Ontbrekende pleitnota leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak

Hoge Raad 9 april 2013, LJN BZ6516

Feiten

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 1 april 2011 verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 375, subsidiair zeven dagen jeugddetentie wegens het als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, aangezien de door de raadsvrouwe bij die gelegenheid aan het Hof overgelegde pleitnota zich niet bij de stukken van het geding bevindt.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens het proces-verbaal van voormelde terechtzitting heeft de raadsvrouwe van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Het proces-verbaal houdt daaromtrent in: "De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities."

De in genoemd proces-verbaal vermelde pleitnota ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Naar aanleiding van een door de raadsvrouwe op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008 gedaan verzoek is bij het Hof nadere informatie ingewonnen. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat die pleitnota niet meer beschikbaar zal komen.

Nu bedoelde pleitnota ontbreekt, valt niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan de in de bestreden uitspraak genoemde dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.

Het middel is gegrond.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. de in aanmerking te nemen factoren bij het vaststellen van het uit een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv voortvloeiende rechtsgevolg

Hoge Raad 9 april 2013, LJN BX4439

Feiten

  • op 1 juli 2007 heeft de verdachte, als bestuurder van een auto, op vordering van opsporingsambtenaren zijn auto tot stilstand gebracht;
  • in de auto van de verdachte heeft toen op de voet van art. 55b Sv een onderzoek plaatsgevonden;
  • bij dat onderzoek is onder de bestuurdersstoel een tas inhoudende een geldbedrag van € 108.000,- aangetroffen;
  • daarop is de verdachte aangehouden op grond van verdenking van witwassen.

Het Hof heeft het op de voet van art. 55b Sv in de auto van de verdachte uitgevoerde onderzoek, op grond waarvan een verdenking van witwassen is ontstaan, onrechtmatig geoordeeld en - in navolging van het standpunt van de verdediging en het Openbaar Ministerie in feitelijke aanleg - dit onrechtmatige onderzoek aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359a Sv van het in deze zaak tenlastegelegde 'witwassen'. Daaraan heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat dit vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting van het door dit verzuim verkregen bewijsmateriaal.

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 15 maart 2010 verdachte vrijgesproken van de gehele tenlastelegging en de teruggave aan verdachte gelast van inbeslaggenomen voorwerpen.

Middel 

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het onrechtmatige onderzoek in verdachtes auto een vormverzuim oplevert blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat 's Hofs oordeel dat dit vormverzuim tot bewijsuitsluiting moet leiden ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel behelst onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof dat dit vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting ontoereikend is gemotiveerd. Die klacht is gegrond.

Dat berust op het volgende:

Indien binnen de door art. 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient".

De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen.

De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt".

Indien de feitenrechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de hiervoor besproken factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd. (vgl. HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/276).

Aan de uitoefening van de bevoegdheid tot toepassing van bewijsuitsluiting als rechtsgevolg van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013, LJN BY5322 nadere overwegingen gewijd.

Wat er zij van het oordeel van het Hof dat er sprake is van een in het voorbereidend onderzoek begaan vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, is, gelet op de hiervoor aangeduide motiveringsvoorschriften, zijn oordeel dat bewijsuitsluiting het rechtsgevolg van de door het Hof aangenomen onrechtmatigheid moet zijn niet naar behoren met redenen omkleed.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting: het Hof heeft, nadat de zaak eerder al inhoudelijk was behandeld, het onderzoek hervat zonder instemming van de AG en de aanwezige verdachte

Hoge Raad 9 april 2013, LJN BZ6513

Feiten

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 12 april 2011 verdachte veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 wegens 1) mishandeling en 2) medeplegen van mishandeling.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het in art. 322, derde lid, Sv gegeven voorschrift niet is nageleefd.  

Beoordeling Hoge Raad

De behandeling in hoger beroep is aangevangen ter terechtzitting van 18 februari 2011. Op deze terechtzitting was het Hof samengesteld uit mrs. Van Strien, Stoker-Klein en Bonn. De zaak is aldaar inhoudelijk behandeld. Vervolgens is het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 29 maart 2011. Op deze terechtzitting was het Hof samengesteld uit mrs. Van Strien, Langeler en Bonn.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 maart 2011 houdt in dat het onderzoek is hervat in de stand waarin zich dat bevond ten tijde van de schorsing daarvan op 18 februari 2011 doch houdt niet in dat de Advocaat-Generaal bij het Hof en de aldaar aanwezige verdachte daarmee hebben ingestemd. Het moet er daarom in cassatie voor worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Bij die stand van zaken had het Hof het onderzoek ter terechtzitting opnieuw moeten aanvangen. Blijkens het voormelde proces-verbaal heeft het Hof dat evenwel niet gedaan.

Gelet op art. 322, derde lid, Sv - dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is - leidt dit verzuim tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2011 en de mede naar aanleiding daarvan gewezen einduitspraak.

Het middel is terecht voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het Hof bevestigt het vonnis maar brengt een wijziging aan in de bewezenverklaring. Strijd met art. 423 lid 1 Sv?

Hoge Raad 9 april 2013, LJN BZ6512

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 11 april 2011 verdachte wegens het medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof art. 423 Sv heeft geschonden, nu het Hof het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd, hoewel het een wijziging heeft aangebracht in de bewezenverklaring.

Het bestreden arrest houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

"Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof: (...) in de bewezenverklaring (...) tussen de woorden 'gehad' en 'overgedragen' toevoegt de woorden 'en/of'."

Beoordeling Hoge Raad

Het ligt op de weg van de appelrechter om kennelijke schrijffouten die voorkomen in het vonnis van de eerste rechter, waaronder schrijffouten in de bewezenverklaring, te verbeteren of verbeterd te lezen. Zo'n verbetering van de bewezenverklaring houdt slechts in een vaststelling van de juiste inhoud van de bewezenverklaring en niet een ander oordeel omtrent hetgeen bewezen is. Geen rechtsregel en in het bijzonder niet art. 423, eerste lid, Sv verzet zich in zo'n geval tegen bevestiging van het vonnis (vgl. HR 26 juni 2012, LJN BW9191).

Nu aangenomen moet worden dat het Hof met zijn toevoeging heeft beoogd de bewezenverklaring in voornoemde zin te verbeteren, faalt de klacht.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door het samen en in vereniging met een ander plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen

Hoge Raad 9 april 2013, LJN BZ6625

Feiten 

Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 8 april 2011 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden wegens diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

"Na zijn aanhouding geeft verdachte aanvankelijk te kennen dat hij niet weet hoe een en ander omtrent de gestolen telefoon te verklaren is. Ook nadien heeft verdachte geen geloofwaardige verklaring gegeven voor het bezit van de mobiele telefoon. Eerst zou hij de telefoon van een onbekende hebben gekocht en later verklaart verdachte dat hij deze van een persoon genaamd betrokkene 2 heeft gekocht voor 100 euro.

Op 10 mei 2010 te Nieuwegein, wordt van aangever slachtoffer de mobiele telefoon en de portemonnee gestolen om 23.13 uur, terwijl hij op zijn snorfiets over de openbare weg reed. Na onderzoek blijkt dat op 10 mei om 23.45 uur de sim-kaart van verdachte in de gestolen mobiele telefoon was geplaatst. Verdachte bevond zich toen op een plaats die ongeveer 15 autominuten van de plaats van de overval was gelegen.

Dat verdachte de diefstal heeft gepleegd, leidt het hof af uit het feit dat tussen het moment van wegnemen (omstreeks 23.13 uur) en het gebruik door verdachte van de buitgemaakte telefoon omstreeks 23.45 uur een periode van niet meer dan een half uur is verstreken. Het hof acht - mede gelet op de afstand tussen de plaats van de beroving en de plaats van ingebruikname door verdachte dan wel de plaats waar hij de telefoon zegt te hebben gekocht alsmede het feit dat verdachte aanvankelijk heeft verklaard geen verklaring voor het bezit van de telefoon te hebben en het feit dat verdachte daarna eerst geen naam en pas later de naam betrokkene 2 heeft genoemd als degene van wie hij de telefoon zou hebben gekocht - niet aannemelijk dat verdachte de telefoon heeft gekocht van een ander."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door het (samen en in vereniging met een ander) plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - bezien in samenhang met de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in overweging van het hof - heeft het Hof kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die het in de bewezenverklaring omschreven feit (samen en in vereniging met een ander) heeft gepleegd.

Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^