HR: In cassatie moet er in beginsel van uitgegaan worden dat een pleitnota die zich bevindt bij de aan de HR gezonden stukken dezelfde is als die door de raadsman bij de behandeling van de zaak is overgelegd

Hoge Raad 23 april 2013, LJN BZ8167

Feiten 

Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 5 oktober 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam op 30 juni 2011 de verdachte veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor 66 uren, subsidiair 33 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2011 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het Hof overgelegde pleitnotities zich niet bij de stukken van het geding bevinden.

Beoordeling

In cassatie moet in beginsel ervan worden uitgegaan dat een pleitnota die zich bevindt bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken, zowel wat inhoud als omvang betreft dezelfde is als die door de raadsman bij de behandeling van de zaak is overgelegd. Dat is slechts anders indien in cassatie op grond van bijzondere omstandigheden moet worden aangenomen dat het stuk niet of niet volledig overeenkomt met hetgeen door de raadsman is overgelegd.

Een zodanige bijzondere omstandigheid doet zich hier niet voor. Er is geen grond om aan te nemen dat de zich bij de stukken van het geding bevindende pleitnota afwijkt van die welke door de raadsman is overgelegd (vgl. HR 9 oktober 2001, LJN AB3288).

Het middel faalt ook in zoverre.

Conclusie AG: anders

Niet valt na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan de in het bestreden arrest dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nu het blijkens bij het Hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt (Vgl. HR 20 september 2011, LJN BR0466; HR 17 november 2009, LJN BJ8565; HR 13 oktober 2009, LJN BJ3446; HR 16 december 2008, LJN BF0754 en HR 15 februari 2005, LJN AR5742, NJ 2005/384).

Het middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF