HR: De overschrijding van de inzendtermijn wordt in voldoende mate gecompenseerd door de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep in af te doen

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BZ1543 Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 23 december 2011 verdachte ten aanzien van parketnummer 05-701570-10 wegens

  • poging tot moord en
  • bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en ten aanzien van parketnummer 05-701825-10 wegens

  • handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Voorts heeft het Hof een huls verbeurdverklaard en bevolen dat een schiet(bal)pen en 39 bijbehorende patronen worden onttrokken aan het verkeer.

Middel

Het (derde) middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

Oordeel Hoge Raad

Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

Het middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Slagende betekeningsklacht appeldagvaarding

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BZ1550 Feiten

De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 8 maart 2010 de verdachte wegens (1) oplichting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken en wegens (2) door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse naam opgegeven veroordeeld tot een geldboete van € 75,-, subsidiair één dag hechtenis.

Op 16 maart 2010 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van de Politierechter. In de akte rechtsmiddel staat als (GBA-)adres van de verdachte vermeld: a-straat 1 te Hoogeveen. Tevens wordt daarin vermeld dat de verdachte op dat moment gedetineerd is in de Penitentiaire Inrichting Noord, gevangenis De Marwei, te Leeuwarden en dat hij geen afschrift van de dagvaarding of oproeping toegezonden wil hebben naar een ander adres in Nederland dan het adres a-straat 1 te Hoogeveen.

Op 13 juli 2010 is getracht de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van 27 september 2010 aan hem uit te reiken op het adres b-straat 1 te Veendam. Omdat niemand werd aangetroffen, is een bericht van aankomst achter gelaten. Vervolgens is de dagvaarding met akte op 23 juli 2010 teruggezonden aan de afzender en is op 13 september 2010 een afschrift van de gerechtelijke brief verzonden naar het adres b-straat 1 te Veendam, zijnde - volgens aantekening op de akte - het adres dat is opgegeven bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de desbetreffende strafzaak.

De verdachte noch een raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep verschenen.

Het Hof heeft - zonder nadere motivering - verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest 11 oktober 2010 het vonnis van de Rechtbank bevestigd met aanvulling van gronden.

Uit het aan de akte van uitreiking gehechte GBA-uittreksel van 13 september 2010 volgt dat de verdachte sinds 8 juni 2009 staat ingeschreven op het adres a-straat 1 te Hoogeveen. Tevens blijkt daaruit dat de verdachte op 13 september 2010 niet gedetineerd zat. Uit dit GBA-overzicht blijkt voorts dat het adres b-straat 1 te Veendam van 16 juni 2008 tot 8 juni 2009 het GBA-adres van de verdachte is geweest.

Middel

Het middel komt op tegen het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

De Hoge Raad acht op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 9 het in de bestreden, bij verstek gewezen, uitspraak besloten liggende oordeel dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard onbegrijpelijk:

"6. Ingevolge art. 588, eerste lid, onder b, sub 1, Sv dient de uitreiking van de dagvaarding, indien de verdachte niet rechtens van zijn vrijheid is ontnomen en geen betekening in persoon is voorgeschreven, te geschieden aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. Blijkens het GBA-uittreksel van 13 september 2010 was het GBA-adres van de verdachte ten tijde van het aanbieden van de dagvaarding in hoger beroep a-straat 1 te Hoogeveen en stond de verdachte tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op dit adres ingeschreven. Het adres a-straat 1 te Hoogeveen is eveneens het adres dat (als GBA-adres) is opgegeven bij het instellen van het hoger beroep. Bij het instellen van het hoger beroep is geen ander adres in Nederland opgegeven dan het adres a-straat 1 te Hoogeveen waaraan een afschrift van de dagvaarding of de oproeping toegezonden kan worden. De dagvaarding had derhalve betekend dienen te worden op het adres a-straat 1 te Hoogeveen. De appeldagvaarding is echter aangeboden op het adres b-straat 1 te Veendam. Nu niet blijkt dat de dagvaarding eveneens op het adres a-straat 1 te Hoogeveen is betekend, nog dat dit adres is achterhaald door het adres b-straat 1 te Veendam (of enig ander adres), is (althans lijkt) de appeldagvaarding niet op een rechtsgeldige wijze (te zijn) betekend. (...)"

"9. Een en ander brengt mee dat de dagvaarding in hoger beroep niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv, zodat die dagvaarding nietig is. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is dan ook onjuist."

Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de dagvaarding in hoger beroep om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Kosten advocaat kunnen worden vergoed bij sepot, ongegrond beklag of gegrond beklag zonder straf of maatregel

Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BX5566 Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van het Hof 's-Hertogenbosch van 3 augustus 2009 waarbij het hof ex art. 591a Sv schadevergoeding heeft toegekend aan verdachte.

De reden om deze vordering in te stellen is dat er in de rechtspraak verdeeldheid bestaat over de vraag of kosten voor rechtsbijstand die worden gemaakt door een persoon wiens vervolging wordt verlangd in het kader van een art. 12 Sv procedure, op grond van art. 591a Sv voor vergoeding in aanmerking komen indien geen vervolging wordt bevolen of een wel bevolen vervolging niet tot een veroordeling leidt.

Procesgang en de bestreden beschikking

  • Op 24 mei 2005 is door "Het Wapen van Willemstad" aangifte gedaan van oplichting door betrokkene 1 en verdachte omdat zij hotelovernachtingen, genuttigde dranken en etenswaren niet betaald zouden hebben. Op 19 maart 2006 is betrokkene 1 vervolgens aangehouden.
  • Betrokkene 1 is op 26 juni 2007 door de Politierechter in de Rechtbank Breda wegens oplichting c.q. flessentrekkerij veroordeeld tot een week gevangenisstraf terwijl de Politierechter tevens de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen voor een bedrag tot € 594,75. De officier van justitie heeft bij brief van 26 januari 2007 aan verdachte laten weten dat hij niet zou worden vervolgd omdat er naar het oordeel van de officier van justitie onvoldoende wettig bewijs was.
  • In een klaagschrift, dat op 6 augustus 2007 is ingekomen ter griffie van het Hof's-Hertogenbosch, is namens "Het Wapen van Willemstad" het verzoek gedaan de vervolging van verdachte te bevelen.
  • Bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, uitvoerig ingegaan op de betrokkenheid van verdachte bij de oplichting c.q. flessentrekkerij waarvan "Het Wapen van Willemstad" het slachtoffer is geworden. In een ambtsbericht van een parketsecretaris, dat is opgesteld in het kader van de art. 12 Sv procedure, is het standpunt ingenomen dat 'niet is gebleken van een nauwe en volledige samenwerking waarbij beiden betrokkene 1 en verdachte, JWF zich inschreven in hotels met de intentie niet voor het verblijf te betalen'. In hetzelfde ambtsbericht wordt gewezen op een verklaring van betrokkene 1 waaruit zou blijken dat verdachte tevoren niet op de hoogte was van het feit dat de rekeningen niet zouden worden voldaan. De raadsman voerde onder meer aan dat verdachte niet bij het inchecken in het hotel betrokken is geweest en dat afgesproken was dat betrokkene 1 de rekening zou betalen.
  • Bij beschikking van 8 januari 2008 heeft het hof het beklag gegrond verklaard en de vervolging van beklaagde bevolen ter zake van oplichting c.q. flessentrekkerij.
  • De Politierechter te Breda heeft verdachte op 18 maart 2008 vrijgesproken van de hem tenlastegelegde oplichting c.q. flessentrekkerij. De vrijspraak is in de aantekening mondeling vonnis niet gemotiveerd.
  • Vervolgens heeft verdachte een verzoekschrift ex art. 591a Sv ingediend dat op 22 april 2008 ter griffie van de Rechtbank Breda is ingekomen. Het verzoekschrift betrof onder meer de kosten die de raadsman had gemaakt in de artikel 12 Sv procedure. De raadsman voerde daarover ter zitting onder meer aan, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal: 'Zonder deze procedure zou mijn cliënt niet zijn gedagvaard.'
  • De rechtbank heeft het verzoek afgewezen voor zover het betrekking had op de kosten die zijn gemaakt in het kader van de zogenoemde artikel 12 Sv procedure. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen: 'De door de raadsman ingediende declaratie tot een bedrag van € 3.354,85 met betrekking tot de door hem gemaakte kosten in het kader van de zogenoemde artikel 12 strafvordering procedure komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu artikel 591 en 591a wetboek van strafvordering hiervoor geen wettelijke grondslag (...) bieden.'
  • Vervolgens heeft de rechtbank onder meer het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in verband met de strafzitting in Breda toegewezen.
  • In hoger beroep heeft het hof daarentegen geoordeeld dat, als er geen veroordeling of rechterlijk pardon is uitgesproken, ook de procedure van artikel 12 Sv die tot de strafzaak heeft geleid, valt binnen het bereik van het begrip 'zaak' ex art. 591a Sv, nu deze in rechtstreeks verband staat met de strafzaak.

De voordracht en vordering

De voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet van de Procureur-Generaal Fokkens strekken ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking in het belang der wet zal vernietigen. De voordracht en vordering zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Oordeel Hoge Raad

De middelen stellen vragen aan de orde met betrekking tot de grenzen die de wet stelt aan de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a Sv. De middelen zien op drie verschillende situaties.

  1. In het eerste middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan een gewezen verdachte wiens zaak is geseponeerd een dergelijke vergoeding kan worden toegekend.
  2. In het tweede middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan iemand, nadat een op hem betrekking hebbend beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen, een dergelijke vergoeding kan worden toegekend.
  3. In het derde middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan de gewezen verdachte de kosten van een raadsman in verband met de beklagprocedure als bedoeld in art. 12 Sv voor vergoeding in aanmerking komen indien het beklag wordt gegrondverklaard, maar uiteindelijk eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr.

Een redelijke uitleg van de wet brengt mee, dat in geen van de drie in de middelen bedoelde situaties het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a, tweede lid, Sv is uitgesloten.

Indien en voor zover naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman, kan hij daartoe op de voet van art. 591a, tweede lid, Sv ook besluiten indien de zaak is geëindigd in een sepot, of indien een beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet gegrond is verklaard dan wel een dergelijk beklag wel gegrond is verklaard, maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Psychische klachten geen zwaar lichamelijk letsel

Psychische klachten die het gevolg zijn van gepleegde zedenmisdrijven zijn geen zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 82 van het Wetboek van Strafrecht. Dat oordeelt de Hoge Raad in een cassatie in het belang der wet. Dat volgt uit de tekst van de wet. Met de sociale en psychische gevolgen voor het slachtoffer van een zedenmisdrijf houdt de rechter al rekening bij de straftoemeting. In deze zaak, waarin een man werd veroordeeld voor onder meer verkrachtingen en gewelddadige vermogensdelicten, vorderde de procureur-generaal cassatie in het belang der wet.

De rechtbank oordeelde in deze zaak dat alleen tbs mocht worden opgelegd indien de door verdachte gepleegde feiten het gevolg waren van een gebrekkige ontwikkeling of een stoornis.  Die opvatting is onjuist, aldus de Hoge Raad. Voor het opleggen van tbs is alleen nodig dat de stoornis aanwezig was toen de feiten werden gepleegd. De gepleegde feiten hoeven dus niet het gevolg te zijn van een stoornis.

De rechtbank had in deze zaak artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet toegepast. Dit artikel beschermt de verdachte tegen een onbeperkte optelling van straffen doordat de rechter bij de laatste berechting rekening moet houden met alle eerdere veroordelingen. De rechter is dan gebonden aan het maximum van de gevangenisstraf die staat op het te berechten feit. Keerzijde van de bescherming die art. 63 biedt, is dat een strikte toepassing van dit artikel zelfs ertoe zou kunnen leiden dat een verdachte niet meer tot gevangenisstraf kan worden veroordeeld voor het te berechten misdrijf als de eerder opgelegde straffen in totaal langer zijn dan die maximale gevangenisstraf. Volgens de rechtbank zou in dit geval bij toepassing van art. 63 Sr slechts een gevangenisstraf van 4 jaar en 3 maanden kunnen worden opgelegd, waar anders het strafmaximum 20 jaar zou zijn. Dat was de reden voor de rechtbank om art. 63 Sr in dit geval niet toe te passen en 10 jaar gevangenisstraf op te leggen.

Volgens de procureur-generaal heeft de rechtbank art. 63 Sr ten onrechte niet toegepast. Hij vraagt aan de Hoge Raad of dit artikel voortaan niet zo kan worden uitgelegd dat niet met alle eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden.

De minister van Veiligheid en Justitie heeft, mede naar aanleiding van deze zaak, in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd art. 63 te willen herzien. Omdat daarbij verschillende door de wetgever te maken keuzen mogelijk zijn en de Hoge Raad de wetgever niet voor de voeten wil lopen, blijft de Hoge Raad bij zijn in de rechtspraak gegeven uitleg van art. 63 Sr.

 

Print Friendly and PDF ^

Onbevoegdheid hulpofficier hoeft niet tot vrijspraak te leiden

Het optreden van een onbevoegde hulpofficier van justitie hoeft niet tot vrijspraak te leiden. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld. Het hof Den Bosch sprak eerder verdachten vrij vanwege het optreden van een onbevoegde hulpofficier van justitie. Volgens het hof moest dit vormverzuim tot uitsluiting van het daardoor verkregen bewijs leiden. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft niet onderzocht of de verdachten hiervan nadeel hebben ondervonden. Ook bij het bepalen van de ernst van het verzuim heeft het hof niet alle relevante omstandigheden meegewogen. Zo had het hof moeten onderzoeken of een wel bevoegde hulpofficier op dezelfde wijze zou hebben gehandeld.

In deze zaak gaf een hulpofficier van justitie een machtiging aan politieagenten voor het doorzoeken van de woning van verdachten die werden verdacht van het hebben van een hennepkwekerij. De agenten troffen in de woning het bewijs van een hennepkwekerij aan. Deze hulpofficier had op dat moment geen certificaat voor het uitoefenen van zijn functie want hij was niet geslaagd voor zijn examen voor verlenging van zijn certificaat. Daarom was hij onbevoegd om zo’n machtiging af te geven en dat levert een onherstelbaar vormverzuim op. Volgens het hof mocht het gevonden bewijsmateriaal vanwege dit verzuim niet gebruikt worden en moesten de verdachten bij gebrek aan bewijs worden vrijgesproken.

De Hoge Raad geeft nadere algemene regels wanneer een onherstelbaar vormverzuim tot uitsluiting van het daardoor verkregen bewijsmateriaal leidt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het recht op een eerlijk proces (art 6 EHRM) is geschonden of wanneer een zeer ernstige inbreuk wordt gemaakt op een grondrecht van een verdachte. Daarvan is bij dit optreden van de onbevoegde hulpofficier geen sprake.

Bewijsuitsluiting kan in uitzonderingsgevallen ook aan de orde komen wanneer er sprake is van structureel vormverzuim waarbij autoriteiten zich onvoldoende inspannen om dit vormverzuim te voorkomen. Daarover is in deze zaak niets vastgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof Den Bosch (LJN BR2522) en het hof moet de zaak opnieuw behandelen en afdoen.

 

Print Friendly and PDF ^