Getuigenverzoeken

Hoge Raad 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:71

Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. en 2. telkens diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Eerste Middel

Het eerste middel klaagt dat het Hof niet heeft beslist op het verzoek betrokkene 1 als getuige te horen.

Beoordeling Hoge Raad

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 2012 houdt het volgende in:

"De voorzitter doet mededeling van de volgende bij het hof binnengekomen stukken:

  • de faxbrief van de raadsman gericht aan het gerechtshof te 's-Gravenhage en het ressortsparket te 's-Gravenhage d.d. 30 augustus 2011, onder mee inhoudende het verzoek tot het horen als getuigen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2];
  • een brief van de advocaat-generaal aan de raadsman d.d. 9 januari 2012, onder meer inhoudende dat de advocaat-generaal het getuigenverzoek afwijst.

(...)

De raadsman verzoekt het hof voorts, overeenkomstig zijn brief d.d. 30 augustus 2011, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen. De raadsman voert in aanvulling op de genoemde brief aan dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het belang een angstige getuige een confrontatie met de verdachte te besparen."

Voorts houdt het proces-verbaal van die terechtzitting het volgende in:

"Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede dat hij er geen bezwaar tegen heeft als het hof bij arrest een beslissing op zijn verzoeken neemt."

HR: Het verzoek is een verzoek tot het horen van getuigen als bedoeld in art. 315 in verbinding met art. 328 Sv, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. In weerwil van de door de Voorzitter ter terechtzitting van 31 januari 2012 kennelijk gedane mededeling, houdt noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest een beslissing in op het verzoek tot het horen van betrokkene 1 als getuige. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

Het middel is terecht voorgesteld.

Tweede middel

Het middel klaagt dat het Hof het ter terechtzitting gedane verzoek tot het horen van betrokkene 2 als getuige op ontoereikende gronden heeft afgewezen.

De eerder genoemde brief van 30 augustus 2011 houdt het volgende in:

"Namens mijn cliënt, [verdachte], verzoek ik u de navolgende personen in de bovengenoemde strafzaak in hoger beroep als getuigen te doen horen:

[betrokkene 1]

[betrokkene 2]

(...)

Cliënt geeft er de voorkeur aan de getuigen ter zitting te horen, aangezien hij hen enkele vragen zou willen stellen en bovendien wenst hij met de getuigen te worden geconfronteerd om te bezien of en in hoeverre zij de dader in hem herkennen, nu uit hun verklaringen blijkt dat zij, althans een van hen, de dader zouden kennen uit hun buurt."

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"Verzoek verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het hof ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde verzocht "voor zover nodig" [betrokkene 2] als getuige ter terechtzitting te horen nu deze getuige heeft verklaard dat hij zeker weet dat hij de overvaller zou herkennen als hij hem nog eens zou zien.

Het hof wijst het verzoek af omdat de noodzakelijkheid om de getuige te horen niet is gebleken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de getuige [betrokkene 2] op 28 oktober 2010 bij de politie heeft verklaard dat de overvaller, een negroïde man was van ongeveer 1.80 meter, donkere randen om zijn ogen, kleine neus, erg uitgedroogde lippen en een muts op zijn hoofd had waardoor alleen de ogen, mond en neus zichtbaar waren. Volgens [betrokkene 2] zou de overvaller ongeveer 30 seconden binnen zijn geweest. [betrokkene 2] verklaarde: "Ik denk dat ik weet wie de man is. Ik denk dat ik hem herken als een Hindoestaanse Surinaamse man die 1 of 2 keer bij ons in de winkel is geweest." Aangever [betrokkene 1] heeft verklaard dat de man een zwarte wollen bivakmuts over zijn hoofd had, dat hij de man achter na is gerend toen deze de winkel verliet en dat hij heeft gezien dat de man ter hoogte van de bouwplaats op het Kruisplein de bivakmuts van zijn hoofd trok. In het dossier bevindt zich een bijlage bij het proces-verbaal in deze zaak (nummer PL17DO 2010343718) met foto's van de muts die de verdachte op heeft gehad.

Foto 2 toont dat alleen voor de ogen een uitsparing is gemaakt, zodat de getuige [betrokkene 2] onmogelijk de neus en mond van de overvaller kan hebben gezien. Het vermoeden van [betrokkene 2] de overvaller te kunnen herkennen als een

'Hindoestaanse Surinaamse man' is daarmee gegrond op een gemankeerde waarneming. Nu ook ter zitting door het hof - in overeenstemming met het standpunt van de verdachte te dien aanzien - vastgesteld kon worden dat de verdachte niet is te typeren als een 'Hindoestaanse Surinaamse' man, doch veeleer als negroïde, is de noodzakelijkheid van het verhoor ter zitting van aangever [betrokkene 2] het hof niet gebleken."

HR: Nu het ter terechtzitting gedane verzoek om betrokkene 2 als getuige te horen erop was gegrond dat deze persoon in het opsporingsonderzoek met stelligheid heeft verklaard aan welke gelaatskenmerken hij de in zijn verklaring bedoelde persoon heeft herkend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat deze verklaring in zoverre als een "gemankeerde waarneming" moet worden aangemerkt en voor het overige aan het bewijs kan bijdragen.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Uitspraak kort geding vorderingen Staat tot het verstrekken van gegevens & inlichtingen door belastingplichtige: Bevel tot verschaffen van wilsafhankelijk materiaal mag niet ongeclausuleerd

Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640

Essentie

In gevallen waarin van een belastingplichtige op grond van art. 47 AWR afgifte door middel van een civiel kort geding van materiaal wordt verlangd met het oog op een juiste belastingheffing, en deze belastingplichtige een beroep doet op het nemo-teneturbeginsel, dient het volgende onderscheid te worden gemaakt.

  1. In een civielrechtelijk kort geding kan de belastingplichtige onder last van een dwangsom worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, zulks echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.
  2. Voldoet de belastingplichtige niet aan dit bevel, dan verbeurt hij de daaraan verbonden dwangsom. Indien partijen van mening verschillen of de belastingplichtige aan het bevel heeft voldaan, rusten in een eventueel executiegeschil op de Staat de stelplicht en bewijslast terzake. Dit brengt mee dat de Staat in geval van betwisting zal moeten bewijzen – in de zin van aannemelijk maken – dat de belastingplichtige daadwerkelijk het van hem verlangde, maar niet door hem afgestane, materiaal kon verschaffen.
  3. Wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belasting- of strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.

Feiten

Op basis van de Bijstandsrichtlijn hebben de Duitse fiscale autoriteiten gegevens verstrekt aan de Nederlandse Belastingdienst waaruit blijkt dat eiser – als first benificiary – betrokken is geweest bij de Conet Stiftung te Liechtenstein. Naar aanleiding van deze feiten heeft de Belastingdienst gegevens bij eiser opgevraagd. Eiser heeft verklaard “slechts een beperkte herinnering had aan enige betrokkenheid bij een Liechtensteinse Stiftung”. Als reactie hierop heeft de Staat een kort geding op grond van artikel 47 AWR tegens eiser aangespannen waarbij  - op verbeurte van een dwangsom – zal worden bevolen om: “alle gevorderde gegevens en inlichtingen te verstrekken over de Stiftung en haar vermogen, en de bestemming van dat vermogen na de opheffing van de Stiftung;”.

Eiser heeft – met een beroep op het nemo tenetur-beginsel – geweigerd aan het verzoek van de Staat te voldoen. Eiser stelt dat het feit dat de gevraagde gegevens ook voor beboeting kunnen/zullen gebruikt worden in strijd is met het eerder genoemde beginsel.

Voorzieningenrechter & Hof

De voorzieningenrechter heeft het gevorderde toegewezen (met dien verstande dat hij geen bevel tot verklaren “naar waarheid” heeft opgelegd).

Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Met betrekking tot het beroep van eiser op het nemo tenetur-beginsel overwoog het hof dat de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen op grond van art. 47 lid 1 AWR ten behoeve van een juiste belastingheffing naar vaste rechtspraak niet in strijd komt met dit beginsel. Dit wordt volgens het hof niet anders door de omstandigheid dat de belastingdienst eiser verdenkt van strafrechtelijk verwijtbaar handelen en bij de gevraagde gegevens mede belang kan hebben voor bijvoorbeeld vaststelling van vergrijpboetes.

De vraag of die gegevens later zullen kunnen worden gebruikt voor beboeting of strafvervolging is thans niet aan de orde en kan, indien zich een dergelijke situatie zou voordoen, in de desbetreffende fiscale of strafrechtelijke procedure aan de orde worden gesteld, aldus het hof.

Middel

Het middel stelt de vraag aan de orde of, en zo ja in hoeverre, van dit uitgangspunt moet worden afgeweken in verband met de mogelijkheid dat eiser bij toewijzing van de vordering op een met art. 6 EVRM strijdige wijze zou worden gedwongen om mee te werken aan bewijsvergaring ten behoeve van bestuurlijke boete-oplegging of strafvervolging, en hij bij weigering om aan het in dit kort geding gegeven bevel te voldoen, een (aanzienlijke) dwangsom zou verbeuren.

Hoge Raad

In Saunders tegen Verenigd Koninkrijk (ECLI:NL:XX:1996:ZB6862) heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte (hierna: wilsonafhankelijk materiaal). Uit latere rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat het van dit uitgangspunt is teruggekomen. Dit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal langs de weg van een in kort geding gegeven bevel geen schending van art. 6 EVRM oplevert, ook niet als aan dat bevel een dwangsom wordt verbonden.

Voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. J.B. tegen Zwitserland, ECLI:NL:XX:2001:AN6999), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien.

Om deze reden dient de (voorzieningen)rechter een op het vorenstaande gerichte clausulering te verbinden aan het door hem uit te spreken bevel. De vordering is door de Staat met een beroep op art. 47 AWR ingesteld met het oog op belastingheffing, terwijl mogelijk gebruik van de gevorderde informatie ten behoeve van bestuurlijke beboeting of bestraffing niet is uitgesloten. Ter voldoening aan de eisen die uit art. 6 EVRM voortvloeien dient de te treffen voorziening, voor zover die wilsafhankelijk materiaal betreft, in die zin te worden beperkt dat een zodanig bevel alleen mag worden gegeven met de restrictie dat het verstrekte materiaal uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van de belastingheffing. Zou het aldus in handen van de Inspecteur, en daarmee van de Staat, geraakte materiaal desondanks mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel welk gevolg moet worden verbonden aan schending van de door de voorzieningenrechter gestelde restrictie, toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.

Het bovenstaande betekent dat in gevallen waarin van een belastingplichtige op grond van art. 47 AWR afgifte van materiaal wordt verlangd met het oog op een juiste belastingheffing, en deze belastingplichtige een beroep doet op het nemo-teneturbeginsel, het volgende onderscheid moet worden gemaakt.

  1. In een civielrechtelijk kort geding kan de belastingplichtige onder last van een dwangsom worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, zulks echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.
  2. Voldoet de belastingplichtige niet aan dit bevel, dan verbeurt hij de daaraan verbonden dwangsom. Indien partijen van mening verschillen of de belastingplichtige aan het bevel heeft voldaan, rusten in een eventueel executiegeschil op de Staat de stelplicht en bewijslast terzake. Dit brengt mee dat de Staat in geval van betwisting zal moeten bewijzen – in de zin van aannemelijk maken – dat de belastingplichtige daadwerkelijk het van hem verlangde, maar niet door hem afgestane, materiaal kon verschaffen.
  3. Wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.

Dit brengt mee dat het middel in zoverre slaagt, dat de in het dictum van de voorzieningenrechter (onder 6.1–6.5) gegeven bevelen niet ongeclausuleerd hadden mogen worden gegeven. In zoverre zullen het arrest van het hof en het vonnis van de voorzieningenrechter worden vernietigd. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door aan de veroordelingen in het vonnis van de voorzieningenrechter (dictum onder 6.1–6.5) een restrictie te verbinden als hiervoor bedoeld en de Staat te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen reeds door eiser is betaald, overeenkomstig zijn daartoe strekkende eis in hoger beroep. De proceskosten in eerste aanleg, principaal appel en cassatie zullen worden gecompenseerd als hierna te vermelden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: de arresten van het Hof vermelden geen van drieën een veroordeling (mede) op grond van een Opiumwetdelict in de relevante periode

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:95

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 20 april 2011 aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 25.000,00 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel 

Het middel klaagt dat de oplegging van de ontnemingsmaatregel onvoldoende met redenen is omkleed, doordat het Hof aan de vaststelling en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die niet kunnen volgen uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, terwijl het Hof evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen heeft aangegeven waaraan het die feiten en omstandigheden heeft ontleend.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel klaagt onder meer dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd, voor zover die berekening berust op het uitgangspunt dat de betrokkene van 16 september 2002 tot en met 31 mei 2004 actief is geweest in de handel in softdrugs. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9 en 10 is het middel in zoverre terecht voorgesteld:

"De inhoud van de drie genoemde strafarresten maakt het volgende duidelijk. Bij strafarrest van 19 november 2007 is de betrokkene wegens onder meer medeplegen van in de uitoefening van een beroep of een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd in de periode van 1 november 2004 tot en met 19 januari 2005 (feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Gelet daarop meen ik dat in zoverre de grondslag aan het middel komt te ontvallen, althans dat de betrokkene op dit onderdeel van de klacht geen belang bij cassatie heeft.

Dat is echter anders voor zover het middel zich keert tegen de overweging van het Hof dat blijkens het jegens de betrokkene “gewezen arrest” hij in de periode van 16 september 2002 tot en met 31 mei 2004 actief is geweest in de handel in softdrugs. De strafarresten van het Hof van onderscheidenlijk 27 oktober 2005, 19 november 2007 en (na terugwijzing door de Hoge Raad) 8 maart 2011 vermelden geen van drieën een veroordeling (mede) op grond van een Opiumwetdelict in de periode van (onder meer) 16 september 2002 tot en met 31 mei 2004. Dat betekent dat het middel in zoverre slaagt, nu de oplegging van de ontnemingsmaatregel (in dat opzicht) niet naar de eis der wet met voldoende redenen is omkleed."

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht m.b.t. oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:11

Feiten

Het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft verdachte op 4 januari 2011 wegens diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis.

De raadsman had in hoger beroep het volgende aangevoerd:

"Tot de afgesproken overdracht op uiterlijk 31 januari 2005 zou [verdachte] op verzoek van de Motorclub haar taken blijven vervullen, omdat vlak voor het einde van 2004 het bestuur aftrad. Het was wel zo praktisch als [verdachte] het jaar zou afsluiten. En dat heeft zij in overleg gedaan. Dat is ook de reden waarom zij op 13 januari 2005 een kasopname ten behoeve van de Motorclub heeft gedaan. Zij was, in overleg, nog steeds bevoegd, tot de overdracht, om te handelen. Het geld is ten goede van de Motorclub gekomen, hoewel [verdachte] nu niet meer kan zeggen wat er precies met het geld is gebeurd. [verdachte] heeft het geld derhalve niet wederrechtelijk toegeëigend, zodat zij moet worden vrijgesproken."

Het Hof heeft het volgende overwogen:

"De door verdachte en haar raadsman, ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen (…). Er is geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Verdachte mocht, nadat het bestuur van de motorclub per 19 december 2004 was afgetreden en zij daardoor geen penningmeester meer was, in onderling overleg de administratie van de motorclub tot het eind van dat jaar afwikkelen. In die rol had verdachte niet het recht, zij was immers geen penningmeester meer, om op 13 januari 2005 nog geld op te nemen van de rekening van de motorclub, wat zij wel heeft gedaan en zonder te onderbouwen waarom of waarvoor zij op die datum nog geld heeft moeten pinnen."

Middel

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, mede gelet op een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de verdachte op 13 januari 2005 door middel van een valse sleutel het geldbedrag heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening kan, mede gelet op de stelling van de verdachte dat met het interimbestuur is afgesproken dat zij tot 31 januari 2005 alle financiële zaken van de motorclub nog zou regelen, waarvan de juistheid door het Hof in het midden is gelaten, niet zonder meer uit de bewijsvoering worden afgeleid.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkheid in hb op de grond dat verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend. De inhoud van de aan de cassatieschriftuur gehechte kopieën biedt evenwel grond voor vermoeden dat wel een schriftuur is ingediend.

Hoge Raad 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:8

Feiten

Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 11 februari 2011 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank te Arnhem van 29 september 2010, waarbij de verdachte wegens diefstal op tegenspraak is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en waarbij de politierechter voorts de vordering van de benadeelde partij deels heeft toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting heeft opgelegd, een en ander zoals in het vonnis vermeld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte art. 416, tweede lid, Sv heeft toegepast, nu het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat de verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend.

Beoordeling Hoge Raad

In het middel wordt gesteld dat namens de verdachte binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Arnhem van 29 september 2010 door haar raadsman een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv is ingediend bij de Rechtbank Arnhem. Ter staving van deze stelling zijn aan de cassatieschriftuur kopieën gehecht van:

(i) een schrijven van 13 oktober 2010 van mr. A.J.M. Bommer, gericht aan de strafgriffie van de Rechtbank Arnhem. Dit schrijven houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"Hierbij deel ik u de grieven mee.

Verdachte is het niet eens met de onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij acht een voorwaardelijke gevangenisstraf meer passend.

In ieder geval is de opgelegde gevangenisstraf te zwaar.

Tenslotte is ten onrechte een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegekend."

(ii) een "verzend controle rapport" waaruit kan worden afgeleid dat het onder (i) bedoelde schrijven op 13 oktober 2010 om 21.42 uur per fax is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van de Rechtbank Arnhem;

(iii) een journaaloverzicht van het faxapparaat van het kantoor van de raadsman waaruit kan worden afgeleid dat op 13 oktober 2010 om 21.42 uur een faxbericht is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van de Rechtbank Arnhem met als "result" de vermelding: "OK".

Het Hof heeft mede op de grond dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De inhoud van de genoemde stukken biedt evenwel grond voor het ernstige vermoeden dat namens de verdachte een schriftuur houdende grieven is ingediend. Op grond hiervan moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur wel is ingediend.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^