Intrekken hoger beroep na aanvang van de behandeling

Hoge Raad 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:15

Feiten

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 8 maart 2012 de verdachte wegens diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in het door hem ingestelde hoger beroep, omdat hij dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft ingetrokken.

Beoordeling Hoge Raad

Voor de beoordeling van het middel is van belang dat in HR 28 juni 2011, LJN BP2709 met betrekking tot het wettelijk systeem, zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding van de Wet stroomlijnen hoger beroep, die ook op de onderhavige zaak van toepassing is, onder meer het volgende is overwogen:

"2.4.4. Samengevat komt het huidige wettelijke systeem dus hierop neer dat de partijen in geval van gevoegde zaken als bedoeld in art. 407, tweede lid, Sv de omvang van hetgeen aan het oordeel van de appelrechter is onderworpen zelf kunnen beperken doch uitsluitend - binnen de door de wet getrokken grenzen - door middel van de in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring onderscheidenlijk de verklaring als bedoeld in art. 451a Sv waarmee het rechtsmiddel wordt ingesteld. Daarnaast bestaat tot de aanvang van de behandeling van het hoger beroep de mogelijkheid het hoger beroep geheel of gedeeltelijk in te trekken op de wijze die in de art. 453 en 454 Sv is voorzien. Indien het hoger beroep niet op deze wijze is beperkt, is het gehele in eerste aanleg gewezen vonnis aan het oordeel van de rechter in hoger beroep onderworpen. In dit opzicht komt noch aan de schriftuur houdende grieven noch aan hetgeen de verdachte en het openbaar ministerie ter terechtzitting in hoger beroep daaromtrent verklaren, betekenis toe. Wel kan de rechter de behandeling in hoger beroep concentreren op de door de procespartijen ingebrachte bezwaren en bestaat voor hem de in art. 416 Sv geschapen mogelijkheid de afdoening daarop toe te snijden.

Bovendien blijkt uit de wetsgeschiedenis dat indien na de aanvang van de behandeling van het hoger beroep bezwaren niet worden gehandhaafd, een dergelijke "intrekking" onder omstandigheden tot toepassing van art. 416, tweede en derde lid, Sv kan leiden - om welke toepassing procespartijen bovendien kunnen verzoeken. Voor zover het daarbij gaat om een gedeeltelijke "intrekking", gelden daarbij de wettelijke grenzen van art. 407 Sv over de mogelijkheden om het appel te beperken. In dit verband moet ook worden gewezen op eerdere rechtspraak van de Hoge Raad waarin met betrekking tot art. 416, tweede en derde lid, Sv is beslist dat de rechter niet uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de verdachte of de officier van justitie kan uitspreken, maar dat een dergelijke beslissing ook na dat onderzoek kan worden gegeven (vgl. HR 2 februari 2010, LJN BK0910, NJ 2010/88 betreffende het derde lid van art. 416 Sv en HR 28 september 2010, LJN BN0019, NJ 2010/536 betreffende het tweede lid van art. 416 Sv). In eerstgenoemd arrest is daarnaast beslist dat de toepassing van art. 416 Sv in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Dat betekent dat de feitenrechter een grote vrijheid heeft in zijn beslissing terzake en dat zeker aan de motivering van de afwijzing van een verzoek tot toepassing van art. 416 Sv geen zware eisen kunnen worden gesteld. (...)

3.3. Op grond van art. 453 Sv in verbinding met art. 454 Sv kan de intrekking van een rechtsmiddel uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het beroep geschieden door een verklaring, af te leggen op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven, dan wel, in het geval de advocaat-generaal bij het hof gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot intrekking krachtens art. 453, tweede lid, Sv, ter griffie van het gerechtshof. Ingevolge art. 270 Sv, dat ook in hoger beroep toepasselijk is, begint het onderzoek - en neemt dus de behandeling een aanvang - door het doen uitroepen van de zaak. Dat betekent dat de genoemde verklaring moet zijn afgelegd vóórdat de zaak is uitgeroepen."

In het licht van deze overwegingen en gelet op de omstandigheid dat in de onderhavige zaak de behandeling in hoger beroep een aanvang heeft genomen ter terechtzitting van 19 mei 2011 waar de zaak voor het eerst in hoger beroep is behandeld, geeft het in het middel bestreden oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Het stond het Hof vrij geen toepassing te geven aan zijn bevoegdheid het door de verdachte ingestelde hoger beroep op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat het Hof niet uitsloot dat het ten aanzien van de verdachte tot een andere beslissing zou komen dan de Rechtbank.

In de toelichting op het middel wordt met een beroep op HR 19 oktober 1993, LJN ZC9463, NJ 1994/69 betoogd dat - in afwijking van het wettelijk systeem - moet worden aangenomen dat de verdachte en de officier van justitie ook nadat de zaak is uitgeroepen, bevoegd zijn het hoger beroep in te trekken, mits de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet is aangevangen.

In het midden kan blijven of genoemd arrest steun biedt aan het bestaan van een zo algemene regel voor zaken waarop de Wet stroomlijnen hoger beroep nog niet van toepassing is, nu moet worden vastgesteld dat na invoering van die wet aan een voorziening als in het speciale geval van dat arrest getroffen, geen behoefte meer bestaat. Zoals in het hiervoor onder 2.3 aangehaalde arrest van 28 juni 2011 onder 2.4.4 is overwogen, biedt thans art. 416 Sv de appelrechter de mogelijkheid om in geval een wens tot "intrekking" van het hoger beroep wordt geuit na aanvang van de behandeling in hoger beroep, de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep uit te spreken.

Het middel faalt.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Middel klaagt terecht dat de in de bewezenverklaring bedoelde bekendheid met de bijzonderheden niet opleveren 'voorwetenschap' in de zin van art. 46 Wte 1995 (oud)

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:6

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 28 april 2011 verdachte wegens

  1. medeplegen van een voorschrift, gesteld bij artikel 46b van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en
  2. medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 46 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 135.000,00, subsidiair 365 dagen hechtenis.

Namens verdachte heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, twaalf middelen van cassatie voorgesteld.

Eerste middel

Het eerste middel klaagt erover dat het Hof, nu het in het verkorte arrest reeds bewijsmiddelen heeft opgenomen, geen aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv had mogen opstellen.

HR: Bij beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een klacht die uitsluitend inhoudt dat ten onrechte een aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a Sv is opgesteld en bij de gedingstukken is gevoegd, niet tot cassatie kan leiden omdat de verdachte bij die klacht onvoldoende in rechte te respecteren belang heeft (vgl. HR 6 november 2012, LJN BX0863, NJ 2013/144).

Klaarblijkelijk heeft het Hof de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de in de aanvulling op de als 'verkort arrest' aangeduide uitspraak daartoe gebezigde bewijsmiddelen in samenhang met de in dat verkorte arrest voldoende nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen, en heeft het zijn bewijsvoering voorts verantwoord door de in dat verkorte arrest en in die aanvulling opgenomen bewijsoverwegingen. Mede met het oog op hetgeen is vooropgesteld heeft de verdachte in dit geval geen belang bij de klacht over deze door het Hof gevolgde werkwijze. Daarop stuit het middel af.

Negende middel

Het negende middel beoogt erover te klagen dat de in de bewezenverklaring van feit 2 bedoelde bekendheid met de onder c, e en f vermelde bijzonderheden niet opleveren 'voorwetenschap' in de zin van art. 46 Wte 1995 (oud).

Het Hof heeft in zijn overwegingen op grond van het voorhanden bewijsmateriaal vastgesteld dat de verdachte met het kennelijk oogmerk "om de koers te stabiliseren en daarmee te manipuleren" door tussenkomst van de bank transacties in aandelen A heeft bewerkstelligd met medeverdachte medeverdachte en/of B BV terwijl hij bekend was met bijzonderheden omtrent de instelling A en omtrent de handel in effecten A, welke hieruit bestaan, kort gezegd, dat de verdachte:

  • door zelf bewerkstelligde aankooptransacties een geringe free float van de effecten A in stand hield (bijzonderheid c),
  • afspraken heeft gemaakt met de medeverdachte wanneer en tegen welke prijs hij aangekochte en/of gehouden effecten A zou terugkopen (bijzonderheid e), alsmede
  • aankooptransacties heeft bewerkstelligd gedurende gesloten periodes (bijzonderheid f).

Naast de omstandigheid dat het aldus bewezenverklaarde handelen volgens het Hof tot doel had de koers van de effecten te manipuleren, kenmerkt dit geval zich erdoor dat een als marktmanipulatie aan te merken handelen als zodanig nog niet strafbaar was gesteld ten tijde van het bewezenverklaarde handelen (zie voor de huidige strafbaarstelling art. 5:58, eerste lid, Wet op het financieel toezicht).

Met betrekking tot de vraag of de bewezenverklaarde bekendheid met de bijzonderheden als 'voorwetenschap' in de zin van art. 46 Wte 1995 (oud) is aan te merken, moet worden vooropgesteld dat de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk heeft beoogd het verbod dat ten tijde van het bewezenverklaarde handelen was opgenomen in art. 46, eerste lid, Wte 1995 (oud), niet te doen uitstrekken tot de effectentransacties die worden verricht of bewerkstelligd met wetenschap die slechts de eigen voorgenomen effectentransacties betreft. Indien sprake is van bijzonderheden die door de verdachte zelf zijn geschapen, moet zijn wetenschap daaromtrent worden aangemerkt als wetenschap omtrent zijn eigen voorgenomen effectentransacties (vgl. HR 6 februari 2007, LJN AY6713, NJ 2008/467).

Het Hof heeft ten aanzien van de onder c en e vermelde bijzonderheden vastgesteld dat het bij de desbetreffende aankooptransacties gaat om wetenschap van de verdachte en de medeverdachte omtrent de eigen (voorgenomen) handel in de effecten A, welke (gezamenlijke) wetenschap inhield dat door manipulatie de koers van die aandelen hoog werd gehouden. Aldus heeft de verdachte, samen met onder anderen de medeverdachte, deze bijzonderheden zelf geschapen. Dat brengt mee dat de bij de verdachte en de medeverdachte bestaande wetenschap van de onder c en e vermelde bijzonderheden kennis betreft omtrent het uitvoeren van het eigen voornemen bepaalde aankooptransacties te verrichten, en dat deze wetenschap dus niet kan worden aangemerkt als voorwetenschap in de zin van art. 46 Wte 1995 (oud). De omstandigheid dat de verdachte en de medeverdachte transacties verrichtten met het doel de koers te manipuleren, maakt dat niet anders. Ook de omstandigheid dat, zoals het Hof overweegt, het in dit geval gaat om bijzonderheden die niet door de verdachte alleen zijn geschapen, aangezien hij daarvoor "de actieve medewerking van anderen", onder wie de medeverdachte en de bank, nodig had, vormt geen wezenlijk verschil met het geval dat de Hoge Raad had te beoordelen in het zojuist genoemde arrest waarin voormelde opvatting omtrent de reikwijdte van het begrip 'voorwetenschap' in art. 46 Wte 1995 (oud) is verwoord.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. Op grond van het voorgaande en het zich bij de stukken bevindende bewijsmateriaal staat voorts vast dat het Hof waarnaar de zaak zou moeten worden teruggewezen tot geen andere conclusie kan komen dan dat het onder 2 tenlastegelegde wat betreft de bijzonderheden c en e niet bewezen kan worden verklaard.

De onder f vermelde bijzonderheid betreft een bijzonderheid omtrent de vennootschap A en houdt blijkens de bewezenverklaring in dat de verdachte ermee bekend was dat hij aankooptransacties heeft bewerkstelligd gedurende de zogenoemde gesloten periodes voorafgaande aan de publicatie van de jaarrekeningen van 2001 en 2002. Op grond van het zich bij de stukken bevindende bewijsmateriaal staat vast dat het bij de onder f aangeduide bijzonderheid uitsluitend gaat om de aankooptransactie van 7 februari 2003 in de gesloten periode voor de publicatie van de jaarrekening over 2002 op 17 februari 2003. Voor zover, zoals het Hof heeft bewezenverklaard, ervan moet worden uitgegaan dat de verdachte aldus wetenschap had van de enkele bijzonderheid dat hij die transactie heeft verricht in de gesloten periode, geldt dat sprake is van wetenschap omtrent het eigen (voorgenomen) handelen, welke wetenschap op grond van het voorgaande niet als 'voorwetenschap' in de zin van art. 46 Wte 1995 (oud) is aan te merken. Ook indien de tenlastelegging aldus moet worden opgevat dat de wetenschap van de verdachte daaruit bestaat dat hij kon beschikken over informatie uit de nog niet gepubliceerde jaarrekening over 2002, biedt het voorhanden bewijsmateriaal geen aanknopingspunt om, in weerwil van het daarop gerichte verweer van de verdachte in feitelijke aanleg, aannemelijk te doen zijn dat van enkel deze bijzonderheid redelijkerwijs te verwachten viel dat openbaarmaking van die informatie (significante) invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen A, mede gelet op de vaststaande omstandigheden dat de free float gering was en de koers door de verdachte werd gestabiliseerd. Aldus moet ook ten aanzien van de bijzonderheid onder f worden geoordeeld dat het Hof waarnaar de zaak zou moeten worden teruggewezen tot geen andere conclusie kan komen dan dat het onder 2 tenlastegelegde wat betreft deze bijzonderheid niet bewezen kan worden verklaard.

Het voorgaande in aanmerking genomen, brengt een doelmatige rechtspleging mee dat de Hoge Raad de zaak in zoverre zelf afdoet. De Hoge Raad zal de verdachte vrijspreken van het hem onder 2 tenlastegelegde feit.

Het tweede, het derde, het vierde, het vijfde, het achtste en het tiende middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Print Friendly and PDF ^

Falende klachten m.b.t. de motivering van de bewezenverklaring. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:4

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 22 april 2011 door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 primair diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,- toegewezen en aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Middel

Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, mede in het licht van hetgeen de verdediging daaromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd.

Het tweede middel bevat de klacht dat voor het bewijs gebruik is gemaakt van een verklaring van een getuige die een ontoelaatbare gissing bevat.

Het derde middel bevat dezelfde klacht ten aanzien van een tot bewijs gebezigd relaas van verbalisanten.

De middelen worden gezamenlijke behandeld.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat in telefoongesprekken die de verdachte tussen 30 november 2009 en 2 december 2009 heeft gevoerd met betrokkene 1 en betrokkene 2 is gesproken over achtereenvolgens 'handding' en 'schietding', en ook over 'hoofddingen' die betrokkene 1 zou gaan kopen. Het Hof heeft aan deze gesprekken de betekenis toegekend dat de verdachte in zijn telefoongesprekken over, respectievelijk met betrokkene 2 - die een getuige in de zomer van 2009 in het bezit van een vuurwapen heeft gezien - met 'handding' onderscheidenlijk 'schietding' doelde op het vuurwapen dat bij de bewezenverklaarde overval is gebruikt, en in een telefoongesprek tussen de verdachte en betrokkene 1 met 'hoofddingen' werd gedoeld op bivakmutsen, terwijl het Hof ook van belang heeft geacht dat in telefoongesprekken die de verdachte in de avond van 1 december 2009 en in de vroege ochtend van 2 december 2009 voerde werd gesproken over ergens heengaan, waarbij de verdachte op zeker moment opmerkte dat ze alleen gingen kijken, en een medewerkster van de overvallen supermarkt een week tevoren op hetzelfde vroege uur iemand in de buurt van de supermarkt heeft gezien die op haar de indruk maakte de zaak ongezien te willen observeren, en voorts dat de daders van de bewezenverklaarde overval bivakmutsen droegen.

In de vaststellingen van het Hof ligt voorts besloten dat bij een enige tijd nadien ondernomen poging een supermarkt te Nijmegen te overvallen, ter zake waarvan betrokkene 1 als verdachte is aangemerkt, gebruik is gemaakt van een bromfiets van het merk Tomos (geregistreerd op naam van een andere verdachte van dat feit), dat de verdachte en betrokkene 1 elkaar op 9 december 2009 kort voor middernacht telefonisch hebben gesproken waarbij de verdachte aankondigde dat 'ze zo meteen naar betrokkene 1 kwamen' waarop betrokkene 1 hem mededeelde dat 'ze alles hadden, dus ook de twee brommers', en dat een getuige op 10 december 2009, kort voor zes uur 's ochtends, drie donker geklede personen op twee brommers, waaronder een Tomos, naar het centrum van Milligen aan de Rijn heeft zien rijden. Daarnaast heeft het Hof vastgesteld dat enige tijd na het begaan van de overval, waarbij onder meer bankbiljetten en rolletjes muntgeld zijn weggenomen, tijdens een doorzoeking in de woning van de grootmoeder van de verdachte in een wasmand bankbiljetten en rolletjes muntgeld zijn aangetroffen, en dat de grootmoeder van de verdachte bij de Rechter-Commissaris heeft verklaard dat zij denkt dat de verdachte, die vaak bij haar kwam, dat geld in de wasmand heeft gelegd.

Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof op grond van deze, in de gebezigde bewijsmiddelen voorkomende, feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft geoordeeld dat de verdachte als dader bij het bewezenverklaarde feit betrokken is geweest.

Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof aan de tot bewijs gebezigde, bij de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring van de grootmoeder van de verdachte klaarblijkelijk deze betekenis heeft toegekend dat bij haar, toen zij werd geconfronteerd met de aanwezigheid van bankbiljetten en rolletjes muntgeld in haar wasmand, aanstonds de overtuiging heeft postgevat dat het geld daar door de verdachte, die regelmatig in haar woning kwam, was achtergelaten, terwijl het Hof heeft geoordeeld dat de getuige terecht tot deze gevolgtrekking is gekomen zodat die vereenzelvigd kan worden met een door het Hof gemaakte gevolgtrekking. Ook in zoverre is het oordeel van het Hof, gelet op de overige bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk (vgl. HR 12 januari 1999, LJN ZD1326, NJ 1999/247).

In verdergaande mate kan dat aan het Hof als feitenrechter voorbehouden oordeel in cassatie niet worden onderzocht. Daar voor de strafbaarheid of ernst van het feit geen verschil maakt of bij het bewezenverklaarde feit nu precies of ongeveer een bedrag van € 35.000,- is weggenomen, heeft de verdachte geen belang bij zijn klacht dat het als bewijsmiddel 1 tot bewijs gebezigde proces-verbaal - het enige bewijsmiddel waarin een aanduiding is te vinden van het totale bij de overval weggenomen geldbedrag - is vermeld dat er "ongeveer € 35.000,-" is buitgemaakt.

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden.

Conclusie AG: anders

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad over art. 23 WED, conclusie AG anders

Hoge Raad

Feiten

De economische kamer van het gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 11 maart 2011 wegens opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen veroordeeld tot een geldboete van € 1.200, te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:

“Uit het proces-verbaal van overtreding d.d. 22 augustus 2008 blijkt dat naar aanleiding van de aanwijzing dat ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water in de Rotterdamse haven de regelgeving krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen sinds 2006 niet voldoende zou worden nageleefd, de opsporingsambtenaren op 28 juli 2008 aan boord zijn gegaan van de tankduwbak [A] die op dat moment werd beladen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat waar er aanwijzingen waren dat bedoelde economische voorschriften niet werden nageleefd het belang van de opsporing meebrengt dat wordt nagegaan waar zich in concreto een overtreding voordoet, en dat op grond daarvan de opsporingsambtenaren gerechtigd waren de '[A]' te betreden. Het verweer wordt dan ook verworpen.”

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat de opsporingsambtenaren niet gerechtigd waren de tankduwbak [A] te betreden, ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

In het licht van art. 23 WED moeten de overwegingen van het Hof aldus worden verstaan dat de verbalisanten, mede gelet op de hun bekende omstandigheid dat in het Rotterdamse havengebied bij het vervoer van gevaarlijke stoffen de toepasselijke regelgeving niet voldoende werd nageleefd, aan art. 23 WED de bevoegdheid ontleenden op de tankduwbak [A] een onderzoek in te stellen, aangezien de toepassing van de in deze bepaling gegeven opsporingsbevoegdheid niet beperkt is tot de bijzondere plaatsen waar een in die wet bedoeld voorschrift vermoedelijk niet wordt nageleefd, doch het belang van de opsporing meebrengt dat bij aanwijzingen dat zo een voorschrift niet wordt nageleefd, ook vastgesteld moet kunnen worden waar zich een overtreding van dat voorschrift voordoet (vgl. HR 9 maart 1993, LJN ZC9268, NJ 1993/633).

Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is dan ook tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De AG maak uit het samenstel van bepalingen op, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het toezicht van artikel 5:11 Awb en artikel 34 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen enerzijds, en de bevoegdheden tot opsporing in de WED, zoals bijvoorbeeld de bevoegdheid van toegang in het belang van de opsporing tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is (artikel 20 WED) anderzijds.

De motivering van de verwerping van het verweer in het arrest geeft ervan blijk dat het hof dit onderscheid onvoldoende heeft gerespecteerd, aldus Machielse. Het enkele feit dat is gebleken dat in de Rotterdamse haven de regelgeving krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen sinds 2006 niet voldoende zou worden nageleefd, kan aanleiding zijn voor controleacties of verscherping van het toezicht, maar levert nog geen aanwijzing op dat aan boord van een concreet schip een economisch voorschrift niet is nageleefd. Dat op enig, willekeurig gekozen moment ergens in Nederland de regels die het vervoer van gevaarlijke stoffen aan banden leggen worden geschonden, lijkt hem een verdedigbaar uitgangspunt.

Maar is dat uitgangspunt voldoende als aanwijzing om bijvoorbeeld in het belang van de opsporing een willekeurige tankauto in Nederland te doen stilhouden? Door al zo snel te aanvaarden dat er geen voldoende aanwijzing is, verwatert het onderscheid tussen toezicht en (verruimde) opsporing. Zo een aanwijzing had bijvoorbeeld in de optiek van Machielse wel gevonden kunnen worden in de waarneming van verbalisanten dat bij het beladen met een gevaarlijke stof een persoon aan boord van de [A] af en toe aan een afsluiter draaide. Maar daarop heeft het hof zich niet beroepen.

Naar het oordeel van de AG slaagt dit middel.

Print Friendly and PDF ^

M. en De K. vrijgesproken van misbruik voorwetenschap

De Hoge Raad heeft vandaag de verdachte M. en medeverdachte De K. vrijgesproken van misbruik van voorwetenschap.

M. had een controlerend belang verworven in het beursfonds VHS. Het openbaar ministerie verweet hem dat hij samen met De K. misbruik van voorwetenschap had gemaakt door in 2002 en 2003 aankooptransacties in aandelen VHS te verrichten waarmee zij de koers van de aandelen VHS stabiel wilden houden. Zij zouden daarbij gebruik hebben gemaakt van niet openbare informatie die bij openbaarmaking een aanmerkelijke invloed op de koers gehad zou hebben (misbruik van voorwetenschap; artikel 46 van de destijds geldende Wet toezicht effectenverkeer 1995), onder meer door afspraken te maken tegen welke prijs de door De K. of zijn BV aangekochte effecten VHS later door M. zouden kunnen worden teruggekocht.

Het hof Amsterdam heeft M. op 28 april 2011 voor misbruik van voorwetenschap (en nog een ander feit) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete. Ook De K. is voor misbruik van voorwetenschap veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete.

De Hoge Raad oordeelt in navolging van eerdere rechtspraak dat van voorwetenschap hier geen sprake is omdat het gaat om wetenschap van M. en De K. over de eigen voorgenomen effectentransacties. Dat valt in dit geval niet onder het begrip voorkennis. Het handelen van de verdachten levert wel marktmanipulatie op, maar dat was destijds nog niet strafbaar. Om praktische redenen spreekt de Hoge Raad zelf de verdachten vrij van misbruik van voorwetenschap.

In de zaak van M. was nog een ander feit door het hof bewezenverklaard (nalaten effectentransacties te melden op grond van Wet toezicht effectenverkeer 1995). Die veroordeling blijft in stand. De zaak wordt naar het hof Amsterdam teruggewezen om alleen voor dat feit nog een straf te bepalen.

In de zaak tegen De K. was alleen misbruik van voorkennis tenlastegelegd.

Lees hier de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^