige strafbare feiten, gepleegd door een verschoningsgerechtigde in de uitoefening van zijn beroep", welke feiten eruit bestaan dat de klager voor zijn cliënten op valse gegevens berustende vergunningsaanvragen heeft verzorgd, die omstandigheden niet zonder meer de conclusie wettigen dat de gehele inhoud van de desbetreffende cliëntendossiers voorwerp uitmaakt van een strafbaar feit of tot het begaan van een dergelijk feit heeft gediend.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Salduz-verweer: het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het consultatierecht van de aangehouden verdachte

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1752

Feiten

Het Gerechtshof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 23 december 2011 verdachte wegens ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en tot een werkstraf voor de duur van honderdvijftig uren (subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis).

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Verklaringen cliënt -> schending Salduz -> uitsluiten van het bewijs

Inleiding

1. Alle verklaringen die cliënt bij de politie heeft afgelegd dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat cliënt niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen alvorens hij deze verklaringen aflegde.

2. Op schriftelijke uitnodiging is cliënt op 14 november 2008 op het politiebureau te Heerenveen verschenen. Om 9.10 is cliënt aangehouden. Om 14:45 is cliënt in verzekering gesteld. Cliënt is die dag meerdere keren verhoord. Cliënt is om 18:06 uur heengezonden. Cliënt heeft de hele dag geen advocaat gesproken, terwijl hij bij het verhoor inzake de inverzekeringstelling hier uitdrukkelijk om vraagt.

Telefonisch contact?

3. De verdediging wenst te benadrukken dat de opmerking van cliënt tijdens het tweede verhoor (p. 44) over dat hij zijn advocaat heeft opgebeld niet juist is. Cliënt had op dat moment helemaal geen advocaat en heeft ook niet gebeld. Deze opmerking van cliënt is te kwalificeren als "stoerdoenerij". Uit het dossier volgt ook geenszins dat er contact is geweest met de advocaat.

4. Sterker nog, cliënt geeft duidelijk bij het verhoor terzake de inverzekeringstelling aan dat hij een advocaat wenst te spreken. Als hij al een advocaat had gesproken dan had hij ofwel niet zo expliciet om een advocaat gevraagd bij het verhoor voor de inverzekeringstelling ofwel hij had dan wel de naam van de advocaat genoemd.

5. Ik wens in dit verband nog op te merken dat ik ben benaderd door de echtgenote van cliënt om rechtsbijstand te verlenen. De echtgenote van cliënt heeft via de rechtsbijstand een aantal telefoonnummers van advocaten gekregen. Cliënt zat toen al vast en had geen nummer van een advocaat bij zich.

6. Mocht uw Hof op dit punt opheldering noodzakelijk vinden dan verzoek ik u de zaak aan te houden zodat het logboek van de arrestantenwacht kan worden opgevraagd. Hieruit zal blijken dat er geen contact is geweest met een advocaat.

7. En ook al stelt uw Hof wel vast dat er telefonisch contact is geweest tussen cliënt en een advocaat dan nog is er sprake van schending van het recht om een advocaat te consulteren.

8. Immers, cliënt geeft duidelijk bij zijn verhoor inzake de in verzekering stelling aan dat hij een advocaat wil spreken. (NB dit op een later tijdstip dan de opmerking over de advocaat). Dit verzoek van cliënt is niet gehonoreerd. Er is geen advocaat geweest. Cliënt heeft geen gesprek kunnen voeren met een advocaat.

9. Bovendien blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 dat een aangehouden verdachte voor aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Een actieve taak voor de politie dus. Dit is niet gebeurd.

Schending artikel 6 EVRM -> vormverzuim 359a -> bewijsuitsluiting

10. De Hoge Raad (om te beginnen 30 juni 2009) leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een aangehouden verdachte aan artikel 6 EVRM een aanspraak kan ontlenen op rechtsbijstand die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt gegeven om voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat te raadplegen.

11. Uit de uitspraak van 30 juni 2009 volgt dat als een verdachte niet de gelegenheid is geboden overleg te plegen met een advocaat dit een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert.

12. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 september 2011 expliciet overwogen dat een dergelijk vormverzuim, behoudens een tweetal uitzonderingen (waar i.c. geen sprake van is) zonder meer dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Er is, aldus de Hoge Raad geen plaats meer voor een nadere afweging in het licht van de beoordelingsfactoren van het tweede lid van artikel 359a.

13. Kortom, alle verklaringen van cliënt bij de politie zijn afgelegd voordat cliënt is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Al deze verklaringen dienen derhalve te worden uitgesloten van het bewijs."

Het Hof heeft in het bestreden arrest dienaangaande het volgende overwogen en beslist:

"Overweging met betrekking tot het bewijs

Raadsman bij het verhoor

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verdachte op 14 november 2008 afgelegde bekennende verklaring ten overstaan van de politie dient te worden uitgesloten voor het bewijs omdat hij door de verbalisanten voorafgaande aan dat verhoor niet in de gelegenheid is gesteld om een advocaat te spreken of te raadplegen. De verdediging verwijst hierbij naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 in de zaak van Salduz tegen Turkije en de daarop volgende uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2009.

Beoordeling

Verdachte is op 14 november 2008, na een schriftelijke uitnodiging, verschenen op het politiebureau te Heerenveen. Hij werd vervolgens omstreeks 09.10 uur aangehouden en is om 09.25 voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Verdachte heeft bij een verhoor op 14 november 2008 om 13.00 verklaard dat hij hoger beroep zou instellen en dat hij contact had gehad met zijn advocaat. Verdachte is op 14 november 2008 om 14.45 uur in verzekering gesteld en heeft toen in het verhoor bij gelegenheid van de inverzekeringstelling aangegeven dat hij een advocaat wenste te spreken. Op 14 november 2008 omstreeks 18.00 uur heeft verdachte, nadat hij tegenover de politie te kennen had gegeven nader te willen verklaren een deels bekennende verklaring afgelegd. Verdachte heeft zijn op die dag bij de politie afgelegde verklaringen ondertekend, nadat deze verklaringen hem waren voorgehouden en hij deze had doorgelezen.

Uit de "Salduz"-jurisprudentie van het Europese hof voor de Rechten van de Mens vloeit voort dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie de gelegenheid moet worden geboden om een advocaat te raadplegen. Verzuim hiervan levert een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering, dat, na daartoe strekkend verweer in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak door verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor dat is aangevangen om 13.00 uur expliciet is verklaard dat hij zijn advocaat al had gebeld. Nu verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 op het politiebureau meldde, op de hoogte was van de kwestie waarover de politie hem wilde horen, heeft verdachte ruimschoots de gelegenheid gehad om vóór 14 november 2008 een advocaat te raadplegen. Tegen die achtergrond wekte de opmerking van verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman dan ook geen bevreemding en lag het eigenlijk ook wel voor de hand dat hij vooraf reeds een raadsman geconsulteerd had gelet op de impact van de zaak en de belangen die voor verdachte op het spel stonden. In het licht daarvan is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim doordat verdachte niet gewezen is op zijn recht om een advocaat te raadplegen nu de politie gelet op de opmerking van verdachte ervan uit mocht gaan dat verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Bij die stand van zaken kan de bekennende verklaring die verdachte in een verhoor dat die dag omstreeks 18.00 uur op zijn uitdrukkelijke verzoek heeft plaats gevonden, dan ook zonder meer voor de bewijsvoering worden gebruikt.

Het verweer strekkend tot bewijsuitsluiting van de bij de politie afgelegde verklaringen wordt dan ook verworpen."

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met een gevoerd verweer de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken.

Beoordeling Hoge Raad

Een verdachte die door de politie is aangehouden, kan aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. De aangehouden verdachte dient vóór de aanvang van het eerste verhoor te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (vgl. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349).

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte nadat hij was aangehouden niet voorafgaand aan zijn eerste verhoor is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. Naar het oordeel van het Hof levert dat in het onderhavige geval geen vormverzuim op. Dat oordeel berust op de overwegingen van het Hof dat de verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 meldde, ruimschoots de gelegenheid heeft gehad een advocaat te raadplegen en dat in het licht daarvan de politie uit de opmerking van de verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman, ervan mocht uit gaan dat de verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Door het verweer op deze grond te verwerpen en de door de verdachte afgelegde verklaring als door de verdediging bedoeld voor het bewijs te bezigen, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het consultatierecht van de aangehouden verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Het oordeel van de Rb dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1736

Feiten

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie met machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 126nf Sv op 8 september 2011 een vordering tot het verstrekken van gevoelige gegevens gericht aan de forensische psychiatrische afdeling verslaafden van de Stichting Mondriaan te Heerlen. De vordering betreft gegevens die onder de verantwoordelijkheid vallen van klager, geneesheer-directeur van de Stichting Mondriaan. Omdat klager zich ten aanzien van de gevorderde gegevens op het medisch beroepsgeheim beroept, worden de relevante documenten van de Mondriaan Zorggroep in afwachting van de uitkomst van de beklagprocedure in een verzegelde envelop in bewaring gehouden door de rechter-commissaris.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de op de voet van art. 126nf lid 1 Sv van klager gevorderde gegevens onder het medisch beroepsgeheim vallen.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat tot personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv een vordering als bedoeld in art. 126nf in verbinding met art. 126nd, tweede lid derde volzin, Sv kan worden gericht, maar dat zij niet verplicht zijn aan een dergelijke vordering te voldoen voor zover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn. De beslissing van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, zal door de rechter in beginsel dienen te worden geëerbiedigd. In beginsel, omdat de rechter een marginale toetsing toekomt ten aanzien van het standpunt van de arts dat het gaat om onder het verschoningsrecht vallende gegevens. Indien de rechter oordeelt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat dat standpunt onjuist is, zal hij de beslissing van de arts om de gegevens niet te verstrekken, terzijde kunnen stellen. Dat laatste geldt ook indien naar het oordeel van de rechter sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat, hoewel het gaat om gegevens die object zijn van de aan de arts toekomende bevoegdheid tot verschoning, het verschoningsrecht moet worden doorbroken (vgl. HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263).

Het oordeel van de Rechtbank dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat gegevens over (al dan niet begeleid) verlof en over de vraag wanneer dit verlof heeft plaatsgevonden, betrekking hebben op de behandeling van de patiënt en de wijze waarop die behandeling plaatsvindt. De in de toelichting op het middel genoemde omstandigheid dat uit strafvorderlijk onderzoek reeds was gebleken dat de betrokkene in de inrichting van de klager onder medische behandeling stond, doet aan een en ander niet af.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nijmeegse scooterzaak moet over

De Hoge Raad heeft vandaag geoordeeld dat de Nijmeegse scooterzaak over moet. Het hof in Arnhem sprak de twee verdachten eerder vrij van het doodrijden van een overstekende voetganger. Dit ongeval gebeurde toen de verdachten samen op een scooter op de vlucht waren voor de politie en daarbij een rood stoplicht negeerden. Het hof sprak de verdachten vrij omdat het niet kon vaststellen wie van de twee de scooter bestuurde. Volgens de Hoge Raad hoeft dat aan een veroordeling niet in de weg te staan als de vlucht al was ingecalculeerd bij het beramen van het plan voor een overval.

Beide verdachten waren in januari 2010 op een scooter op pad gegaan met de bedoeling een hotel in Nijmegen gewapend te beroven. Toen zij in de buurt van het hotel politie tegenkwamen, gingen ze er hals over kop vandoor, daarbij alle verkeersregels negerend. Bij deze vluchtpoging reden ze door rood licht en schepten op een zebrapad een voetganger die bij groen licht bezig was over te steken. Deze voetganger overleed later in het ziekenhuis aan de gevolgen van de aanrijding. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot acht jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van het voorbereiden van de overval en voor het veroorzaken van het dodelijke ongeval en de medeverdachte tot 16 maanden gevangenisstraf (met vrijspraak van het veroorzaken van het dodelijke ongeval). In hoger beroep sprak het hof beiden vrij van het veroorzaken van het dodelijke ongeval (en veroordeelde hen onder meer voor het voorbereiden van een gewapende overval tot 24 maanden respectievelijk 18 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, gevangenisstraf). Het was volgens het hof niet duidelijk wie van de verdachten de scooter bestuurde en wie de bijrijder was, zodat het aankwam op de vraag of de verdachten als medeplegers verantwoordelijk konden worden gehouden voor het dodelijke ongeval. Dat medeplegen kon volgens het hof niet worden bewezen. Het Openbaar Ministerie stelde tegen deze vrijspraken beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Om de verdachten te kunnen veroordelen voor medeplegen van het veroorzaken van het dodelijke ongeval moet in dit geval worden vastgesteld  dat de wilde vlucht met de gevolgen daarvan onderdeel was  van de samenwerking in het kader van de voorbereiding van de overval.  Volgens het hof was bij de vlucht zelf van een bewuste en nauwe samenwerking niets gebleken. Met dat oordeel van het hof kan de Hoge Raad zich niet verenigen want,  zo stelt de Hoge Raad , het hof had ook moeten nagaan of in het gezamenlijke plan om een gewapende overval te plegen besloten lag dat de verdachten bij betrapping koste wat kost zouden vluchten. De Hoge Raad oordeelt verder dat voor het bewijzen van medeplegen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder was, niet is vereist dat (zoals het hof had overwogen) de rollen van bestuurder en bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het hof in Den Bosch.

Dit is een nieuwsbericht naar aanleiding van de uitspraken van de Hoge Raad van 17 december.

Lees de volledige uitspraken:

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht medeplegen valsheid in geschrifte in het kader van bijstandsfraude

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1750

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 30 september 2011 veroordeeld wegens het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 70 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de sociale recherche Flevoland, genummerd 070059/6017157/0, opgemaakt door [verbalisant 1], sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, als zodanig buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 6 augustus 2008:

1. als relaas van verbalisant [verbalisant 1] voornoemd, zakelijk weergegeven (blz. 3 ev):

In de periode 13 maart 2003 tot 6 november 2007 ontving verdachte een uitkering ingevolge de Abw/WWB, norm alleenstaande, middels de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Lelystad.

Aan de toekenning van de uitkering werd onder meer de voorwaarde verbonden dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling maken van alle feiten en omstandigheden, waaronder werkzaamheden en/of inkomsten en wijzigingen in de leefsituatie, waarvan hem/hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en de continuering van de uitkering.

Voor de verstrekking van deze gegevens dienden de verdachten gebruik te maken van verstrekte formulieren, zijnde de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren en/of mutatieformulieren. Voornoemde voorwaarde is bepaald in artikel 65 van de Abw.

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat verdachte [verdachte]:

- in de periode van 24 maart 2003 tot en met 30 juli 2008 al dan niet met onderbrekingen, in de gemeente Lelystad de ten name van [verdachte] gestelde rechtmatigheidsonderzoeksformulieren kennelijk opzettelijk valselijk heeft ingevuld en ondertekend en vervolgens als echt en onvervalst heeft ingeleverd bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Lelystad, waardoor hij een uitkering ontving, waarop hij geen recht had;

2. een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 14):

Ik ben aangehouden omdat [verdachte] wel eens bij mij is. Ik had een LAT-relatie met [verdachte]. Ik heb een uitkering van de gemeente. Ik heb wel met [verdachte] samengewoond. Ik heb [verdachte] uit de woning gezet en wilde geen relatie meer. [verdachte] en ik zijn nooit echt los van elkaar geweest. [verdachte] is nu veel bij mij. Met veel bedoel ik 3 à 4 dagen per week. Dit is zo sinds een maand of 3 à 4. [verdachte] sliep daarvoor ook vaak bij mij maar nooit de hele week.

3. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1]. wonende [a-straat 1] te Lelystad, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 17):

Opmerking: verbalisanten tonen de kopie pasfoto's van [verdachte] en [medeverdachte].

Deze personen wonen allebei op de [a-straat 2]. Ik woon al 15 jaar op dit adres. Zij wonen alle twee zeker 14 jaar op de [a-straat 2]. Ze zijn net na mij hier komen wonen. Ik weet dat allemaal omdat ik goed zicht heb op de woning aan [a-straat 2]. De man en de vrouw wonen al 14 jaar onafgebroken op de [a-straat 2]. De man op de foto zie ik dagelijks.

4. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2], opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 22):

Op [a-straat 2] te Lelystad woont mijn vriendin [betrokkene 3], haar moeder [medeverdachte] en haar stiefvader [verdachte]. [verdachte] staat niet ingeschreven op [a-straat 2]. Ik kom ongeveer al drie jaar bij [betrokkene 3] over de vloer. Sinds die tijd is [verdachte] ook op de [a-straat 2].

5. als schriftelijke bescheiden, rechtmatigheidsonderzoeksformulieren AWB/WWB van de gemeente Lelystad, Afdeling Werk en Inkomen, gericht aan en ondertekend door verdachte en betrekking hebbend op de periode 13 maart 2003 tot en met november 2007 (bijlage 27 - de Hoge Raad leest: 26)."

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. V.C. van de Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring ten aanzien van het 'medeplegen' onvoldoende met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte meermalen "tezamen en in vereniging met een ander" een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift valselijk heeft opgemaakt, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed en is het middel in zoverre derhalve terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^