Verblijfsvergunning een goed a.b.i. art. 326 Sr (oplichting)?

Hoge Raad 28 mei 2013, LJN CA0799

Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden wegens valsheid in geschrifte en oplichting.

Middel

Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat een verblijfsvergunning niet kan worden aangemerkt als een goed in de zin van art. 326 Sr.

Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotitie, het verweer gevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, omdat een verblijfsvergunning niet aan te merken is als een 'goed' in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Onder een 'goed' in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, moet worden verstaan elk goed dat vatbaar is om voor de bezitter (economisch of anderszins) waarde te hebben.

Een verblijfsvergunning, een beschikking van een bestuursorgaan, is een vergunning die iemand over het algemeen moet hebben om te kunnen wonen en werken in een land waarvan die persoon geen staatsburger is. Een verblijfsvergunning belichaamt rechten en aanspraken. Derhalve heeft het (in economische zin) waarde voor de bezitter ervan en kan het worden aangemerkt als een 'goed' in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (zie ook HR 6.10.1992, LJN ZC9117). Het hof verwerpt het verweer."

Beoordeling Hoge Raad

In aanmerking genomen dat een verblijfsvergunning een beschikking van een bestuursorgaan is die ingevolge art. 8, aanhef en onder a, in verbinding met art. 9, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 wordt afgegeven in de vorm van een document of schriftelijke verklaring en die derhalve als zodanig vatbaar is voor afgifte in de in art. 326 Sr bedoelde zin, geeft het oordeel van het Hof dat zo een vergunning een goed is in de zin van art. 326 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Afwijzing getuigenverzoek aan de hand van het verdedigingsbelang ontoereikend gemotiveerd

Hoge Raad 21 mei 2013, LJN CA0473

Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens het wederrechtelijk in het besloten erf vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, veroordeeld tot een geldboete van € 100, subsidiair twee dagen hechtenis.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verzoek tot het horen van betrokkene 1 als getuige heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

Beoordeling Hoge Raad

Het verzoek van de raadsman strekte ertoe betrokkene 1 als getuige te doen horen teneinde te controleren of haar verklaring overeenkomt met hetgeen de verbalisanten in het proces-verbaal van bevindingen hebben gerelateerd. 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek houdt in de eerste plaats in dat uit het dossier geen enkele aanwijzing volgt dat hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd niet juist zou zijn. In de tweede plaats ziet het Hof ook anderszins geen reden om de door de raadsman gevraagde controle uit te oefenen en acht het de verdachte door het niet horen van betrokkene 1 als getuige niet in zijn verdedigingsbelang geschaad.

Aldus heeft het Hof de afwijzing van het verzoek niet naar behoren gemotiveerd. In het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, is niet zonder meer begrijpelijk dat voldaan is aan de ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijke maatstaf van art. 288, tweede lid, Sv te weten dat de verdachte door het achterwege blijven van het verhoor van de getuige redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad.

Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie: Het middel klaagt terecht niet over het afwijzen van het door de AG gedane wrakingsverzoek. De klacht over schending van art. 271.2 Sv faalt.

Hoge Raad 14 mei 2013, LJN BZ8902

Feiten

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 10 juni 2011, de verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Namens het openbaar ministerie heeft mr. M.E. de Meijer, advocaat-generaal bij het res-sortsparket te 's-Gravenhage, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

Namens de verdachte heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, het beroep tegengesproken.

Eerste middel

Het eerste middel klaagt dat zich bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen op-leveren voor het oordeel dat het hof jegens de verdachte reeds een vooringenomenheid koesterde, althans de dienaangaande bestaande vrees objectief rechtvaardigde. Dat zou een schending van art. 271, tweede lid, Sv opleveren.

Het middel ziet op hetgeen is voorgevallen ter terechtzitting van 9 en 16 februari 2011. Het proces-verbaal van die terechtzittingen houdt in:

"De aanwezige getuige - tevens medeverdachte 1 - wordt gehoord.

De voorzitter heeft de overige leden van het hof, de advocaat-generaal, de raadsvrouwen en de verdachte de gelegenheid gegeven vragen aan de getuige te stellen en aan de ver-dachte de gelegenheid geboden tegen de verklaring van de getuige in te brengen wat tot zijn verdediging kan dienen.

Mr. Waling stelt aan de orde dat in het vonnis staat vermeld dat het werk dat [medever-dachte 1] heeft verricht betrekkelijk eenvoudig van aard is en dat zij dienaangaande met [medeverdachte 1] haar werkzaamheden voor de [A]-stichtingen zal bespreken.

De voorzitter merkt naar aanleiding hiervan op dat hieromtrent reeds door de verdachten als getuigen in de andere zaken ter terechtzitting van 24 november 2011 is verklaard en dat het hof aannemelijk acht hetgeen toen is verklaard ter zake van de werkzaamheden en zich op dit moment voldoende voorgelicht acht; er is hard gewerkt en het takenpakket was omvangrijk. Het hof zal de passages die de rechtbank daaraan heeft gewijd in het vonnis niet overnemen. Mede gelet op het feit dat het zogenaamde 'promis-vonnissen' betreft, zal het hof deze niet bevestigen.

Naar aanleiding van de vraag van mr. Waling of dit betekent dat het hof niet denkt dat de betaalde vergoedingen niet in verhouding staan tot de verrichte werkzaamheden, merkt de voorzitter op dat het hof op grond van de reeds afgelegde getuigenverklaringen een beeld heeft gekregen van de werkzaamheden. Het is niet aan de strafrechter om - anders dan in excessieve gevallen - te treden in de vraag of afgesproken vergoedingen voor werkzaamheden redelijk zijn. Voor het hof gaat het er met name om helderheid te krijgen over de vraag die rijst naar aanleiding van het vonnis in het kader van de tenlas-tegelegde verduistering: de kernvraag is in hoeverre een relatie is te leggen tussen de wederrechtelijkheid en artikel 2:285 lid 3 BW. Dat is een punt waarover het hof wil wor-den voorgelicht door de advocaten en het openbaar ministerie. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen genoemd artikel uit het Burgerlijk Wetboek en artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht zoals dat in de respectieve zaken is tenlastegelegd. De aandacht van het hof gaat uit naar de materie die ter zake van dit artikel in het arrest van het Hof Arnhem d.d. 23 juli 2008 aan de orde is. Als andere jurisprudentie hieromtrent bekend is, dan is die welkom. De voorzitter geeft aan dat dit hetgeen is dat als vingerwijzing kan worden meegegeven. Het is niet de bedoeling om te treden in de vraag in hoeverre afspraken over beloningen en vergoedingen moreel goed of slecht zijn. Alleen als de buitengrenzen evident niet marktconform zijn, is het aan de orde. Verder is het niet aan het hof om daar in te treden. Het hof heeft dus op dit moment een andere insteek dan de rechtbank. Hetgeen in het vonnis is gesteld ter zake van het 'buiten verhouding' zijn van de vergoe-dingen, is er een marge van appreciatie.

De voorzitter vraagt partijen zich te richten op het aangeven wat de uitleg van de wet moet zijn in onderhavige zaken. Het gaat dan dus om de invulling van de feitelijkheden en de uitleg van de wet.

De voorzitter vraagt de advocaat-generaal of door het vorenstaande de zaken te veel worden beperkt.

De advocaat-generaal geeft aan dat zij verrast is door de opmerkingen van de voorzitter. Zij merkt voorts op dat zij naar aanleiding hiervan een langere onderbreking wenst dan reeds is voorgesteld om na te gaan in hoeverre zij haar requisitoir moet aanpassen. Voorts merkt zij op dat juist in het kader van het voortbouwend appel, de Hoge Raad heeft bepaald dat het vonnis als uitgangspunt moet worden genomen en dat - waar dat kan - zal worden bevestigd. De advocaat-generaal merkt voorts op dat zij verrassend vindt wat is gesteld ter zake van de relatie tussen de civiele bepalingen en de strafbepa-lingen en dat zij verrast is dat de voorzitter heeft aangegeven dat in beginsel niet door het hof hoeft te worden getoetst in hoeverre vergoedingen redelijk zijn. Dit vindt zij enigszins beperkend. Om de gevraagde voorlichting aan het hof te verwerken in het re-quisitoir heeft zij meer tijd nodig.

De voorzitter geeft nogmaals aan dat het gaat om de relatie tussen het civiele recht en het strafrecht zoals die door het openbaar ministerie wordt gezien. De verdediging kan dan aangeven hoe zij het ziet. De feiten die daarvoor reeds zijn aangedragen zijn voorlo-pig voldoende. (...)

Op 16 februari 2011 te 9.30 uur wordt het onderzoek ter terechtzitting hervat.

Naar aanleiding van hetgeen door de verdediging is gesteld onder de punten 33 en 183 in de overgelegde pleitaantekeningen ten aanzien van de mededeling van de voorzitter op 9 februari 2011, verzoekt de advocaat-generaal het hof om dienaangaande een standpunt in te nemen: is de mededeling van de voorzitter ter terechtzitting op 9 februa-ri jl. juist opgevat door de verdediging?

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onder-zoek hervat en deelt de voorzitter mede dat het hof er de voorkeur aan geeft om nu niet over te gaan tot een tekst-exegese van de teksten van de pleitnota's. Het is algemeen bekend dat door verschillende personen een zelfde tekst op verschillende wijze kan wor-den uitgelegd. Het hof zal nu niet de echtheid van de tekst bepalen. Het proces-verbaal van de terechtzitting is doorslaggevend.

De advocaat-generaal verzoekt dat de griffier uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 februari 2011 de relevante passages voorleest. De concrete vraag die voor ligt is immers of de uitleg van de verdediging klopt. De advocaat-generaal geeft aan dat voor haar de vraag is gerezen of het hof zich al een oordeel heeft gevormd over de vraag of de vergoedingen in verhouding staan tot de werkzaamheden. De advocaat-generaal stelt dat deze vraag voor de verdediging kennelijk al is beantwoord. De voorzitter deelt mede dat het hof zich op geen enkel moment een oordeel heeft ge-vormd over hetgeen is tenlastegelegd. Ook staat het hof volstrekt open voor hetgeen naar voren is en wordt gebracht. De beslissing wordt bij arrest gegeven. De advocaat-generaal geeft aan het niet eens te zijn met deze gang van zaken. Zij ver-zoekt haar vraag nu te beantwoorden of de verdediging de mededeling van de voorzitter op 9 februari 2011 heeft mogen verstaan als omschreven in de pleitaantekeningen.

De voorzitter deelt mede geen uitleg te geven over hetgeen in de pleitaantekeningen staat vermeld. Bij arrest zal het hof daarop zo nodig ingaan.

De advocaat-generaal herhaalt haar vraag en verzoekt het proces-verbaal van de te-rechtzitting op 9 februari 2011 te laten voorlezen door de griffier.

De voorzitter deelt mede dat proces-verbaal van een terechtzitting wordt opgemaakt als de behandeling van de zaak is afgesloten of geschorst. In casu is de terechtzitting van 9 februari 2011 onderbroken en is er derhalve nog geen proces-verbaal beschikbaar. De advocaat-generaal doet een mondeling verzoek tot wraking van mrs. Borgesius, Reinking en Van der Ham.

De voorzitter verzoekt de advocaat-generaal de gronden van de wraking op te geven. De advocaat-generaal deelt mede:

Ter zake van de gronden voor deze wraking wijs ik u op citaten onder punt 33 en 183 van de pleitnota inzake [verdachte]. De raadslieden hebben de uitspraken van de voor-zitter op 9 februari jl. kennelijk zo opgevat dat er een oordeel is over de redelijkheid van de vergoedingen. Op basis hiervan is er blijk gegeven door het hof dat een cruciale vraag reeds is beantwoord. Ik heb van het hof geen informatie gekregen die deze uitleg weerlegt.

De voorzitter onderbreekt en hervat de terechtzitting. De voorzitter leest vorenstaande mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting ter verificatie van de grond voor wraking voor.

De advocaat-generaal geeft aan dat die bewoordingen de kern zijn van het verzoek en dat zij tijdens de onderbreking haar verzoek met toelichting op papier heeft gezet. De advocaat-generaal draagt de inhoud van het schriftelijke stuk voor. (...)

De advocaat-generaal legt het schriftelijke stuk over aan de griffier en de raadsvrouwen."

Het middel klaagt dus voornamelijk dat art. 271, tweede lid, Sv is geschonden door de wijze waarop het hof ter terechtzitting het verhoor van de getuige (en medeverdachte 1) heeft onderbroken of 'afgekapt' en door de uitlatingen (van de voorzitter) dat het niet aan de strafrechter is om zich te mengen in de redelijkheid van vergoedingen ten opzich-te van tegenprestaties en de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten. Ter toe-lichting op het middel wordt ook gewezen op rechtspraak van het EHRM met betrekking tot art. 6, eerste lid, EVRM.

Beoordeling Hoge Raad

Gelet op art. 515, vijfde lid, Sv klaagt het middel terecht niet over de afwijzing van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof gedane wrakingsverzoek.

Het aan het middel ten grondslag liggende uitgangspunt dat ook het openbaar ministerie als procespartij aanspraak erop kan maken dat de rechter ter terechtzitting niet blijk geeft van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte, is op zichzelf juist. De klacht over schending door het Hof van art. 271, tweede lid, Sv in de onderha-vige zaak faalt echter op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9.2:

“(…) Met de onderbreking van het verhoor van getuige (medeverdachte 1) onder de me-dedelingen dat andere getuigen reeds hebben verklaard over de werkzaamheden, dat het hof die verklaringen aannemelijk acht en zich daaromtrent voldoende voorgelicht acht, en dat er hard is gewerkt en dat het takenpakket omvangrijk was, heeft het hof kennelijk de voortgang van het verhoor en daarmee de behandeling van de zaak willen bespoedi-gen. Het hof wilde vermijden dat de getuige een verklaring zou afleggen omtrent feiten waaromtrent reeds door andere getuigen verklaringen waren afgelegd, die door het hof reeds aannemelijk werden geacht, zodat deze geen nadere onderbouwing meer behoef-den. Het hof heeft voorts met zijn opmerkingen met betrekking tot de punten waarover het graag nog voorgelicht wilde worden slechts kenbaar gemaakt welke vraagpunten er wat het hof betreft nog bestonden. Met de bedoelde opmerkingen heeft het hof uitdruk-king gegeven aan de op de strafrechter rustende verantwoordelijkheid voor de voortgang en het verloop van het proces, de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn, en aan zijn actieve rol in de waarheidsvinding. In een dergelijke sturing van het proces en in dergelijke 'regie-aanwijzingen' voor de advocaat-generaal en de verdediging om in hun requisitoir, respectievelijk pleidooi, aan die punten aandacht te besteden en zich uit te laten over de door het hof gesignaleerde (bewijs)problemen, ligt geen oordeel besloten omtrent de schuld of onschuld van de verdachte aan het tenlastegelegde. Een en ander wil (dus) niet zeggen dat het hof het bij voorbaat al duidelijk achtte dat de verdachte onmogelijk kon worden veroordeeld. Het feit dat het hof de partijen heeft verzocht om zich over die punten uit te laten wijst in tegendeel juist erop dat het hof open stond voor de inzichten van de partijen en dat het hof zich nog geen (vaststaand) oordeel had ge-vormd. Het was immers goed mogelijk dat het hof, na verneming van de standpunten van de advocaat-generaal (en de verdediging) op dit punt, tijdens de beraadslaging als-nog de overtuiging zou bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde had begaan. Dat dit vervolgens niet heeft plaatsgehad doet aan het bestaan van die mogelijkheid niet af.”

Tweede middel

Het middel behelst de klacht dat art. 359, tweede lid, in verbinding met art. 415 Sv is geschonden doordat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op ter terechtzitting in hoger beroep door het Openbaar Ministerie naar voren gebrachte, uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.

Nu in het middel - in strijd met HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393, rov. 3.7.2 laatste volzin - niet met voldoende precisie is aangeduid op welk(e) met argumenten onderbouwd(e) standpunt(en) de klacht het oog heeft, kan het middel niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG Machielse over art. 1.2 Sr

Hoge Raad 14 mei 2013, LJN BZ9948

Feiten

De economische kamer van het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 27 januari 2012 verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en hem wegens overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 16 van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart (feit 2) veroordeeld tot een geldboete van € 450.

Beoordeling Hoge Raad

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG

Eerste middel

Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Hof omtrent de toepassing van art. 1 lid 2 Sr voor zover het de strafwaardigheid van het onder 2 tenlastegelegde feit betreft. Gesteld wordt dat het hier naast een wijziging van sanctierecht ook om een wetswijziging gaat die voortvloeit uit een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit.

AG Machielse concludeert als volgt:

Ten aanzien van de toepassing van art. 1, tweede lid, Sr geldt het volgende. Ingeval na het begaan van het feit de delictsomschrijving - in voor de verdachte gunstige zin - is gewijzigd, waaronder begrepen veranderingen in de bestanddelen alsmede het vervallen van strafbaarstellingen, is art. 1, tweede lid, Sr toepasselijk indien die wetswijziging voortvloeit uit een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit. Voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt. Door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen de internationale regelgeving. Indien dat niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten.

In de onderhavige zaak is een overtreding van art. 16 van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart(2) ten laste gelegd, vanwege de niet naleving van de krachtens art. 5, eerste lid onder d gestelde voorschriften omtrent de samenstelling van de minimumbemanning op de onderscheiden scheepstypen en bij de onderscheiden exploitatiewijzen, alsmede de aan bemanningsleden te stellen eisen. Art. 5, eerste lid onder d van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart had de volgende inhoud:

" In het belang van de arbeidsbescherming en de veiligheid van de vaart kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld inzake: (...) d. de samenstelling van de minimumbemanning op de onderscheiden scheepstypen en bij de onderscheiden exploitatiewijzen, alsmede de aan bemanningsleden te stellen eisen; (...)." 

Overtreding van dit onderdeel van artikel 5 was volgens artikel 17 juncto artikel 16 van de wet een overtreding, strafbaar met een geldboete van de tweede categorie.

Op 1 juli 2009 (dus na de tenlastegelegde pleegdatum) is deze wet ingetrokken en vervangen door de Binnenvaartwet(3), waarvan art. 22 lid 2 resp. lid 9 Binnenvaartwet(4) als volgt luidt:

"In het belang van de veiligheid van de vaart kan de regeling, bedoeld in het eerste lid, aanvullende regels bevatten inzake: (...) b. de samenstelling van de minimumbemanning van in die regeling aan te wijzen soorten schepen en categorieën daarvan en bij te onderscheiden exploitatiewijzen, alsmede de aan bemanningsleden te stellen eisen; (...) 9. Het is verboden te handelen in strijd met dit artikel." 

Voorts zijn de volgende onderdelen van de Binnenvaartwet relevant:

Art. 48: "1. Onze Minister kan aan degene die handelt in strijd met de artikelen (...), 22, negende lid, (...), een bestuurlijke boete opleggen. 2. De bestuurlijke boete die ten hoogste kan worden opgelegd komt overeen met de boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. (...)." 

Art. 49: "1. Wanneer door het handelen in strijd met de artikelen (...), 22, negende lid, (...), gevaar voor de openbare veiligheid ontstaat of kan ontstaan, worden deze gedragingen aangemerkt als strafbaar feit." 

Overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 22, negende lid, van de Binnenvaartwet zijn ingevolge artikel 1, aanhef en onder 4, WED economische delicten, en wel volgens artikel 2 lid 4 WED overtredingen.

Ingevolge artikel 48 van de Binnenvaartwet kan dus de minister voor overtreding van art. 22 Binnenvaartwet een bestuurlijke boete opleggen van maximaal de vierde categorie van art. 23 lid 4 Sr. Ingevolge art. 49 Binnenvaartwet juncto art 1 onder 4° WED staat de strafrechtelijke weg open, mits met die gedraging gevaar voor de openbare veiligheid ontstaat of kan ontstaan. Deze wijziging in de wijze van handhaving is later in werking getreden dan op 1 juli 2009, te weten op 1 januari 2010. Wanneer van een (mogelijk) gevaar voor de openbare veiligheid sprake is kan zo een geval echter niet bestuursrechtelijk worden afgedaan. Anders dan het middel lijkt te stellen, meen ik dat hier geen sprake is van het vervallen van een strafbaarstelling omdat overtredingen van voorschriften waarop het negende lid van art. 22 van de Binnenvaartwet ziet voortaan als economische overtredingen zijn strafbaar gesteld. De strafbaarstelling is niet vervallen, noch is er sprake van een wijziging van de delictsomschrijving die gegrond is op een gewijzigd inzicht in de strafwaardigheid van de feiten zoals die zijn gepleegd voor de wetswijziging.

Terzijde wijs ik erop dat ook overigens van een gewijzigd inzicht van de wetgever ten aanzien van de strafwaardigheid van de reeds begane feiten niet blijkt. Integendeel: de wet is gewijzigd met het oog op de verbetering van de handhaafbaarheid en ter ontlasting van politie en rechterlijke macht. De wetgever heeft bovendien in overgangsrecht voorzien.

Art. 19 van de Invoeringswet Binnenvaartwet bepaalt dienaangaande: "Op rechtsgedingen, welke bij het in werking treden van de Binnenvaartwet aanhangig zijn, blijven ten aanzien van de rechterlijke bevoegdheid en van de rechtsvordering, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regelen bij of krachtens de Binnenschepenwet, de Wet vervoer binnenvaart en de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart van toepassing, zoals deze gelden ten tijde van de inleidende dagvaarding." 

Dit wetsartikel is als volgt toegelicht: "Artikelen 13 tot en met 19 (...) Bij de formulering van deze artikelen is aangesloten bij de overgangsbepaling uit artikel 1, tweede lid, van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000. 

Geen bijzondere regeling is getroffen met betrekking tot de toepasselijkheid van de oude wetgeving in reeds ingezette strafrechtelijke procedures omdat artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht daar al in voorziet. Wel is geregeld dat de rechterlijke bevoegdheid in reeds bij de inwerkingtreding van de Binnenvaartwet lopende rechtsgedingen in stand blijft, omdat met de vervanging van de strafrechtelijke handhaving door de administratieve boete in procedureel opzicht lacunes kunnen ontstaan."

Kortom: in de onderhavige zaak zijn de destijds geldende bepalingen van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart van toepassing. Aangesproken wordt op strafwaardig gedrag dat op dat moment aldus strafbaar was gesteld en daarvoor dient de toen voorgeschreven wijze van strafrechtelijke handhaving te worden gehanteerd. Dat heeft het Hof gedaan, zodat het middel ongeacht 's Hofs daartoe gebezigde motivering daartegen tevergeefs op komt.

Hoewel de steller van het middel niet klaagt over het oordeel van het Hof dat sprake is van een wijziging van sanctierecht, daarover toch kort het volgende. Een wijziging in sanctierecht kent onmiddellijke werking mits deze ten gunste van verdachte werkt. Overtreding van een in art. 1 onder 4° WED genoemd economisch delict kent (reeds sinds 1 juli 2005) ingevolge art. 6 lid 1 onder 4° WED in beginsel een strafmaximum van zes maanden hechtenis, taakstraf of een geldboete van de vierde categorie. Met de inwerkingtreding van art. 49 Binnenvaartwet is dat vanaf 1 januari 2010 het strafmaximum voor de strafrechtelijke weg. Bij bestuursrechtelijke afdoening kan ingevolge art. 48 Binnenvaartwet alleen een geldboete van ten hoogste de vierde categorie worden opgelegd, zonder vervangende hechtenis.

Overtreding van art. 16 juncto 5 van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart kon ingevolge art. 17 van die Wet worden bestraft met een geldboete van de tweede categorie, maar dan wel met vervangende hechtenis. De per 1 januari 2010 ingetreden verhoging van het strafmaximum geldt niet ten gunste van verdachte dus heeft het Hof terecht deze mogelijkheid niet toegepast. Ongeacht dat voorzien is in overgangsrecht heeft het Hof voorts wél ten gunste van verdachte in aanmerking genomen dat thans bij bestuursrechtelijke afdoening (dus zonder blijk van mogelijk gevaar voor de openbare veiligheid) geen vervangende hechtenis meer wordt opgelegd. Dat lijkt me te stroken met rov. 6.3.1 in HR 12 juli 2011, LJN BP6878, NJ 2012/78: de wijziging in het sanctierecht wordt met onmiddellijke ingang toegepast indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt, terwijl het overgangsrecht in zoverre buiten toepassing moet worden gelaten. En anders zou gelden dat ambtshalve casseren op dit punt, met alsnog een bevel dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, ten nadele van verdachte zou zijn en dat komt mij hier niet als juist voor.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: In cassatie moet er in beginsel van uitgegaan worden dat een pleitnota die zich bevindt bij de aan de HR gezonden stukken dezelfde is als die door de raadsman bij de behandeling van de zaak is overgelegd

Hoge Raad 23 april 2013, LJN BZ8167

Feiten 

Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 5 oktober 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam op 30 juni 2011 de verdachte veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor 66 uren, subsidiair 33 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2011 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het Hof overgelegde pleitnotities zich niet bij de stukken van het geding bevinden.

Beoordeling

In cassatie moet in beginsel ervan worden uitgegaan dat een pleitnota die zich bevindt bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken, zowel wat inhoud als omvang betreft dezelfde is als die door de raadsman bij de behandeling van de zaak is overgelegd. Dat is slechts anders indien in cassatie op grond van bijzondere omstandigheden moet worden aangenomen dat het stuk niet of niet volledig overeenkomt met hetgeen door de raadsman is overgelegd.

Een zodanige bijzondere omstandigheid doet zich hier niet voor. Er is geen grond om aan te nemen dat de zich bij de stukken van het geding bevindende pleitnota afwijkt van die welke door de raadsman is overgelegd (vgl. HR 9 oktober 2001, LJN AB3288).

Het middel faalt ook in zoverre.

Conclusie AG: anders

Niet valt na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan de in het bestreden arrest dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nu het blijkens bij het Hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt (Vgl. HR 20 september 2011, LJN BR0466; HR 17 november 2009, LJN BJ8565; HR 13 oktober 2009, LJN BJ3446; HR 16 december 2008, LJN BF0754 en HR 15 februari 2005, LJN AR5742, NJ 2005/384).

Het middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^