Vordering benadeelde partij & Rechtstreekse schade

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:118

Feiten

Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 28 november 2011 wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.

Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen en heeft daartoe het volgende overwogen:

"De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat daarop een besluit kan worden genomen. Voorts bevreemdt het de raadsman waarom er meer wordt gevorderd dan het eigen risico van € 1.500,00. Daarnaast heeft de benadeelde partij het Openbaar Ministerie verzocht tot teruggave van de sigaretten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1720,00. Ambtshalve merkt het hof op dat de omstandigheid dat de schade niet door het Openbaar Ministerie is beperkt, de schadeplichtigheid van verdachte jegens de benadeelde niet raakt omdat het Openbaar Ministerie buiten die rechtsverhouding staat. Bovendien heeft verdachte geen afstand gedaan van de gestolen goederen."

Middel

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de door de benadeelde partij gevorderde schade als rechtstreekse schade is aan te merken onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Op grond van art. 51a, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd (vgl. HR 11 april 2006, LJN AV4007, NJ 2006/263 en HR 22 april 2008, LJN BB7077, NJ 2008/468).

Het Hof heeft geoordeeld dat de schade die de benadeelde partij heeft gevorderd is aan te merken als rechtstreekse schade die zij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft geleden. De stukken in aanmerking genomen, is dit oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk, terwijl het, mede in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte omtrent de vordering van de benadeelde partij is aangevoerd, geen nadere motivering behoefde.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep & verzuim in volmacht

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:131

Essentie

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar de gronden vermeld in de conclusie van de A-G, kort gezegd inhoudende dat het Hof, hoewel dit gelet op de omstandigheden aangewezen was, verzuimd heeft uitdrukkelijk aan de gemachtigde raadsman te vragen of het instellen van het h.b. overeenkomstig de wens van verdachte is, zodat het Hof niet tot niet-ontvankelijk had mogen besluiten.

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 20 maart 2012 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

“De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

wonende te [woonplaats],

is niet verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De raadsman merkt desgevraagd op – zakelijk weergegeven -:

Mijn cliënt is op de hoogte van de zitting. Hij is vandaag niet aanwezig, omdat hij sinds kort als oproepkracht in de thuiszorg werkt en hij voor vandaag is opgeroepen.

De voorzitter deelt mede dat zij eerst de vraag aan de orde wil stellen of de brief van de raadsman van 28 juni 2011 voldoet aan de eisen die in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan een schriftelijke bijzondere volmacht worden gesteld.

De raadsman merkt op – zakelijk weergegeven -:

Het is een spijtig moment. Ik refereer me aan het oordeel van het hof.

De advocaat-generaal merkt op – zakelijk weergegeven-:

Mijns inziens is niet voldaan aan de eisen die worden gesteld in art. 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. In de brief is niet vermeld dat de raadsman door de verdachte bepaaldelijk is gemachtigd, noch dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. Evenmin is in de brief het adres voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding vermeld. Ik vorder dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.”

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De brief van de raadsman van 28 juni 2011 voldoet niet aan de eisen die in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan een schriftelijke bijzondere volmacht worden gesteld. De verdachte dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.”

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt, op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.2 tot en met 4.9, dat het middel terecht is voorgesteld:

Ingevolge art. 450 Sv dient een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen het volgende in te houden:

  1. de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het hoger beroep (lid 1);
  2. de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (lid 3);
  3. het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (lid 3).

Bij de stukken van het geding bevindt zich de brief van 28 juni 2011 die de raadsman van verdachte aan de griffie van de Rechtbank Utrecht heeft gestuurd. Deze brief houdt het volgende in:

“Geachte heer/mevrouw,

Langs deze wens ik, mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende te Amsterdam aan de Roelof Hartstraat 31 (Plasman Advocaten c.s.), hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 28 juni 2011 van de politierechter in de rechtbank Utrecht.

Het betreft verdachte:

[verdachte]

geboren op[geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]

thans uit andere hoofde gedetineerd in Huis van Bewaring De Weg te Amsterdam

parketnummer: 16-121051-10

Ten slotte zou ik u willen verzoeken of u mij de akte rechtsmiddel zou willen doen toekomen.”

Door het Hof wordt overwogen dat de brief van 28 juni 2011 niet voldoet aan de vereisten gesteld in het derde lid van art. 450 Sv. Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud, voldoet de brief echter evenmin aan de in het eerste lid gestelde eis dat de volmacht moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het beroep. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting ging de advocaat-generaal ervan uit dat dit vereiste eveneens in het derde lid van art. 450 Sv wordt genoemd. Wellicht is het Hof de advocaat-generaal in deze – onjuiste – aanname gevolgd.

Voor zover de volmacht niet aan de in het derde lid van art. 450 Sv genoemde eisen voldoet, geldt het volgende. De Hoge Raad heeft bepaald dat voor zover in de schriftelijke volmacht niet voldaan is aan voornoemde eisen, er onvoldoende grond is voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel indien ter terechtzitting een gemachtigd raadsman van verdachte is verschenen. Nu daarvan in de onderhavige zaak sprake is, bestaat er onvoldoende grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen aan de in art. 450 lid 3 Sv gestelde eisen.

Voor zover het Hof tevens tot uitdrukking heeft willen brengen dat in de brief van 28 juni 2011 de mededeling ontbreekt dat de raadsman tot het instellen van het hoger beroep bepaaldelijk is gevolmachtigd, geldt het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2012 (LJN BV6999, NJ 2012/426 m. nt. F.W. Bleichrodt) overwogen dat er onvoldoende grond bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens voornoemd verzuim in de schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens verdachte hoger beroep in te stellen, indien ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar – zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd – heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. Het verzuim in de volmacht wordt in een dergelijk geval voor gedekt gehouden.

Anders dan in de zaken waarin de Hoge Raad tot op heden oordeelde dat het ontbreken in de volmacht van de vermelding dat de raadsman tot het instellen van het beroep bepaaldelijk is gevolmachtigd, was gedekt door de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de raadsman en/of verdachte, is in de onderhavige zaak ter terechtzitting niet expliciet aangevoerd dat aan de onvolkomen volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om op rechtsgeldige wijze hoger beroep te doen instellen. De raadsman heeft wel ter terechtzitting verklaard dat hij door verdachte uitdrukkelijk gemachtigd was om de verdediging te voeren, dat verdachte op de hoogte was van de zitting, maar dat hij verhinderd was om aldaar aanwezig te zijn. In reactie op de mededeling van de voorzitter dat de brief van de raadsman niet voldoet aan de eisen die in art. 450 lid 3 Sv worden gesteld, merkt de raadsman op dat het een spijtig moment is. Gelet daarop is niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het Hof diende het gebrek in de volmacht immers voor gedekt te houden indien de gemachtigde raadsman “zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd” verklaart dat het instellen van het beroep overeenkomstig de wens van de verdachte is. Nu die uitdrukkelijke bevraging – die gezien de reactie van de raadsman zeker “nodig” was – achterwege is gebleven, had het Hof niet tot de niet-ontvankelijkverklaring mogen besluiten.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt de toepasselijke overwegingen toetsingskader beklag & beslag

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:142

De Rechtbank te Arnhem heeft bij beschikking van 16 mei 2012 het beklag van klager niet-ontvankelijk verklaard voor zover het ziet op inbeslaggenomen papieren/teksten die niet in de kennisgeving van inbeslagneming zijn genoemd, het door klager ingediende klaagschrift gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de in de kennisgeving van inbeslagneming onder 2, 3, 9 en 10 genoemde inbeslaggenomen goederen, de teruggave gelast aan klager van deze goederen en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard.

Middel

Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, nu zij heeft overwogen dat in een procedure als de onderhavige de raadkamer slechts marginaal de rechtmatigheid van het beslag en het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering toetst.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654). Hieruit volgt dat het onderzoek in raadkamer zich niet kan uitstrekken tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen (vgl. HR 12 februari 2013, LJN BV3004).

Namens de klager is onder meer aangevoerd dat "de in beslag genomen voorwerpen geen 'aangebrachte' hulpmiddelen betreffen in de zin van art. 441b Sr, zodat er geen sprake kan zijn van verdenking van overtreding van art. 441b van het Wetboek van Strafrecht en derhalve de inbeslagneming onrechtmatig is". De Rechtbank heeft geoordeeld dat "in tegenstelling tot hetgeen klager heeft betoogd (...) de delictsbestanddelen van artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht in het onderhavige geval wel degelijk worden vervuld". Met de overweging van de Rechtbank dat zij "slechts marginaal de rechtmatigheid van het beslag en het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering toetst" heeft de Rechtbank kennelijk als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat oordeel is juist. In het kader van een beklagprocedure dient de vraag of ten tijde van de inbeslagneming jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond, beoordeeld te worden met het oog op beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag. Voor zover hetgeen namens de klager is aangevoerd strekt ten betoge dat het beslag onrechtmatig is omdat niet bewezen kan worden dat de klager het strafbare feit van art. 441b Sr heeft gepleegd, heeft te gelden dat het onderzoek in raadkamer zich daartoe niet uitstrekt.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Schorsing onderzoek ttz. teneinde de A-G bij het Hof in de gelegenheid te stellen de ontnemingsvordering ter verificatie in te dienen bij de curator in het faillissement van betrokkene & artikel 29 Faillissementswet

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:125

Feiten

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft veroordeelde bij arrest van 18 juli 2011 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.436.386,00.

Tegen deze uitspraak is namens veroordeelde cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst teneinde de Advocaat-Generaal bij het Hof in de gelegenheid te stellen zijn vordering ter verificatie in te dienen bij de curator in het faillissement van de betrokkene.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat het faillissement van de betrokkene er niet aan in de weg staat dat de procedure tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de betrokkene wordt voortgezet. Het Hof heeft hieromtrent het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Namens verdachte is betoogd dat het Openbaar Ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Verdachte is inmiddels in staat van faillissement verklaard en artikel 29 van de Faillissementswet zou aan het instellen van een vordering tegen gefailleerde in de weg staan.

Artikel 29 Faillissementswet luidt:

"Voorzover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening ener verbintenis uit de boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde, partij in het geding."

Het hof deelt die opvatting van de verdediging niet. Artikel 29 van de Faillissementswet geeft een regeling betreffende schorsing van rechtsvorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben. Artikel 29 Faillissementswet leent zich niet voor toepassing in een strafrechtelijk procedure.

Daarnaast bieden ook de wettekst en ontstaansgeschiedenis van artikel 94 Wetboek van Strafvordering aanknopingspunten voor de opvatting dat de regeling van artikel 29 Faillissementswet niet van toepassing is op de ontnemingsprocedure.

Allereerst dient te worden vastgesteld of de onderhavige vordering de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft en zich leent voor indiening ter verificatie.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is op 6 september 2007 ter terechtzitting aanhangig gemaakt. Verdachte is op 11 december 2007 in staat van faillissement verklaard. Op 1 december 2008 heeft de rechtbank vonnis gewezen in de ontnemingszaak tegen verdachte.

Artikel 94d derde lid Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"De officier van justitie heeft voorts tot bewaring van het recht tot verhaal de bevoegdheid namens de staat als schuldeiser in het faillissement van de verdacht of veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet vaststaat wordt hij geacht voor een voorwaardelijk vordering op te komen."

De Memorie van Toelichting bij dit artikel vermeldt:

"Het voorgestelde derde en vierde lid van art. 94d hebben betrekking op situaties waarin de verdachte (of veroordeelde, als tegen hem nog een strafrechtelijk financieel onderzoek loopt) failliet is verklaard. (...) Wanneer evenwel een verdachte, te wiens aanzien de oplegging van een hoge geldboete of van de maatregel van art. 36e Sr te verwachten is of in eerste aanleg reeds heeft plaatsgevonden, failliet is verklaard, wordt het openbaar ministerie de bevoegdheid gegeven namens de staat als schuldeiser in het faillissement op te komen, met de mogelijkheid dat de faillissementspauliana door de curator in het faillissement op grond van de artikelen 43 of 45 Fw wordt ingesteld. Het openbaar ministerie zal daarbij wel, net als in geval van conservatoir beslag, een (maximum)bedrag van de vordering moeten aangeven waarin het als vertegenwoordiger van staat als schuldeiser opkomt. Daarom is bepaald dat in zo'n geval de officier van justitie geacht wordt voor een voorwaardelijke vordering op te komen. Indien, voordat het tot de oplegging van een geldboete of een maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gekomen, de curator tot verificatie en afwikkeling van het faillissement wil overgaan, kan hij op grond van artikel 133 Fw zelf tot een schatting komen van het bedrag waarop de vordering van de staat ware te bepalen."

Een vordering als bedoeld in art. 36e Sr is een vordering van de officier van justitie die ertoe strekt dat de rechter aan de betrokkene een betalingsverplichting oplegt ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zo een vordering is niet een rechtsvordering als bedoeld in art. 29 Faillissementswet.

Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat het onderzoek ter terechtzitting niet geschorst behoeft te worden, wat er ook zij van de daartoe gegeven motivering, juist.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Tweede en derde middel

De middelen, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, keren zich met motiveringsklachten tegen de afwijzing door het Hof van het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek op de op te leggen betalingsverplichting een bedrag van € 2.250.388,34 in mindering te brengen, welk bedrag door de Tiende Kamer van het Hof van beroep te Antwerpen (België), rechtdoende in correctionele zaken, bij arrest van 29 juni 2010 is verbeurdverklaard.

De bestreden uitspraak houdt hieromtrent het volgende in:

"Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen (België) van de Tiende Kamer, recht doende in correctionele zaken, d.d. 29 juni 2010, is een bedrag van € 2.250,388,34 verbeurd verklaard bij veroordeelde. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag in mindering gebracht dient te worden op het in de onderhavige procedure te ontnemen bedrag, omdat de verbeurdverklaring in België en de onderhavige ontnemingsvordering betrekking zouden hebben op hetzelfde geld.

Blijkens het in kopie overgelegde arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, laat de verbeurdverklaring de rechten van derden onverlet. Dat betekent dat ook anderen dan de Belgische staat en anderen dan benadeelde partijen zich kunnen verhalen op de verbeurd verklaarde goederen. Indien anderen dan de (Belgische) staat of benadeelde partijen zich verhalen op de verbeurd verklaarde goederen (bijvoorbeeld voor aan verdachte geleverde luxe goederen of diensten), zou verdachte alsnog voordeel genieten van wederrechtelijk verkregen vermogen indien de waarde van de verbeurd verklaarde goederen (volledig) in mindering worden gebracht van het wederrechtelijk genoten voordeel.

Voor zover de waarde van de verbeurd verklaarde gelden/goederen daadwerkelijk ten bate zullen komen van benadeelde partijen of de Belgische staat, ligt het op de weg van veroordeelde een verzoekschrift op grond van artikel 577b Wetboek van Strafvordering een verzoek tot vermindering van het vastgestelde bedrag in te dienen."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2011 is door de raadsman van de betrokkene het volgende aangevoerd:

"De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven, het volgende:

(...)

Het subsidiair standpunt is dat een aantal bedragen in mindering dienen te worden gebracht op het geschatte voordeel.(...)

Door het Hof van Beroep (België) is op 29 juni 2010 arrest gewezen met betrekking tot mijn cliënt. In artikel 42, eerste lid, van het Strafwetboek van België, is de verbeurdverklaring geregeld. Deze Belgische verbeurdverklaring lijkt op de Nederlandse ontnemingsvordering. Op grond van artikel 36e, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht, dienen de in België verbeurd verklaarde zaken met een waarde van in totaal € 2.25388,34 in mindering te worden gebracht op de Nederlandse ontnemingsvordering."

Beoordeling Hoge Raad

Art. 36e, zevende lid, (oud) Sr luidt:

"Bij de oplegging van de maatregel wordt rekening gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel."

De wetsgeschiedenis houdt ten aanzien van deze bepaling onder meer het volgende in:

"Het zevende lid dient te worden gelezen in relatie tot het derde lid. Nu ingevolge het derde lid aan iemand op grond van de veroordeling wegens een misdrijf ook voordeel kan worden ontnomen dat op enigerlei andere wijze verkregen wederrechtelijk voordeel vormt, dient, wanneer het later opnieuw tot een veroordeling wegens een ander misdrijf komt, dat op zijn beurt weer aanleiding kan geven tot ontneming van op enigerlei andere wijze verkregen wederrechtelijk voordeel, te worden voorkomen dat de veroordeelde tot twee maal toe voor een bedrag dat op een en hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft strafrechtelijk wordt aangesproken”

De middelen berusten op de opvatting dat art. 36e, zevende lid, (oud) Sr, thans art. 36e, negende lid, Sr ook van toepassing is op ontnemingsmaatregelen die zijn opgelegd door een buitenlandse rechter. Die opvatting is niet juist. De tekst van art. 36e, zevende lid, (oud) Sr noch de wetsgeschiedenis bieden steun voor die opvatting. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever in art. 36e, zevende lid, (oud) Sr slechts het oog heeft op ontneming van wederrechtelijk voordeel verkregen uit 'andere feiten' als bedoeld in art. 36e, derde lid, Sr.

De middelen zijn tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verschoningsrecht notaris

Hoge Raad 2 juli, ECLI:NL:HR:2013:CA0434

Feiten

Op 2 juni 2010 heeft de officier van justitie op de voet van artikel 110 Sv schriftelijk van de rechter-commissaris gevorderd dat hij in het belang van het strafrechtelijk onderzoek tegen betrokkene 1 het kantoor van de klaagster zal doorzoeken. Ter onderbouwing van deze vordering was een proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagname opgesteld door het Korps landelijke politiediensten (KLPD) d.d. 31 mei 2010, waarin onder andere is opgenomen dat:

  • betrokkene 1 optreedt als vastgoedhandelaar en financieel adviseur;
  • uit opsporingsonderzoeken is gebleken dat hij zakelijke relaties onderhoudt met personen die in het verleden voor misdrijven zijn veroordeeld of waartegen een strafrechtelijk onderzoek loopt of heeft gelopen;
  • uit opgenomen communicatie naar voren komt dat hij die personen witwasmogelijkheden aanbiedt via onder andere rechtspersonen;
  • gebleken is dat veel notariële aktes van (de rechtspersonen van) betrokkene 1 zijn gepasseerd bij klaagster;
  • in diverse telefoongesprekken van betrokkene 1 met anderen is gesproken over betrokkene 2 van klaagster;
  • betrokkene 1 in een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek tussen hem en een (potentiële) koper van 14 januari 2010 vraagt om de notaris nog niet de opdracht te geven, want betrokkene 1 wil overleggen om het bij klaagster te laten gebeuren;
  • betrokkene 1 in een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek van 14 januari 2010 met betrokkene 3 zegt dat hij bij betrokkene 2 zit en alle dossiers doorneemt (...) en dat hij (betrokkene 1) hem (betrokkene 2) alles gaat uitleggen;
  • in een direct afgeluisterd (zogeheten OVC-)gesprek dat op 20 januari 2010 is gevoerd tussen betrokkene 1 en betrokkene 3, wordt gesproken over een hypothecaire inschrijving van 6,8 miljoen. In dit gesprek heeft betrokkene 1 tegen betrokkene 3 gezegd dat:
  • "betrokkene 2 knettergek is dat hij meewerkt. betrokkene 4 is met de koopaktes aan het kloten en schuiven geweest. Hij (betrokkene 2) past de nota aan op ons verzoek. Iedere andere notaris (ntv) die dit doet. betrokkene 4 kent betrokkene 2 goed, daarmee kan betrokkene 4 het bespreken. Met iemand anders gaat betrokkene 4 de mist in.

De rechter-commissaris heeft de vordering van de officier van justitie op 10 juni 2010 toegewezen, waarna op 15 juni 2010 een doorzoeking ter inbeslagneming op het kantoor van de klaagster door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam, mr. W.M.C. van den Berg, is verricht. De doorzoeking was in het bijzonder gericht op dossiers van transacties die in verband konden worden gebracht met betrokkene 1. De rechter-commissaris was bij de doorzoeking onder andere vergezeld van de voorzitter van de ring, mr. Ploumen voornoemd. Tevens waren notaris betrokkene 5 en notarisklerk betrokkene 2 aanwezig. Digitale rechercheurs hebben, blijkens een door mr. Van den Berg opgesteld proces-verbaal, eerst een zoekslag op het gehele netwerk van het kantoor losgelaten, zonder enig document in te zien. Op basis van een door het opsporingsteam opgestelde lijst van verdachte dossiers en transacties die in verband met betrokkene 1 werden gebracht, hebben de notaris betrokkene 5 en klerk betrokkene 2 aangewezen waar deze dossiers zich zouden moeten bevinden. Bij de doorzoeking zijn door de rechtercommissaris vervolgens 66 dossiers en digitale bestanden in beslag genomen. De notaris heeft geen toestemming gegeven tot doorzoeking van zijn kantoor en evenmin tot de inbeslagneming van stukken. De ringvoorzitter heeft enige dossiers ingezien en heeft daarbij te kennen gegeven van mening te zijn dat de stukken geen deel uit maakten van een strafbaar feit, maar dat deze onder de geheimhoudingsplicht vielen. De in beslag genomen stukken en de digitale kopie van de digitale bestanden zijn verzegeld meegenomen door de rechter-commissaris, onder de uitdrukkelijke toezegging dat het beslag niet in handen van het Openbaar Ministerie dan wel een opsporingsinstantie zal worden gesteld voordat onherroepelijk is beslist op een door de klaagster in te dienen klaagschrift.

Bij beschikking van 7 februari 2012 heeft de Rechtbank te Rotterdam het beklag van klaagster tegen de inbeslagneming van zich onder haar bevindende dossiers en digitale bestanden ongegrond verklaard.

Namens klaagster heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank dat "redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de in beslag genomen papieren dossiers deel uitmaken van een of meer strafbare feiten dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend" en dat "de doorzoeking op gerichte wijze heeft plaatsgehad" onvoldoende is gemotiveerd. Blijkens de toelichting op het middel heeft deze klacht betrekking op de inbeslagneming van 66 dossiers.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (vgl. HR 29 maart 1994, LJN ZC9694, NJ 1994/537 en HR 12 februari 2002, LJN AD9162, NJ 2002/439).

Het is derhalve eerst aan de verschoningsgerechtigde om zich bij de doorzoeking ter inbeslagneming uit te laten omtrent het verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen stukken waarbij de zienswijze van de Ringvoorzitter (of diens vervanger), indien aanwezig, kan worden gevraagd. Dit is niet anders indien in verband met bijvoorbeeld de omvang van de te beoordelen stukken, de stukken die naar voorlopig oordeel van de Rechter-Commissaris voor inbeslagneming in aanmerking komen, verzegeld worden meegenomen naar het kabinet van de Rechter-Commissaris. Ook dan dient de verschoningsgerechtigde in staat te worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de inbeslaggenomen stukken. Het oordeel dat redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de Rechter-Commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de Ringvoorzitter (of diens vervanger). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de Rechter-Commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat tegen de achtergrond van de in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking van 31 mei 2010 genoemde omstandigheden de Rechter-Commissaris terecht heeft aangenomen dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de inbeslaggenomen papieren dossiers, die blijkens het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris alle betrekking hadden op betrokkene 1, "deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die betrokkene 1 wordt verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend" en dat die stukken nimmer object van het aan de notaris toekomende verschoningsrecht zijn. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, aangezien de aan het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen de inhoud van de dossiers niet vermeldt en evenmin een aanduiding bevat van de aard van de zich daarin bevindende stukken. Het middel klaagt daarover terecht.

Opmerking verdient voorts het volgende. De uit de bestreden beschikking en de overige stukken blijkende gang van zaken met betrekking tot de inbeslagneming houdt in dat de notaris en de Ringvoorzitter zich slechts ten aanzien van enkele van de in totaal 66 dossiers hebben kunnen uitlaten over de vraag of de zich daarin bevindende stukken kunnen worden aangemerkt als stukken die voorwerp uitmaken van de aan betrokkene 1 verweten strafbare feiten of tot het begaan daarvan hebben gediend. Voor zover in het weergegeven oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat indien (reeds) op grond van de uit het proces-verbaal van aanvraag doorzoeking blijkende omstandigheden kan worden geoordeeld dat die stukken geen object zijn van het aan de notaris toekomende verschoningsrecht, het standpunt van de verschoningsgerechtigde daaromtrent niet behoeft te worden ingewonnen, is dat oordeel niet juist.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt dat ontoereikend is gemotiveerd het oordeel van de Rechtbank dat redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat de inbeslaggenomen digitale bestanden deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die betrokkene 1 worden verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend, voor zover zij bestanden betreffen die zijn gevonden aan de hand van de door het opsporingsteam opgestelde 'lijst verdachte dossiers en transacties die met betrokkene 1 in verband zijn gebracht'.

Beoordeling Hoge Raad

Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan naar in computers opgeslagen bestanden teneinde gegevens die van belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Zoals in de beschikking van de Hoge Raad van 20 februari 2007, LJN AZ3564 is overwogen, dient, in aanmerking genomen dat computerbestanden zich naar hun aard niet eenvoudig lenen voor afzonderlijk onderzoek, gewaarborgd te zijn dat de inbeslaggenomen gegevensdragers op de voet van art. 125l Sv worden onderzocht op een wijze waarbij het verschoningsrecht van de verschoningsgerechtigde niet in het gedrang komt. Hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de inbeslagneming van papieren dossiers is bij dat onderzoek voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

In de overwegingen van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de bestanden die voorkomen op de "digitale kopie" van de onder de klaagster inbeslaggenomen computerbestanden en die zijn gevonden aan de hand van de lijst van met betrokkene 1 in verband gebrachte verdachte dossiers en transacties, gegevens bevatten die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, aangezien het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris niets vermeldt omtrent de aard van de in die bestanden opgeslagen gegevens, noch omtrent de wijze waarop deze het onderzoek naar de inhoud van de gegevensdragers met het oog op het waarborgen van het verschoningsrecht heeft doen uitvoeren. Ook dit middel is gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Rotterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Conclusie AG: anders

De middelen stellen de vraag aan de orde of de Rechtbank haar oordeel dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de in beslag genomen papieren dossiers en de digitale bestanden voor zover deze bestanden betreffen die aan de hand van de lijst van met betrokkene 1 in verband gebrachte verdachte dossiers en transacties zijn gevonden, deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die betrokkene 1 wordt verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend, voldoende met redenen heeft omkleed.

De Rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat op grond van de omstandigheden, genoemd in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking van het KLPD van 31 mei 2010, naar het oordeel van de Rechtbank redelijkerwijs kon worden vermoed dat betrokkene 1 had 'gerommeld' met koopaktes, en voorts dat op diens verzoek notarisklerk betrokkene 2 nota's - waarschijnlijk - niet overeenkomstig de waarheid had aangepast en dat deze (vervolgens) zijn medewerking had verleend aan onregelmatige transacties of transporten. In aanmerking genomen hetgeen de Rechtbank heeft vastgesteld omtrent de inhoud van vorengenoemd proces-verbaal, er kort gezegd op neer komende dat betrokkene 1 als vastgoedhandelaar en financieel adviseur wordt verdacht van witwassen, veel notariële aktes zijn gepasseerd bij klaagster en in een telefoongesprek wordt gesproken van het aanpassen van nota's door een medewerker van het notariaat, heeft de Rechtbank haar oordeel toereikend gemotiveerd. Uit een en ander heeft de Rechtbank immers kunnen afleiden dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat betrokkene 1 het witwassen waarvan hij wordt verdacht heeft verricht (mede) door middel van transacties waarvan de aktes zijn gepasseerd bij klaagster en de op die aktes betrekking hebbende fysieke dossiers en digitale bestanden derhalve stukken moeten bevatten die voorwerp uitmaken van bedoeld witwassen en/of tot het begaan daarvan hebben gediend.

De middelen falen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^