Bewijsklacht schuldheling en verduistering terecht voorgesteld

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1180

Feiten

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 26 januari 2012 de verdachte ter zake van 2. primair medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, 3. diefstal door twee of meer verenigde personen, en 5. eerste en tweede cumulatief/alternatief schuldheling en verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Voorts bevat het arrest enkele bijkomende beslissingen.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4-6 is het middel terecht voorgesteld. In het bijzonder klaagt het dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

Conclusie AG Aben

De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat de verdachte betrokken is geweest bij de zware mishandeling van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] in het huis van die [betrokkene 7], alsmede dat de verdachte de sleutelbos en de portemonnee van die beide slachtoffers heeft weggenomen (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). Tevens houden de bewijsmiddelen in dat in de woning van de verdachte zijn aangetroffen twee rijbewijzen ten name van [betrokkene 2] en [betrokkene 1], twee paspoorten ten name van [betrokkene 3] en [betrokkene 4], één bankpas ten name van [betrokkene 5] en twee portemonnees met onder andere identiteitskaarten ten name van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] (bewijsmiddel 6). Uit onderzoek van de politie is voorts gebleken van de aangiftes van vermissing van de voornoemde paspoorten en de bankpas, en de aangiftes van diefstal (uit een personenauto) waarbij de rijbewijzen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zouden zijn buitgemaakt (bewijsmiddel 7). De bewijsmiddelen houden evenwel niets in met betrekking tot verdachtes wetenschap van de herkomst van deze goederen en evenmin verschaffen zij uitleg over hoe de verdachte in het bezit van deze goederen is gekomen. Een nadere motivering door het hof wordt hier node gemist. Aldus is het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de rijbewijzen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren niet begrijpelijk. Evenmin is zonder nadere motivering, die ontbreekt, begrijpelijk het oordeel van het hof dat de verdachte de paspoorten van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en de bankpas van [betrokkene 5] zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bevoegdheid economische kamer Hof

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1182

Feiten

De economische kamer van het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 4 april 2012 voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 2500.

Mr. A.M. de Koning, advocaat te 's-Gravenhage heeft cassatie ingesteld.

Middel

Het eerste middel klaagt dat een economische kamer van het hof over het strafbaar feit heeft geoordeeld dat geen economisch delict is, terwijl niet aan de voorwaarden van artikel 39 WED is voldaan. Bovendien was verdachte gedagvaard voor de gewone strafkamer van het hof en de economische kamer heeft over de zaak geoordeeld.

Beoordeling Hoge Raad

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 26 januari 2006 te Dordrecht en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

a. (een) 'melding(en)/verzoek(en) om verklaring Energieinvesteringsaftrek (EIA)', te weten

- op naam van [betrokkene 1], gedateerd 26 januari 2006 (D-018) en/of

- op naam van [betrokkene 2], gedateerd 26 januari 2006 (D-020) en/of,

b. (een) 'melding(en) milieu-investeringsaftrek/willekeurige afschrijving (MIA/VAMIL)',te weten

- op naam van [betrokkene 1], gedateerd 26 januari 2006 (D-021) en/of

- op naam van [betrokkene 2], gedateerd 26 januari 2006 (D-022), -

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk die melding(en) EIA en/of MIA/VAMIL voorzien van de naam van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of een handtekening welke moest doorgaan voor de handtekening van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

subsidiair: voor zover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 26 januari 2006 te Breda en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

a. 'melding(en)/verzoek(en) om verklaring Energieinvesteringsaftrek (EIA), te weten

- op naam van [betrokkene 1], gedateerd 26 januari 2006 (D-018) en/of

- op naam van [betrokkene 2], gedateerd 26 januari 2006 (D-020) en/of,

b. 'melding(en) milieu – investeringsaftrek/willekeurige afschrijving (MIA/VAMIL)', te weten

- op naam van [betrokkene 1], gedateerd 26 januari 2006 (D-021) en/of

- op naam van [betrokkene 2], gedateerd 26 januari 2006 (D-022),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen –

als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, althans (telkens) opzettelijk die valse of vervalste melding(en) EIA en/of MIA/VAMIL voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) het echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken althans dat voorhanden hebben hierin dat verdachte dat/die geschrift (en) heeft toegezonden althans doen toekomen aan Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving te Breda en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat die melding(en) EIA en/of MIA/VAMIL is /zijn voorzien van de naam van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of een handtekening welke moest doorgaan voor de handtekening van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]."

De stukken van het geding houden in dat de verdachte in eerste aanleg is gedagvaard voor de meervoudige economische kamer van de Rechtbank Dordrecht en dat deze kamer de zaak heeft behandeld en uitspraak heeft gedaan op 14 december 2012. Ingevolge art. 52 WED in verbinding met art. 64 RO behandelen en beslissen de gerechtshoven in hoger beroep de zaken waarin door economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen. Dit betekent dat de strafzaak in hoger beroep kon worden behandeld en beslist door de meervoudige economische kamer van het Hof.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verweer ex art. 359a Sv. Onrechtmatig binnentreden?

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1153

Feiten

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij omstreeks de periode van 01 april 2005 tot en met 18 oktober 2005 te Schiedam opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat]) een groot aantal hennepplanten zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat de inbeslagneming van de hennep in de woning en al hetgeen nog meer in die woning is aangetroffen, moet worden uitgesloten van het bewijs, nu er op het moment waarop de woning nadat het ex artikel 8 lid 2 van de Politiewet uitgevoerde onderzoek was afgerond en het onderzoek zich vervolgens en uitsluitend nog richtte op de hennepkwekerij en de inbeslagneming/ontmanteling daarvan geen vereiste/benodigde machtiging meer voorhanden was, een en ander zoals verwoord in zijn pleitnotities.

Dit verweer faalt reeds omdat het feitelijke grondslag ontbeert.

Immers, uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat het ex artikel 8 lid 2 van de Politiewet uitgevoerde onderzoek was afgerond en het onderzoek zich vervolgens uitsluitend nog richtte op de hennepkwekerij en de inbeslagneming/ontmanteling daarvan. Weliswaar ontbreekt de machtiging binnentreden in het dossier, echter uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, en mede gelet op het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal verslag binnentreden woning, d.d. 18 oktober 2005, is naar het oordeel van het hof, genoegzaam komen vast te staan dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], vergezeld van een aantal opsporingsambtenaren de bewuste woning naar aanleiding van een melding, in het kader van hulpverlening, als bedoeld in artikel 8 lid 2, van de Politiewet met de vereiste machtiging op grond van artikel 8, lid 2, van de Politiewet hebben betreden en - ook gelet op de in die woning aangetroffen (bloed)sporen die de melding dat er aldaar vermoedelijk een gewonde man zou liggen, ondersteunde - ook op goede gronden en rechtmatig zijn binnen getreden op dinsdag 18 oktober 2005 te 14.31 uur en die woning in het kader van dit onderzoek, waaronder het aantreffen van de hennepkwekerij - als 'bijvangst' - is verlaten die dag te 21.30 uur.

Naar het oordeel van het hof en in weerwil van hetgeen de raadsman heeft betoogd, is de inbeslagneming in deze dan ook rechtmatig geschied.

Voorts boden de in de woning aangetroffen (bloed)sporen ondersteuning aan de mogelijkheid dat een onbekend persoon gewond was geraakt en zich mogelijk nog in de woning bevond, een en ander zoals ook op ambtsbelofte gerelateerd in het verslag binnentreden woning als redengeving voor het binnentreden in deze en is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zelfs geen begin van aannemelijkheid naar voren gekomen op grond waarvan er twijfel rijst ten aanzien van de genoemde melding en de rechtvaardiging op grond daarvan binnen te treden.

Hetgeen de raadsman ter zake en in dit verband nog heeft betoogd, kan daar dan ook niet aan afdoen.

Het hof verwerpt dan ook het verweer en ziet derhalve geen aanleiding tot bewijsuitsluiting te komen dan wel enig verzuim te compenseren door strafvermindering zoals door de verdediging in dit verband is betoogd."

Bij arrest van 4 januari 2011 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 3 februari 2009 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof, waarna verdachte op 7 juli 2011 wegens 1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “ diefstal” is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering op de voet van art. 359a Sv onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Het gaat in dit geding om het volgende. Op 18 oktober 2005 om 14.31 uur zijn verbalisanten op grond van art. 8, tweede lid, Politiewet 1993 (thans art. 7, tweede lid, Politiewet 2012) en tevens voorzien van een machtiging tot binnentreden rechtmatig binnengetreden in de woning van de verdachte, die daarin niet aanwezig was. Daarbij is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Naar aanleiding daarvan is door de verbalisanten om assistentie verzocht, waarop een aantal andere verbalisanten ter plaatse is gekomen en de hennepkwekerij vanaf 16.00 uur tot 21.30 uur is ontmanteld. Niet vaststaat wanneer de verbalisanten die om assistentie hebben verzocht de woning hebben verlaten.

Namens de verdachte is de stelling betrokken dat, nadat het op de hulpverlening betrekking hebbende onderzoek kennelijk op enig moment was afgerond, een (nieuwe) machtiging tot binnentreden was vereist ten behoeve van het vanaf 16.00 uur door andere verbalisanten in de woning verrichte onderzoek met betrekking tot de hennepkwekerij, en dat bij gebreke daarvan de inbeslagneming van de hennepplanten en hetgeen tot de hennepkwekerij behoorde onrechtmatig is geweest, zodat daaraan op de voet van art. 359a Sv het gevolg bewijsuitsluiting, althans strafvermindering moet worden verbonden.

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden terwijl de betreffende verbalisant(en) niet in het bezit was/waren van de op grond van de Awbi vereiste machtiging tot binnentreden, en dat het ontbreken van die machtiging een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv oplevert.

Voor het antwoord op de vraag of dit verzuim van dien aard is geweest dat het door de inbeslagneming verkregen materiaal van het bewijs moet worden uitgesloten of tot strafvermindering aanleiding moet geven, geldt het volgende. In het onderhavige geval, waarin de eerder aanwezige en zich rechtmatig in de woning van de - afwezige - verdachte bevindende verbalisanten op de voet van art. 9 Opiumwet bevoegd zouden zijn geweest tot onmiddellijke inbeslagneming van het daarvoor vatbare materiaal dat verband hield met de door hen aangetroffen hennepkwekerij, kan niet gezegd worden dat door het ontbreken van de machtiging tot binnentreden van de binnen niet al te lange tijd na het aantreffen op verzoek van de eerstbedoelde verbalisanten ter plaatse gekomen andere verbalisanten een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en evenmin dat de verdachte, die zulks ook niet heeft gesteld, daardoor daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Daarop stuiten de klachten van het middel af.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Toevoeging (andere) raadsman

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1155

Feiten

Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft verdachte op 30 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 22 december 2009.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest nietig zijn, omdat het Hof gehouden was een andere raadsman toe te voegen.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2011 is de verdachte aldaar, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen. Verder vermeldt dit proces-verbaal:

"De voorzitter deelt vervolgens mee dat is ingekomen een brief van mr. A.P.A. Snijders, advocaat te Heerlen, d.d. 3 mei 2011, waarin hij mededeelt dat hij bij de rechtbank te Maastricht al was teruggetreden als advocaat van verdachte en dat hij zijn cliënt hieromtrent separaat heeft aangeschreven. De voorzitter stelt vast dat er in het dossier geen grieven tegen het vonnis van de eerste rechter zijn aangetroffen. De advocaat-generaal voert daarop het woord als volgt. Het is juist dat in deze zaak door de verdachte geen schriftelijke grieven tegen het vonnis zijn ingediend.

Nu de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en derhalve ook mondeling geen bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, concludeer ik daaruit dat de verdachte geen belang heeft bij een behandeling van de strafzaak in hoger beroep.

Gelet daarop vorder ik dat het hof de verdachte niet ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

De advocaat-generaal leest daartoe zijn vordering voor en legt die aan het hof over.

Na beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden."

Bij de stukken van het geding bevinden zich voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende stukken.

(i) Een door de Rechter-Commissaris in de Rechtbank Maastricht op 2 juni 2009 verleend bevel tot bewaring van de verdachte.

(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 8 december 2009 inhoudende dat aldaar de verdachte wel, doch zijn raadsman niet is verschenen. Verder vermeldt dit proces-verbaal: "De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De verdachte verklaart desgevraagd: Ik wens mij niet langer te laten bijstaan door mr. Snijders. Ik heb geen raadsman nodig. Het is een bewuste keuze om zelf mijn verdediging te voeren.

De voorzitter merkt op dat verdachte, mocht hij tijdens de behandeling van de zaak van gedachten veranderen, kan aangeven dat hij zich wenst te laten bijstaan door een raadsman. (...)

De verdachte laat blijken dat hij de strafeis van de officier van justitie niet heeft begrepen.

De voorzitter legt vervolgens aan de verdachte uit wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank onderbreekt het onderzoek teneinde zich te beraden over de vraag of het onderzoek kan worden voortgezet zonder dat verdachte wordt bijgestaan door een raadsman.

De rechtbank hervat het onderzoek.

De voorzitter vraagt aan de verdachte of hij zich alsnog wil laten bijstaan door een raadsman.

De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-:

Ik heb geen behoefte aan een raadsman. Ik wil dat het onderzoek wordt voortgezet. Aan een behandeling door een psycholoog zal ik absoluut niet meewerken. Mocht de vordering benadeelde partij worden toegewezen, dan zal ik deze niet betalen. Na mijn invrijheidsstelling vertrek ik naar Suriname.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 22 december 2009 te 12.30 uur."

(iii) Een op 13 april 2011 door de voorzitter van het Hof gegeven en tot de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch gerichte last tot toevoeging van mr. A.P.A. Snijders als raadsman aan de verdachte.

(iv) De - hiervoor onder 3.2 genoemde - aan het Hof gerichte brief van mr. Snijders van 3 mei 2011, inhoudende:

"In opgemelde zaak ontving ik de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 april 2011 (...) alsmede het bewijs van toevoeging.

Ik kan u bij deze berichten dat ik ook bij de rechtbank Maastricht al ben teruggetreden als advocaat van cliënt en dat cliënt de behandeling van zijn zaak zelf heeft gedaan zonder behulp van een advocaat. Ik treed dus ook in hoger beroep niet op voor cliënt en ik doe u hierbij de desbetreffende stukken wederom toekomen.

Ik heb cliënt hieromtrent ook al separaat aangeschreven."

(v) De - hiervoor onder (iv) bedoelde - aan de verdachte gerichte brief van mr. Snijders van 20 april 2011, inhoudende:

"Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft mij het dossier in uw strafzaak toegezonden onder de mededeling dat de zaak wordt behandeld op donderdag 30 juni 2011 te 11.30 uur. Kennelijk is het Gerechtshof er vanuit gegaan dat ik nog steeds uw raadsman ben.

Zonder andersluidend tegenbericht ga ik ervan uit dat u van mijn diensten geen gebruik meer wenst te maken. Voorts neem ik aan dat u zich zult wenden tot een andere advocaat. Wilt u mij de gegevens van die advocaat kenbaar maken zodat ik het dossier en de overige bescheiden aan hem kan toesturen."

Ingevolge art. 41, eerste lid aanhef en onder b, Sv wordt aan de verdachte die geen raadsman heeft, door het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een raadsman toegevoegd wanneer hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg en het een zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen, op ambtshalve last van de voorzitter van het gerechtshof.

Ingevolge art. 45, eerste lid, Sv wordt bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman zo nodig aan de verdachte onverwijld een andere raadsman toegevoegd. Ingeval de raadsman is toegevoegd op last van een rechterlijke autoriteit, dient ingevolge het derde lid van voornoemde bepaling de vervanging na een daartoe strekkende last van die autoriteit te geschieden. Blijkt van de verhindering of ontstentenis van de raadsman pas op de terechtzitting, dan dient ingevolge het vierde lid van voornoemde bepaling de voorzitter last tot toevoeging van een andere raadsman te geven.

In dit geval heeft de verdachte voorlopige hechtenis ondergaan en is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan hem op de voet van art. 41, eerste lid, Sv een raadsman toegevoegd. Uit de stukken van het geding blijkt evenwel dat die raadsman zich reeds in eerste aanleg uit de zaak had teruggetrokken en dat hij het bewijs van toevoeging in hoger beroep voorafgaande aan de terechtzitting aan het Hof heeft teruggestuurd met bericht dat hij ook in hoger beroep niet voor de verdachte optreedt. De stukken van het geding houden niet in dat in hoger beroep een andere advocaat zich als raadsman heeft gesteld en evenmin dat toevoeging van een andere raadsman als bedoeld in art. 45, eerste lid, Sv heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte in hoger beroep geen raadsman heeft gehad. Uit de stukken van het geding bijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat, gelet op het in het eerste lid van art. 45 Sv vervatte voorbehoud, in dit geval van de toevoeging van een andere raadsman kon worden afgezien.

De in het belang van de verdachte gegeven voorschriften vervat in de art. 41, eerste lid aanhef en onder b, Sv en 45, eerste, derde en vierde lid, Sv zijn van een zo grote betekenis dat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet nakoming daarvan geacht moet worden aan een geldige behandeling van het onderzoek op de terechtzitting in de weg te staan.

Het middel is dus terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bewijsklacht: Ongeloofwaardige verklaring verdachte

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1159

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 22 maart 2012 bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de motivering daarvan, een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2010 waarbij verdachte schuldig is bevonden aan 1) voorbereiding van diefstal met geweld of afpersing; 2) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en 3) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het hof heeft verdachte ter zake hiervan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring.

Het middel klaagt dat de Rechtbank de verklaring van de verdachte, die in de bewijsmotivering als volgt is weergegeven: "de revolver zat in mijn tas maar ik weet er niets vanaf; ik leen mijn auto vaak uit aan anderen en die laten wel eens spullen hierin achter; een vriend van mij gebruikt een van de bivakmutsen bij optredens terwijl hij niet in beeld wil komen."

En die door haar niet geloofwaardig is geacht, ten onrechte onder "de bewijsmiddelen" heeft opgenomen.

Beoordeling Hoge Raad

De werkwijze die de Rechtbank in de onderhavige zaak in haar zogenoemde Promis-vonnis heeft gevolgd ten aanzien van de - door het Hof overgenomen - bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij de Rechtbank heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387). In dat opzicht wijkt het onderhavige vonnis af van de beslissing waarop het in het middel genoemde arrest HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8498 betrekking heeft.

De Rechtbank heeft in haar bewijsmotivering tot uitdrukking gebracht dat zij geen geloof heeft gehecht aan de verklaring van de verdachte. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter in zijn bewijsmotivering feiten of omstandigheden - hier de inhoud van voormelde verklaring van de verdachte - weergeeft teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat daaraan moet worden voorbijgegaan (vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1182, NJ 2008/612).

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^