HR herhaalt de toepasselijke overwegingen toetsingskader beklag & beslag

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:142

De Rechtbank te Arnhem heeft bij beschikking van 16 mei 2012 het beklag van klager niet-ontvankelijk verklaard voor zover het ziet op inbeslaggenomen papieren/teksten die niet in de kennisgeving van inbeslagneming zijn genoemd, het door klager ingediende klaagschrift gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de in de kennisgeving van inbeslagneming onder 2, 3, 9 en 10 genoemde inbeslaggenomen goederen, de teruggave gelast aan klager van deze goederen en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard.

Middel

Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, nu zij heeft overwogen dat in een procedure als de onderhavige de raadkamer slechts marginaal de rechtmatigheid van het beslag en het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering toetst.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654). Hieruit volgt dat het onderzoek in raadkamer zich niet kan uitstrekken tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen (vgl. HR 12 februari 2013, LJN BV3004).

Namens de klager is onder meer aangevoerd dat "de in beslag genomen voorwerpen geen 'aangebrachte' hulpmiddelen betreffen in de zin van art. 441b Sr, zodat er geen sprake kan zijn van verdenking van overtreding van art. 441b van het Wetboek van Strafrecht en derhalve de inbeslagneming onrechtmatig is". De Rechtbank heeft geoordeeld dat "in tegenstelling tot hetgeen klager heeft betoogd (...) de delictsbestanddelen van artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht in het onderhavige geval wel degelijk worden vervuld". Met de overweging van de Rechtbank dat zij "slechts marginaal de rechtmatigheid van het beslag en het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering toetst" heeft de Rechtbank kennelijk als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat oordeel is juist. In het kader van een beklagprocedure dient de vraag of ten tijde van de inbeslagneming jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond, beoordeeld te worden met het oog op beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag. Voor zover hetgeen namens de klager is aangevoerd strekt ten betoge dat het beslag onrechtmatig is omdat niet bewezen kan worden dat de klager het strafbare feit van art. 441b Sr heeft gepleegd, heeft te gelden dat het onderzoek in raadkamer zich daartoe niet uitstrekt.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF