Falende klachten m.b.t. de motivering van de bewezenverklaring. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:4

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 22 april 2011 door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 primair diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,- toegewezen en aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Middel

Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, mede in het licht van hetgeen de verdediging daaromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd.

Het tweede middel bevat de klacht dat voor het bewijs gebruik is gemaakt van een verklaring van een getuige die een ontoelaatbare gissing bevat.

Het derde middel bevat dezelfde klacht ten aanzien van een tot bewijs gebezigd relaas van verbalisanten.

De middelen worden gezamenlijke behandeld.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat in telefoongesprekken die de verdachte tussen 30 november 2009 en 2 december 2009 heeft gevoerd met betrokkene 1 en betrokkene 2 is gesproken over achtereenvolgens 'handding' en 'schietding', en ook over 'hoofddingen' die betrokkene 1 zou gaan kopen. Het Hof heeft aan deze gesprekken de betekenis toegekend dat de verdachte in zijn telefoongesprekken over, respectievelijk met betrokkene 2 - die een getuige in de zomer van 2009 in het bezit van een vuurwapen heeft gezien - met 'handding' onderscheidenlijk 'schietding' doelde op het vuurwapen dat bij de bewezenverklaarde overval is gebruikt, en in een telefoongesprek tussen de verdachte en betrokkene 1 met 'hoofddingen' werd gedoeld op bivakmutsen, terwijl het Hof ook van belang heeft geacht dat in telefoongesprekken die de verdachte in de avond van 1 december 2009 en in de vroege ochtend van 2 december 2009 voerde werd gesproken over ergens heengaan, waarbij de verdachte op zeker moment opmerkte dat ze alleen gingen kijken, en een medewerkster van de overvallen supermarkt een week tevoren op hetzelfde vroege uur iemand in de buurt van de supermarkt heeft gezien die op haar de indruk maakte de zaak ongezien te willen observeren, en voorts dat de daders van de bewezenverklaarde overval bivakmutsen droegen.

In de vaststellingen van het Hof ligt voorts besloten dat bij een enige tijd nadien ondernomen poging een supermarkt te Nijmegen te overvallen, ter zake waarvan betrokkene 1 als verdachte is aangemerkt, gebruik is gemaakt van een bromfiets van het merk Tomos (geregistreerd op naam van een andere verdachte van dat feit), dat de verdachte en betrokkene 1 elkaar op 9 december 2009 kort voor middernacht telefonisch hebben gesproken waarbij de verdachte aankondigde dat 'ze zo meteen naar betrokkene 1 kwamen' waarop betrokkene 1 hem mededeelde dat 'ze alles hadden, dus ook de twee brommers', en dat een getuige op 10 december 2009, kort voor zes uur 's ochtends, drie donker geklede personen op twee brommers, waaronder een Tomos, naar het centrum van Milligen aan de Rijn heeft zien rijden. Daarnaast heeft het Hof vastgesteld dat enige tijd na het begaan van de overval, waarbij onder meer bankbiljetten en rolletjes muntgeld zijn weggenomen, tijdens een doorzoeking in de woning van de grootmoeder van de verdachte in een wasmand bankbiljetten en rolletjes muntgeld zijn aangetroffen, en dat de grootmoeder van de verdachte bij de Rechter-Commissaris heeft verklaard dat zij denkt dat de verdachte, die vaak bij haar kwam, dat geld in de wasmand heeft gelegd.

Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof op grond van deze, in de gebezigde bewijsmiddelen voorkomende, feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft geoordeeld dat de verdachte als dader bij het bewezenverklaarde feit betrokken is geweest.

Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof aan de tot bewijs gebezigde, bij de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring van de grootmoeder van de verdachte klaarblijkelijk deze betekenis heeft toegekend dat bij haar, toen zij werd geconfronteerd met de aanwezigheid van bankbiljetten en rolletjes muntgeld in haar wasmand, aanstonds de overtuiging heeft postgevat dat het geld daar door de verdachte, die regelmatig in haar woning kwam, was achtergelaten, terwijl het Hof heeft geoordeeld dat de getuige terecht tot deze gevolgtrekking is gekomen zodat die vereenzelvigd kan worden met een door het Hof gemaakte gevolgtrekking. Ook in zoverre is het oordeel van het Hof, gelet op de overige bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk (vgl. HR 12 januari 1999, LJN ZD1326, NJ 1999/247).

In verdergaande mate kan dat aan het Hof als feitenrechter voorbehouden oordeel in cassatie niet worden onderzocht. Daar voor de strafbaarheid of ernst van het feit geen verschil maakt of bij het bewezenverklaarde feit nu precies of ongeveer een bedrag van € 35.000,- is weggenomen, heeft de verdachte geen belang bij zijn klacht dat het als bewijsmiddel 1 tot bewijs gebezigde proces-verbaal - het enige bewijsmiddel waarin een aanduiding is te vinden van het totale bij de overval weggenomen geldbedrag - is vermeld dat er "ongeveer € 35.000,-" is buitgemaakt.

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden.

Conclusie AG: anders

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad over art. 23 WED, conclusie AG anders

Hoge Raad

Feiten

De economische kamer van het gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 11 maart 2011 wegens opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen veroordeeld tot een geldboete van € 1.200, te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:

“Uit het proces-verbaal van overtreding d.d. 22 augustus 2008 blijkt dat naar aanleiding van de aanwijzing dat ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water in de Rotterdamse haven de regelgeving krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen sinds 2006 niet voldoende zou worden nageleefd, de opsporingsambtenaren op 28 juli 2008 aan boord zijn gegaan van de tankduwbak [A] die op dat moment werd beladen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat waar er aanwijzingen waren dat bedoelde economische voorschriften niet werden nageleefd het belang van de opsporing meebrengt dat wordt nagegaan waar zich in concreto een overtreding voordoet, en dat op grond daarvan de opsporingsambtenaren gerechtigd waren de '[A]' te betreden. Het verweer wordt dan ook verworpen.”

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat de opsporingsambtenaren niet gerechtigd waren de tankduwbak [A] te betreden, ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

In het licht van art. 23 WED moeten de overwegingen van het Hof aldus worden verstaan dat de verbalisanten, mede gelet op de hun bekende omstandigheid dat in het Rotterdamse havengebied bij het vervoer van gevaarlijke stoffen de toepasselijke regelgeving niet voldoende werd nageleefd, aan art. 23 WED de bevoegdheid ontleenden op de tankduwbak [A] een onderzoek in te stellen, aangezien de toepassing van de in deze bepaling gegeven opsporingsbevoegdheid niet beperkt is tot de bijzondere plaatsen waar een in die wet bedoeld voorschrift vermoedelijk niet wordt nageleefd, doch het belang van de opsporing meebrengt dat bij aanwijzingen dat zo een voorschrift niet wordt nageleefd, ook vastgesteld moet kunnen worden waar zich een overtreding van dat voorschrift voordoet (vgl. HR 9 maart 1993, LJN ZC9268, NJ 1993/633).

Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, is dan ook tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De AG maak uit het samenstel van bepalingen op, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het toezicht van artikel 5:11 Awb en artikel 34 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen enerzijds, en de bevoegdheden tot opsporing in de WED, zoals bijvoorbeeld de bevoegdheid van toegang in het belang van de opsporing tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is (artikel 20 WED) anderzijds.

De motivering van de verwerping van het verweer in het arrest geeft ervan blijk dat het hof dit onderscheid onvoldoende heeft gerespecteerd, aldus Machielse. Het enkele feit dat is gebleken dat in de Rotterdamse haven de regelgeving krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen sinds 2006 niet voldoende zou worden nageleefd, kan aanleiding zijn voor controleacties of verscherping van het toezicht, maar levert nog geen aanwijzing op dat aan boord van een concreet schip een economisch voorschrift niet is nageleefd. Dat op enig, willekeurig gekozen moment ergens in Nederland de regels die het vervoer van gevaarlijke stoffen aan banden leggen worden geschonden, lijkt hem een verdedigbaar uitgangspunt.

Maar is dat uitgangspunt voldoende als aanwijzing om bijvoorbeeld in het belang van de opsporing een willekeurige tankauto in Nederland te doen stilhouden? Door al zo snel te aanvaarden dat er geen voldoende aanwijzing is, verwatert het onderscheid tussen toezicht en (verruimde) opsporing. Zo een aanwijzing had bijvoorbeeld in de optiek van Machielse wel gevonden kunnen worden in de waarneming van verbalisanten dat bij het beladen met een gevaarlijke stof een persoon aan boord van de [A] af en toe aan een afsluiter draaide. Maar daarop heeft het hof zich niet beroepen.

Naar het oordeel van de AG slaagt dit middel.

Print Friendly and PDF ^

M. en De K. vrijgesproken van misbruik voorwetenschap

De Hoge Raad heeft vandaag de verdachte M. en medeverdachte De K. vrijgesproken van misbruik van voorwetenschap.

M. had een controlerend belang verworven in het beursfonds VHS. Het openbaar ministerie verweet hem dat hij samen met De K. misbruik van voorwetenschap had gemaakt door in 2002 en 2003 aankooptransacties in aandelen VHS te verrichten waarmee zij de koers van de aandelen VHS stabiel wilden houden. Zij zouden daarbij gebruik hebben gemaakt van niet openbare informatie die bij openbaarmaking een aanmerkelijke invloed op de koers gehad zou hebben (misbruik van voorwetenschap; artikel 46 van de destijds geldende Wet toezicht effectenverkeer 1995), onder meer door afspraken te maken tegen welke prijs de door De K. of zijn BV aangekochte effecten VHS later door M. zouden kunnen worden teruggekocht.

Het hof Amsterdam heeft M. op 28 april 2011 voor misbruik van voorwetenschap (en nog een ander feit) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete. Ook De K. is voor misbruik van voorwetenschap veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete.

De Hoge Raad oordeelt in navolging van eerdere rechtspraak dat van voorwetenschap hier geen sprake is omdat het gaat om wetenschap van M. en De K. over de eigen voorgenomen effectentransacties. Dat valt in dit geval niet onder het begrip voorkennis. Het handelen van de verdachten levert wel marktmanipulatie op, maar dat was destijds nog niet strafbaar. Om praktische redenen spreekt de Hoge Raad zelf de verdachten vrij van misbruik van voorwetenschap.

In de zaak van M. was nog een ander feit door het hof bewezenverklaard (nalaten effectentransacties te melden op grond van Wet toezicht effectenverkeer 1995). Die veroordeling blijft in stand. De zaak wordt naar het hof Amsterdam teruggewezen om alleen voor dat feit nog een straf te bepalen.

In de zaak tegen De K. was alleen misbruik van voorkennis tenlastegelegd.

Lees hier de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: motiveringseis t.a.v. verwerven van voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf

Hoge Raad 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302

Feiten

Verzoeker is bij arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 oktober 2011 wegens de onder 1, 2, 3 en 5 bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Voorts heeft het Hof feit 4 witwassen als bedoeld in art. 420bis Sr bewezen verklaard, doch daaraan voor wat betreft de hoofdstraf geen zelfstandige betekenis toegekend. Daarnaast heeft het Hof het in beslag genomen, doch niet teruggegeven geldbedrag van € 15.007,88 verbeurd verklaard, nu naar zijn oordeel dit geld is waarmee het bewezenverklaarde witwassen is begaan.

De bewezenverklaarde feiten leveren op:

  1. opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
  2. opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
  3. opzettelijk handelen in strijd met het in art. 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en
  4. witwassen
  5. handelen in strijd met art. 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd.

Namens verzoeker hebben mr. A.M. Seebregts en mr. O.J. Much, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel keert zich met een rechtsklacht en met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het Hof dat verzoeker de door hemzelf verworven geldbedragen uitsluitend voorhanden heeft gehad. Indien het Hof dit enkele voorhanden hebben van verworven geldbedragen uit een door verzoeker begaan misdrijf reeds heeft aangemerkt als witwassen, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de stellers van het middel. Indien het Hof daaraan niet heeft voorbijgezien is het oordeel van het Hof volgens de stellers van het middel ontoereikend gemotiveerd, nu het Hof niet heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van die geldbedragen heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2010/655 en HR NJ 2013/266.

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655 het volgende overwogen.

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7923, NJ 2008/16).

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, LJN AU6712, NJ 2006/612). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 8 januari 2013, LJN BX6910, NJ 2013/266 het volgende toegevoegd.

Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Het middel stelt de vraag aan de orde of hetgeen hiervoor onder is vooropgesteld met betrekking tot witwassen door het "voorhanden hebben" van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, ook geldt indien het "verwerven" van een dergelijk voorwerp is bewezenverklaard. Die vraag beantwoordt de Hoge Raad bevestigend. Ook ten aanzien van zulk als 'witwassen' bewezenverklaard verwerven van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dient de eis te worden gesteld dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp - te weten een geldbedrag - dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (drugshandel) en heeft het Hof geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd. Dat de verdachte, zoals uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid, niet alleen geld op zak had bij zijn aanhouding, maar ook op verschillende plaatsen in zijn huis bewaarde, brengt immers nog niet zonder meer mee dat de verdachte de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Toerekening van bedrijfskosten aan zowel de legale als de illegale bedrijfsactiviteiten

Hoge Raad 18 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA3296

Feiten

Vaststaat dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen gedurende de bewezenverklaarde periode van 29 januari 2002 t/m 20 juni 2002 en uit soortgelijke strafbare feiten. Dat voordeel is verkregen uit de totale verkoopopbrengst van een drietal illegale producten, te weten "Primafleur alstroemeria", "Primafleur roos" en "Bakkenreiniger". De bewezenverklaarde feiten houden in dat de betrokkene deze producten in voornoemde periode in strijd met de Bestrijdingsmiddelenwet heeft verkocht. De soortgelijke strafbare feiten zien op hetzelfde economische delict voor zover (telkens) begaan sinds 1 januari 2001. Om die reden is het Hof bij de berekening van de omvang van het geschatte ontnemingsvoordeel uitgegaan van de periode van 1 januari 2001 tot en met 20 juni 2002, en heeft het deze omvang vastgesteld op € 182.633,01.

Omdat echter de betrokkene werkte met een zogenoemd gebroken boekjaar lopende van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002, heeft het Hof de verkoopopbrengst van de illegale producten naar evenredigheid bijgesteld en bepaald op een daarmee overeenkomend bedrag van ongeveer € 121.750,-.

Vervolgens heeft het Hof bij zijn berekening van de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel "het resultaat voor belastingen" tot uitgangspunt genomen, en daarop een aantal op de onderneming drukkende kosten en voorzieningen in mindering gebracht.

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 8 juni 2011 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om aan de Staat een bedrag van € 500,- te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Tegen dit arrest is op 16 juni 2011 door mr. M. ter Hart, Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de totale omzet van de onderneming als uitgangspunt heeft genomen, althans dat het Hof de schatting van het voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In de overwegingen van het Hof ligt besloten diens oordeel dat de bedrijfskosten van de betrokkene gedurende het 'boekjaar 2001-2002' kunnen worden toegerekend aan zowel de legale als de illegale bedrijfsactiviteiten en dat in het "resultaat voor belastingen" over voornoemd boekjaar de voor de illegale productie gemaakte kosten zijn verdisconteerd.

Dat oordeel geeft, mede in aanmerking genomen dat het Hof daarbij betrokken heeft de omstandigheid dat "de illegale productie is geschied in een op continuïteit gerichte onderneming en de daarvoor benodigde kosten en voorzieningen redelijkerwijs evenredig drukken op de resultaten van de verkoop van alle producten", niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^