NN-verdachte?

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:888

Feiten

Bij arrest van 18 november 2011 is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam wegens het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven.

Namens de verdachte heeft mr F. Van Baarlen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof de niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte heeft uitgesproken, onder meer door van de verdachte te eisen dat hij bij het gebruik maken van de appélbevoegdheid andere persoonsgegevens opgeeft dan gedurende de gehele strafprocedure door alle instanties zijn gebruikt.

AG Jörg

Terecht heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat geen rechtsmiddel kan worden aangewend door iemand die op andere wijze dan bij name aangeduid, dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens (HR 12 december 2006, LJN AZ3287, NJ 2007/13). Echter, dit geval doet zich hier niet voor nu het hoger beroep niet is ingesteld tegen een vonnis waarin de verdachte op andere wijze dan bij name is aangeduid. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat is gewezen ten laste van een persoon die zich verdachte noemt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe verklaard dat de verdachte veroordeeld is onder de naam verdachte.

De situatie dat iemand zich van verschillende namen bedient – al dan niet als alias – is, als ik het goed zie, geen bezwaar gebleken om die persoon te berechten. Het verdedigingsrecht lijkt mij in de weg te staan aan een weigering van de rechter om iemand in appél te ontvangen, omtrent wie geen twijfel bestaat dat hij dezelfde persoon is die in eerste aanleg is berecht. Dat er twijfel bestaat of de door de verdachte gebruikte naam wel de naam is waaronder hij na zijn geboorte in de registers van enige burgerlijke stand of in een register met een vergelijkbare functie is ingeschreven behoeft zeker niet in te houden dat die persoon niet te identificeren valt. Niet zelden zijn mensen algemeen bekend onder een andere naam dat de oorspronkelijke. Daarin onderscheidt dit geval zich van de NN-rechtspraak: wie in eerste aanleg als anonymus terecht heeft gestaan kan dat spelletje niet voortzetten door in de appélakte een fake-naam (zoals Jan Jansen of Piet Pietersen) aan te nemen. Kortom, de enkele omstandigheid dat iemand zich zowel in eerste als tweede aanleg van een andere naam dan zijn burgerlijke stand-naam bedient leidt niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde beroep. Daarvoor is aanleiding als er meer dan gerede twijfel is of de persoon die in appél wordt berecht wel dezelfde is als die welke in eerste aanleg terecht stond.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt ECLI:NL:HR:2007:AZ6694.

In casu is het vonnis op naam gesteld van X, is het hoger beroep ingesteld namens X en heeft de gemachtigde raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat haar cliënt de persoon is ten wiens laste het vonnis is gewezen

HR: Anders dan het Hof heeft geoordeeld doet zich hier niet het geval voor dat het hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis waarin de verdachte op andere wijze dan bij naam is aangeduid. De enkele omstandigheid dat verdachte in werkelijkheid anders is genaamd leidt niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Gasflessen (drukhouders) & etiketteringsvoorschrift

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:878

Feiten

Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 28 februari 2012 wegens overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan, veroordeeld tot een geldboete van € 1125 waarvan € 575 voorwaardelijk.

Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. V.Q. Vallenduuk, advocaat te Zaandam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

Eerste Middel

Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat elke afzonderlijke drukhouder een gevaarsetiket diende te dragen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft vastgesteld dat een chauffeur in dienst van de verdachte met een vrachtwagen 29 in een kooi geplaatste drukhouders met propaan en/of butaan heeft vervoerd waarvan 7 nog gedeeltelijk waren gevuld en niet voorzien van een gevaarsetiket.

Voor de beoordeling van het middel gaat het meer in het bijzonder om de uit het ADR (Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route) volgende verplichting dat "elk voorwerp of elke stof, opgenomen in tabel A van hoofdstuk 3.2" bij het vervoer over de weg is voorzien van een etiket zoals nader vastgesteld in randnummer 5.2.2.1.1 van bijlage A bij het ADR. Propaan en butaan zijn in genoemd hoofdstuk 3.2 vermeld als gevaarlijke stoffen. Voor lege, ongereinigde drukhouders geldt dat zij mogen worden vervoerd met verouderde of beschadigde etiketten teneinde opnieuw gevuld dan wel onderzocht te worden en een nieuw etiket overeenkomstig de geldende voorschriften aan te brengen, of met het doel de drukhouders te verwijderen (randnummer 5.2.2.2.1.2).

In aanmerking genomen dat vorenbedoeld etiketteringsvoorschrift ertoe strekt dat met het oog op een doeltreffende bescherming van mens en milieu snel en eenvoudig kan worden vastgesteld of gevaarlijke stoffen worden vervoerd en zo ja welke, geeft 's Hofs oordeel dat elke gevulde althans niet geheel lege drukhouder diende te zijn voorzien van een gevaarsetiket en dat zulks niet anders is doordat alle houders dezelfde stof bevatten en in dezelfde kooi werden vervoerd, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering.

Het middel faalt.

Tweede Middel

Het middel klaagt dat het Hof de niet van een gevaarsetiket voorziene drukhouders ten onrechte niet als leeg heeft aangemerkt.

Het Hof heeft vastgesteld dat de in het middel bedoelde drukhouders gedeeltelijk gevuld waren met vloeistof. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat van algemene bekendheid is dat propaan en butaan bij normale temperatuur en normale druk gasvormig zijn en dat derhalve uit de omstandigheid dat zich in de houders vloeistof bevond, moet worden afgeleid dat de inhoud van de houders nog onder druk stond. Tegen die achtergrond geeft het oordeel van het Hof dat niet kan worden gezegd dat de drukhouders leeg waren in de zin van het ADR, randnummer 5.2.2.2.1.2, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Economische zaak: slagende bewijsklacht opzet

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:890

Feiten

De economische kamer van het gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft verdachte op 11 maart 2011 wegens opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, veroordeeld tot een geldboete van € 1.200, te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Bewezenverklaring & bewijsvoering

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 28 juli 2008 te Rotterdam, opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, met name heeft hij toen aldaar (ten behoeve van vervoer) een vervoermiddel, te weten de in de 2e Petroleumhaven afgemeerd liggende tankduwbak, (type N.2.2), genaamd "[A]", met benzine (klasse 3, UN 1203) beladen, althans doen en/of laten beladen, terwijl het navolgende voorschrift van bijlage 1 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (ADNR) niet in acht werd genomen, immers werd in strijd met voorschrift 7.2.4.25.5 van het ADNR de bij het laden naar buiten tredende gasmengsels niet via een leiding naar de wal afgevoerd, terwijl dit ingevolge voorschrift 3.2 Tabel C, kolom 7 werd vereist, aangezien genoemde gasmengsels, via de onderzijde van de tankdeksels van de tank 3 aan bakboordzijde en tanks 1 en 3 en 5 en 7 aan stuurboordzijde, naar buiten traden en de vrije atmosfeer instroomden."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van overtreding d.d. 22 augustus 2008 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nummer 2008257872-1, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 28 juli 2008 surveilleerden wij op de kade van olieraffinaderij Shell, gelegen aan de 2e Petroleumhaven te Rotterdam. Wij zagen aldaar dat aan laadplaats 4 van de Shell een tankduwbak lag gemeerd, genaamd: [A], scheepsnummer [0001], van het type N.2.2. Deze tankduwbak vormde samen met de duwboot [B] een duwstel. Wij zagen verder dat de tankduwbak [A] middels een laad- c.q. losleiding was verbonden met de walinstallatie van de Shell. Tevens zagen wij, dat de gasterugvoerleiding van de wal gemonteerd was op de gasverzamelleiding van de [A]. Vervolgens zagen wij dat de [A] een blauwe kegel als sein voerde zoals omschreven in voorschriftnummer 7.2.5.0.1 van het VBG/ADNR. Tevens zagen wij dat een man, vermoedelijk een opvarende, aan dek bezig was. Wij zagen dat deze man af en toe aan een afsluiter draaide. Vermoedelijk werd de [A] beladen met een gevaarlijke stof. Wij gingen vervolgens op grond van de Wet op de economische delicten ter opsporing aan boord van genoemd schip. De aanwijzing bestaat dat de regelgeving krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen over het water in het havengebied van Rotterdam niet voldoende wordt nageleefd. Aan dek van de [A] spraken wij een man, die ons verklaarde de stuurman te zijn. Verder verklaarde hij dat de [A] beladen werd met 2050 ton benzine, zijnde een brandbare vloeistof van de klasse 3, classificatiecode F1, verpakkingsgroep II en voorzien van het stofnummer UN 1202. Wij merken hierbij op dat voor deze lading benzine blijkens kolom 7 van tabel C van de lijst van gevaarlijke goederen in tankschepen van het VBG/ADNR een gesloten schip wordt vereist. Kolom 7 geeft bij de uitvoering van de ladingtank het nummer: 2. In de toelichting op Tabel C (voorschriftnummer 3.2.3) staat onder kolom 7 achter 2: ladingtank, gesloten. Dit betekent dat de bij het laden naar buiten tredende gas/luchtmengsels via een leiding naar de wal worden afgevoerd (via de gasterugvoerleiding). Aan dek van de [A] roken wij verbalisanten een sterkte benzinelucht. Wij hoorden en voelden dat via de onderzijde van de tankdeksels van de tank 3 aan bakboordzijde en de tanks 1, 3, 5 en 7 aan stuurboordzijde de bij het laden ontstane gassen naar buiten traden en de vrije atmosfeer instroomden. Deze gassen werden hierdoor niet via de gasterugvoerleiding naar de wal afgevoerd. Nadat de stuurman de knevels van genoemde deksels had aangedraaid, hoorden en voelden wij dat het naar buiten treden van deze gassen ophield. Vervolgens gingen wij naar de duwboot [B] en spraken aldaar een man, die ons verklaarde de schipper te zijn. Hij gaf ons op te zijn genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats], [a-straat 1].

Als verklaring van de verdachte:

Ik ben schipper van de duweenheid, bestaand uit de duwboot [B] en de daaraan gekoppelde tankduwbak [A]. Momenteel wordt de [A] beladen met 2050 ton benzine.

2. Het aanvullend proces-verbaal d.d. 24 maart 2009 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nummer 2008257872-2, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Abusievelijk hebben wij verbalisanten in het proces-verbaal voorzien van het nummer 2008257872-1 vermeld het stofnummer UN 1202. De juiste vermelding moet echter zijn stofnummer UN 1203."

Het Hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Anders dan de raadsman acht het hof, gelet op de verklaring van de verdachte, bewezen dat deze vanaf de aan de [A] gekoppelde [B] toezicht hield op de belading met benzine. Door controle op de deksels na te laten heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gasterugvoersysteem niet gesloten was."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft het opzet van de verdachte onvoldoende met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte de daarin omschreven handelingen opzettelijk heeft verricht, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

De klacht is gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, Economische Kamer, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: oordeel hof dat vernietiging door Gemeente A'dam van besluit Stadsdeel tot intrekking van het hoger beroep niet een bijzondere omstandigheid oplevert, geeft geen blijk onjuiste rechtsopvatting

Hoge Raad 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:888 

Feiten

De Rechtbank heeft de verdachte (Stadsdeel Amsterdam-Noord) bij vonnis van 23 november 2009 ter zake van handelen in strijd met een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan en begaan door een rechtspersoon, veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-. De economische kamer van het gerechtshof Amsterdam heeft het Stadsdeel op 10 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard in het tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:

"Namens de verdachte is op 4 december 2009 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2009. Het dagelijks bestuur van het [verdachte] (hierna: het Stadsdeel) heeft op 8 december 2009 een besluit genomen tot intrekking van het hoger beroep en heeft daartoe een volmacht verleend aan een van haar ambtenaren. Op 11 december 2009 is een akte intrekking hoger beroep opgemaakt. Op 10 mei 2010 heeft de Gemeente Amsterdam (hierna: de Gemeente) het besluit van het dagelijks bestuur van het Stadsdeel tot intrekking van het hoger beroep vernietigd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de intrekking van het hoger beroep niet rechtsgeldig is geschied. De vernietiging van het besluit tot intrekking van het Stadsdeel heeft terugwerkende kracht, hetgeen tot gevolg heeft dat het besluit van 8 december 2009 moet worden geacht nooit te zijn genomen. Hiermee is de basis aan de machtiging tot intrekking van het hoger beroep komen te ontvallen. Een intrekking die is uitgevoerd door een persoon die daartoe niet is gemachtigd is ongeldig, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. In het strafrecht geldt een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. In dit stelsel is bij wet bepaald wanneer en op welke wijze een rechtsmiddel kan worden ingesteld en ingetrokken. Deze wettelijke bepalingen zijn van openbare orde. Artikel 453 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een eenmaal ingesteld rechtsmiddel uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het beroep kan worden ingetrokken.

Voorts bepaalt dit artikel dat een intrekking afstand meebrengt van de bevoegdheid het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden. Op een intrekking van het rechtsmiddel kan derhalve niet worden teruggekomen. Het hof acht het dan ook onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat op deze intrekking van het hoger beroep wordt teruggekomen nu is vastgesteld dat het namens het Stadsdeel ingestelde hoger beroep op 11 december 2009 rechtsgeldig en onherroepelijk is ingetrokken. De omstandigheden die door de raadsvrouw zijn aangevoerd, doen aan dit oordeel niet af. Het verweer wordt verworpen."

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.A. Fibbe, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het hoger beroep rechtsgeldig is ingetrokken.

Beoordeling Hoge Raad 

Ingevolge art. 453, eerste lid, Sv brengt intrekking van het hoger beroep mee afstand van de bevoegdheid dit rechtsmiddel opnieuw aan te wenden. Dit heeft tot gevolg dat het desbetreffende vonnis onherroepelijk wordt en niet meer kan worden aangetast. Dit is slechts anders indien bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot het oordeel dat de intrekking van het hoger beroep - en de daarmee gedane afstand - niet kan gelden als intrekking van het hoger beroep in de zin van de art. 453-455 Sv.

Het oordeel van het Hof dat de vernietiging door de Gemeente Amsterdam op 10 mei 2010 van het besluit van het Stadsdeel van 8 december 2009 tot intrekking van het hoger beroep niet zo'n bijzondere omstandigheid oplevert, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Maatstaf afwijzing getuigenverzoek

Hoge Raad 1 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:851

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 31 januari 2011 verdachte wegens poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijk opgelegde straffen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van een maand en voor de duur van vier maanden. Tot slot heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verdachte een schadever-goedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

Beoordeling Hoge Raad
De Rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de hem tenlastegelegde poging tot doodslag. De Officier van Justitie heeft tegen deze vrijspraak hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de verdachte ter zake van voormeld misdrijf veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van zes jaren.

Bij de stukken van het geding bevindt zich:

(i) het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 4 oktober 2010; dit proces-verbaal houdt in dat het onderzoek van de zaak toen is aangevangen en dat dit vervolgens op verzoek van de raadsman van de verdachte is geschorst tot de terechtzitting van 17 januari 2011;

(ii) het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 17 januari 2011; dit proces-verbaal, waaruit blijkt dat het onderzoek van de zaak toen is hervat, houdt het volgende in:

"De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:

In reactie op de aanvullende processen-verbaal die ik van het ressortsparket heb ontvangen en die ook ter terechtzitting van heden aan het hof zijn overgelegd, heb ik een brief gestuurd, inhoudende het verzoek tot het oproepen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen, teneinde hen te horen over deze aanvullende processen-verbaal.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

De brief van de raadsman is mij niet bekend. Voorafgaand aan de terechtzitting van heden heb ik met mijn ambtsgenoot mr. R. Smits telefonisch contact gehad. Uit dit contact bleek dat het ressortsparket geen nadere onderzoekswensen had.

De raadsman van de verdachte voert aan, zakelijk weergegeven:

Graag zou ik [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen willen horen. [verbalisant 1] wens ik te horen over de inhoud van het door hem opgemaakte vierde aanvullende proces-verbaal van 8 december 2010. Ik zou hem nadere vragen willen stellen over de aanleiding van dit aanvullende onderzoek en onder welke assumpties dit onderzoek is uitgevoerd. Op deze wijze kan ik nagaan of het aanvullende onderzoek op objectieve wijze is verricht of dat het onderzoek is uitgevoerd teneinde de koppeling tussen de aanwezigheid van de verdachte in de woning van de aangever en het bij de aangever toegebrachte letsel te versterken.

[verbalisant 2] wens ik te horen, omdat in het proces-verbaal van bevindingen van 20 januari 2010 de data kennelijk door elkaar zijn gehaald. Het proces-verbaal wekt de indruk dat [verbalisant 2] eveneens een aanvullend onderzoek heeft verricht.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik zie nu de brief van de raadsman, gericht aan mr. R. Smits, van 6 januari 2011. Ik leid hieruit af dat mr. Smits het aanvullende onderzoek heeft laten verrichten. Met de raadsman ben ik van mening dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een fraai opsporingsonderzoek. Als ik echter de resultaten van het onderzoek bekijk, dan kom ik - anders dan de raadsman - tot de conclusie dat geen noodzaak bestaat de verbalisanten als getuigen te horen.

De raadsman van de verdachte voert aan dat hij persisteert in het verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede dat het verzoek van de raadsman tot het oproepen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen wordt afgewezen, wegens gebrek aan noodzaak. Het hof ziet de relevantie niet in van deze getuigenverhoren in verband met de op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissingen."

Tot de inwerkingtreding van de Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 2004, 579) luidde art. 321 Sv als volgt:

"1. In alle gevallen waarin na schorsing het onderzoek wordt hervat, kunnen nieuwe nog niet eerder opgeroepen of gehoorde tolken, getuigen en deskundigen worden opgeroepen overeenkomstig de artikelen 260, eerste lid, en 263.

2. Artikel 260, tweede lid, en 287, tweede lid, vinden overeenkomstige toepassing."

Art. 321 Sv is met de inwerkingtreding van genoemde wet op 1 januari 2005 vervallen. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot die wet heeft geleid houdt daaromtrent het volgende in:

"Regiezittingen

De Nederlandse strafrechtspraktijk is in de afgelopen jaren in toenemende mate geconfronteerd met grote strafzaken. Teneinde te bevorderen dat de behandeling van deze zaken zo effectief mogelijk plaats kan vinden heeft zich in de praktijk de gewoonte ontwikkeld van de zogenaamde regiezittingen. Met deze term worden zittingen aangeduid waar, vooruitlopend op de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, beslissingen worden genomen die voor de omvang en inrichting van die inhoudelijke behandeling van belang zijn. Daarbij valt vooral te denken aan beslissingen inzake het horen van getuigen. Daarnaast worden op deze zittingen ook wel andere beslissingen genomen, te denken valt vooral aan beslissingen inzake preliminaire verweren.

De wettelijke regeling maakt een effectief gebruik van regiezittingen thans in mindere mate mogelijk dan wenselijk is. Thans kan na een schorsing van het onderzoek ingevolge artikel 321 Sv zonder beperkingen om de oproeping van nog niet eerder opgeroepen of gehoorde getuigen en deskundigen wordt verzocht. Dat betekent dat, na een regiezitting, elke afwijzing van een verzoek om een getuige ter terechtzitting te horen opnieuw ter discussie kan worden gesteld (vgl. recentelijk HR 14 januari 2003, nr. 01040/02, Nieuwsbrief Strafrecht 13 februari 2003). Dat komt niet wenselijk voor. Als de behandeling ter terechtzitting eenmaal is aangevangen, ligt het in de rede een nieuw of herhaald verzoek tot het horen van getuigen slechts te honoreren als de noodzakelijkheid van dat horen blijkt. Dat nu wordt door artikel 315 Sv reeds mogelijk gemaakt. Voorgesteld wordt dan ook, artikel 321 Sv te laten vervallen."

HR: In het licht hiervan moet worden aangenomen dat in het geval dat het onderzoek ter terechtzitting is geschorst en het verzoek tot het oproepen van getuigen eerst is gedaan (of – na eerdere afwijzing – herhaald) na de schorsing, de maatstaf bij de beoordeling van het verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken. Het Hof heeft dus de juiste maatstaf aangelegd bij zijn afwijzing van het eerst na de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting gedane verzoek.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^