HR: De Rb heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk - nu de kennisneming van die processtukken klager is onthouden - aangenomen dat het onderzoeksbelang eraan in de weg stond dat de stukken van het sfo aan de raadkamer worden overgelegd

Hoge Raad 4 december 2012, LJN BY4985 Bij beschikking van 20 september 2011 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klager van een aantal onder hem in beslag genomen goederen, ongegrond verklaard.

Beoordeling van het derde middel

Het middel klaagt dat, aangezien aan de raadsman van de klager processtukken zijn onthouden en derhalve ook de Rechtbank niet over die stukken beschikte, de Rechtbank op ontoereikende gronden heeft beslist tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.

In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank het volgende overwogen: "De raadsman van klager heeft ter terechtzitting aangevoerd dat een beoordeling van de rechtmatigheid van de beslaglegging niet mogelijk is nu de processtukken worden onthouden. Wat daar verder ook van zij, in onderhavige procedure ligt uitsluitend ter beoordeling voor het klaagschrift tegen inbeslagname en voortduren van beslag. Over het al dan niet onthouden van processtukken kan in het kader van deze procedure geen oordeel worden gegeven."

HR: De Rechtbank heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk - nu de kennisneming van die processtukken de klager is onthouden - aangenomen dat het onderzoeksbelang eraan in de weg stond dat de stukken van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan de raadkamer worden overgelegd.

Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat in een geval als het onderhavige, niettegenstaande de ongegrondverklaring van het door de klager op de voet van art. 32 Sv ingediende bezwaarschrift, door het Openbaar Ministerie de stukken van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan deraadkamer moeten worden overgelegd als "op de zaak betrekking hebbende stukken" als bedoeld in art. 23, vierde lid, Sv. Die opvatting is onjuist.

Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen klagen over de motivering van de ongegrondverklaring van het klaagschrift door de Rechtbank. Daartoe is aangevoerd dat de Rechtbank in de motivering van haar beslissing niet ervan blijk heeft gegeven de juiste maatstaf te hebben aangelegd.

De Hoge Raad is van oordeel dat de middelen slagen en verwijst hierbij naar de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal:

"5. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, in: "In raadkamer is vast komen te staan dat onder klager thans in beslag zijn genomen ex artikel 94 Sv de volgende goederen: - diverse papieren; - de boekhouding van een café;

In raadkamer is vast komen te staan dat onder klager thans in beslag zijn genomen ex artikel 94a Sv de volgende goederen: - een auto, merk Volkswagen, type Polo; - een horloge, merk Rolex; - een zakelijk recht van erfpacht van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]; - twee woningen gelegen aan de [b-straat 1] en [2] te [plaats], - een woning met bedrijvigheid gelegen aan de [b-straat 1]/[c-straat 1] te [plaats]. (...) In raadkamer is vast komen te staan dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld tegen klager. Dit onderzoek loopt nog. In het kader van dit onderzoek zijn diverse goederen op grond van artikel 94 en 94a Sv in beslag genomen.

Nu er een strafrechtelijk financieelonderzoek is ingesteld tegen klager staat, gelet op het bepaalde in artikel 126, eerste lid Sv, vast dat er tegen klager thans een verdenking voorligt van een feit (i.e. witwassen) waarop een geldboete van de vijfde categorie staat. Ingevolge het bepaalde in artikel 126 Sv wordt een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie. De vordering van de officier van justitie is eveneens met redenenomkleed en bij die vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van artikel 94a, tweede, derde en vierde lid Sv. in beslag zijn genomen. De officier van justitie dient de rechter-commissaris periodiek te informeren over de voortgang van het onderzoek. De rechter-commissaris licht de rechtbank in indien hij dat nodig oordeelt met het oog op onnodige vertraging van het onderzoek. De bemoeienis van de rechter-commissaris vormt aldus een waarborg bij inbeslagname en gedurende het strafrechtelijk financieel onderzoek.

In het onderhavige geval duurt het strafrechtelijk financieel onderzoek nog voort. Bovengenoemde bemoeienis en bevoegdheden van de rechter-commissaris in aanmerking genomen acht de rechtbank vooralsnog geen grond aanwezig tot teruggave van enig onder klager ingevolge artikel 94 of 94a Sv. inbeslaggenomen goed. Bij haar overwegingen betrekt de rechtbank dat -zoals in raadkamer door de officier van justitie is aangevoerd en namens klager niet is bestreden- de rechter-commissaris na het leggen van het beslag reeds een aantal goederen heeft teruggegeven aan klager, omdat die goederen niet konden dienen totéén van de doelen genoemd in artikel 94 en 94a Sv.

Het beklag zal derhalve ongegrond verklaard worden."

6. In geval van een beklag tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

Bij de beoordeling van een beklag gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking van of een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

8. Voor wat betreft het conservatoire beslag heeft de Rechtbank verzuimd na te gaan of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van eengeldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

9. Met haar beschouwingen over de "bemoeienis en bevoegdheden van de Rechter-Commissaris" heeft de Rechtbank miskend dat de Rechtbank bij de beoordeling van een klaagschrift tegen inbeslagneming de hiervoor onder 6 genoemde maatstaven dient aan te leggen en zich niet kan verlaten op de beslissingen van de Rechter-Commissaris in het sfo, die immers niet betrekking hebben op beklag tegen inbeslagneming van voorwerpen in het kader van het sfo."

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Samenhangende zaak:

 

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Het Hof heeft uit de bewijsvoering af kunnen leiden dat verdachte niet heeft voldaan aan de verplichting de tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers zo te bewaren dat te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend a.b.i. art. 3:15i.1 BW. AG: anders.

Hoge Raad 4 december 2012, LJN BY0226 Feiten

De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens bedrieglijke bankbreuk veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het geschrift, te weten een afschrift van het Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (pagina 9 van het dossier met zaaknummer BRZFIN15, op 16 december 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] (verbalisant), p. 1-196), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:  Onderneming:  Handelsna(a)m(en) : [A]  Rechtsvorm : Eenmanszaak  Adres : [adres]  Datum vestiging : 01-05-2005 

De onderneming wordt gedreven door:  Naam : [verdachte]  Geboortedatum en -plaats : [geboortedatum]-1961, [geboorteplaats]  Adres : [adres] 

2. Het geschrift, te weten een afschrift van een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 juli 2007 (pagina 101-103 van het dossier met zaaknummer BRZFIN15, op 16 december 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] (verbalisant), p. 1-196), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: 

De uitspraak 

Het Hof: 

verklaart [verdachte], handelend onder de naam [A], wonende en zaakdoende te [plaats], in staat van faillissement; 

stelt aan tot curator mr. B.W.H. Pepping, advocaat te Tilburg. 

3. Het proces-verbaal aangifte faillissementsfraude (pagina's 96-99 van het dossier met zaaknummer BRZFIN15, op 16 december 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] (verbalisant), p. 1-196), opgemaakt en getekend op 1 februari 2008 door mr. B.W.H. Pepping, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: 

Deze aangifte richt zich tegen [verdachte] (h.o.d.n. [A]), geboren op [geboortedatum] 1961, laatstbekende adres [adres]. 

Hierbij doe ik aangifte ter zake de vermoedelijke overtreding van artikel 341 Wetboek van Strafrecht: bedrieglijke bankbreuk door evengenoemde persoon. 

In augustus en september 2007 heb ik mij herhaaldelijk naar het woonadres van gefailleerde begeven om deze verzocht (het hof begrijpt: te verzoeken) mij zijn (het hof begrijpt: haar) volledige administratie en de daarop betrekking hebbende gegevensdragers te overhandigen, doch heb deze daar niet aangetroffen.  Op 10 juli 2007 heb ik gevorderd/verzocht mij de volledige administratie, boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te overhandigen. Aan deze vordering is niet voldaan. Nadien heb ik bij brief van 26 juli 2007 nog nadere termijnen gesteld. De laatste termijn liep af redelijkerwijs enkele weken daarna. Ook in die termijn is aan de vordering niet voldaan. Zo ontbreekt iedere administratie van gefailleerde persoonlijk en van haar eenmanszaak [A]. De reactie van gefailleerde op mijn vordering is uitgebleven. 

4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 november 2009 en opgenomen in het proces-verbaal van die zitting, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik deed de administratie van de vennootschap."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring door het Hof voor zover inhoudende dat de verdachte "niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting[en] ten opzichte van het bewaren (...) van boeken en bescheiden en andere gegevensdragers, in artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld" ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft uit de bewijsvoering, inhoudende onder meer dat de curator zich in de tenlastegelegde periode herhaaldelijk naar het woonadres van de verdachte heeft begeven om haar te verzoeken hem de volledige administratie en de daarop betrekking hebbende gegevensdragers te overhandigen doch bevonden dat iedere administratie van de verdachte persoonlijk en van haar eenmanszaak A bleek te ontbreken, kunnen afleiden dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode (tevens) niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen de tot de administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend als bedoeld in art. 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. De bewezenverklaring is dus toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Conclusie AG Vegter: anders

In de optiek van de AG kan uit die bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte niet heeft voldaan aan de verplichting boeken, bescheiden en gegevensdragers te voorschijn te brengen. Dat de verdachte niet heeft voldaan aan haar verplichting deze te bewaren volgt daaruit echter niet, aldus Vegter

"Het middel klaagt daarover terecht. De vraag is echter of dit tot cassatie moet leiden. Met enige aarzeling geef ik in overweging hier niet te casseren. Immers de bewaarplicht en afgifteplicht zijn nogal met elkaar verweven en het feit lijkt niet wezenlijk van karakter te veranderen indien de bewezenverklaring van de schending van de bewaarplicht wordt gezien als een kennelijke vergissing van het Hof. Voor de strafwaardigheid van het feit maakt het geen verschil dat de bewezenverklaring verbeterd wordt gelezen en wel beperkt tot de schending van de afgifteplicht."

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

De HR herhaalt: Salduz-regels niet van toepassing i.h.k.v. een bloedonderzoek a.b.i. art. 163.5 WVW 1994

Hoge Raad 27 november 2012, LJN BY1220 Feiten

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 24 maart 2011, de verdachte ter zake van een drietal verkeersdelicten veroordeeld. Het betreft allemaal overtredingen, waarvoor aan de verdachte als straffen zijn opgelegd een geldboete, subsidiair hechtenis, ten aanzien van feit 1 respectievelijk feit 3, en een hechtenis van twee weken ten aanzien van feit 2. Daarnaast heeft het hof ter zake van feit 1 aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van zeven maanden.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat het recht op consultatie van een raadsman is geschonden ten onrechte heeft verworpen.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Het betoog van de raadsman houdt in dat een verdachte die is aangehouden en van wie wordt gevorderd mee te werken aan een onderzoek van zijn bloed, het recht heeft op een consult met een raadsman alvorens een beslissing te nemen omtrent het al dan niet verlenen van medewerking aan het voornoemde onderzoek. De raadsman beroept zich daarbij op de uitspraak van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz tegen Turkije (NJ 2009, 214) en de uitspraak van de Hoge Raad van 9 november 2010 (NJ 2010, 615). Hij stelt dat de keuze om wel of niet mee te werken aan voornoemd onderzoek gelijk dient te worden gesteld aan al dan niet een verklaring afleggen. Een consult met een raadsman zou de verdachte in de gelegenheid hebben gesteld om de verstrekkende consequenties van zijn eventuele weigering medewerking te verlenen te kunnen overzien. Ten onrechte is dan ook nagelaten de verdachte op dit recht te wijzen.

Uit de hierboven genoemde rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad volgt niet dat een eerste verhoor door de politie van een verdachte na zijn aanhouding gelijk dient te worden gesteld aan een bevel door de hulpofficier van justitie tot medewerking aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het EHRM neemt als uitgangspunt in de zaak Salduz tegen Turkije: "as from the first interrogation of a suspect by the police" (rechtsoverweging 55). In het door de raadsman genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 november 2010 overweegt ook de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak over de interpretatie van de uitspraak in de zaak Salduz dat het recht op raadpleging van een advocaat bestaat - binnen redelijke grenzen - "voorafgaand aan het eerste verhoor", indien sprake is van een aangehouden verdachte (rechtsoverweging 2.4).

Dit betekent dat een verdachte aan voornoemde rechtspraak geen recht kan ontlenen op het raadplegen van een advocaat alvorens hij besluit al dan niet zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als hiervoor bedoeld op bevel van de hulpofficier van justitie. In de onderhavige zaak is de verdachte aangehouden. Nadat hij zijn toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek niet had verleend, heeft de hulpofficier van justitie zijn medewerking tot het voornoemde onderzoek bevolen. Onder die omstandigheden bestaat geen recht op het raadplegen van een raadsman alvorens al dan niet zijn medewerking te verlenen aan een vordering tot het zich onderwerpen aan een bloedonderzoek.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging."

Beoordeling Hoge Raad

Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349).

Het middel berust op de opvatting dat het voorgaande ook van toepassing is in het geval een verdachte wordt bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in art. 163, vijfde lid, WVW 1994. Die opvatting is echter onjuist omdat zo een bevel niet kan worden gelijkgesteld aan een verhoor.

Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verzoek tot vrijwillige verstrekking van beeldmateriaal aan opsporingsinstanties & bewijsuitsluiting

Hoge Raad 27 november 2012, LJN BY0215 Feiten

Verzoeker is bij arrest van 28 januari 2011 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van de hem onder 2 tenlastegelegde woninginbraak en wegens de onder 1 tenlastegelegde woninginbraak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 146 dagen.

Middel

Het middel keert zich tegen de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende aangevoerd:

"Rechtmatigheid Sinds de verklaringen van aangever en de verklaring van verbalisant 1 bij de rechter-commissaris weten wij dat de gang van zaken rond de verkrijging van het beeldmateriaal van de bewakingscamera van de flat niet conform de regels is verlopen. Hierdoor werd afbreuk gedaan aan het recht op een eerlijk proces, inzet van opsporingsmiddelen vergt een voldoende wettelijke basis, tevens werd zijn recht op privacy (art. 8 EVRM) geschonden, nu hij zijn bezoek aan personen in het flatgebouw niet (vrijwillig, zonder vordering van het OM) in de openbaarheid wenste te (doen) brengen. Verbalisant 1 zegt hierover:

"Toen ik die aangifte opnam, waren er geen videobeelden bij aangeleverd. Toen die zaak na ongeveer een maand werd toebedeeld, waren er wel videobeelden bij. In de tussenliggende periode heb ik geen bemoeienis gehad met die zaak en ik weet niet hoe of door wie die beelden bij de politie zijn aangeleverd. (....) Ik herinner mij dat bij die tweede aangifte videobeelden waren aangeleverd. Ook daarvan weet ik niet hoe of door wie die videobeelden waren aangeleverd."

Aangever zegt: "Ik heb geen idee hoe de bewakingsbeelden op het politiebureau zijn terecht gekomen."

Nu voor de rechtmatige verkrijging van zulk beeldmateriaal ten behoeve van een strafzaak een vordering ex art. 126nd Sv vereist is en vrijwillige verstrekking gelet op de privacybelangen van bewoners en bezoekers van de flat niet tot de mogelijkheden behoort, ligt de vraag voor of zo een vordering van de officier heeft bestaan.

Het dossier bevat zo een vordering niet, waardoor het er voor moet worden gehouden dat deze vordering nimmer werd gedaan. De bewakingscamerabeelden hadden daarom niet voor het onderzoek in deze zaak mogen worden gebruikt. En dienen van het bewijs te worden uitgesloten.

Ook de vruchten van de onrechtmatige verkrijging van dit beeldmateriaal dienen van het bewijs te worden uitgesloten. Dit heeft tot consequentie dat nu de selectie van het fotomateriaal voor de simultane confrontatie niet de foto van cliënt als verdachte (op positie nummer 9) zou hebben bevat en de resultaten van deze confrontatie kunnen ook niet voor het bewijs worden gebruikt."

Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Bewijsverweren ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen - eveneens vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat voor de rechtmatige verkrijging van het beeldmateriaal afkomstig van de bewakingscamera's in de flat ten behoeve van een strafzaak een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering is vereist en dat vrijwillige verstrekking, gelet op de privacybelangen van bewoners en bezoekers van de flat, niet tot de mogelijkheden behoort. Nu het dossier zo'n vordering niet bevat, moet het ervoor worden gehouden dat deze vordering nimmer werd gedaan. De bewakingscamerabeelden hadden dan ook niet voor het onderzoek in deze zaak mogen worden gebruikt. Naar de mening van de raadsman heeft dit tot gevolg dat ook de resultaten van de foslo-confrontatie dienen te worden uitgesloten. Immers, de foto van de verdachte zou niet in de selectie zijn opgenomen als de verdachte niet reeds op de bewakingsbeelden te zien was. Hetgeen aan bewijsmateriaal overblijft is onvoldoende voor een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Anders dan de raadsman stelt, is er wel degelijk een wettelijke basis voor vrijwillige verstrekking van het betreffende beeldmateriaal aan opsporingsinstanties. De bewakingscamera's van de flat dienen - naar kan worden aangenomen - ter beveiliging van de flat tegen inbraak en andere strafbare feiten. Op grond van artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is het degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de bewakingscamera's toegestaan hiertoe de beelden van de camera's te verwerken. Hieronder is op grond van artikel 8, aanhef en onder e, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder b, van de Wbp begrepen het verstrekken van de beelden aan de politie indien zich daadwerkelijk een strafbaar feit heeft voorgedaan. Daarnaast biedt ook artikel 43, aanhef en onder b, van die wet een basis voor vrijwillige verstrekking, indien dit noodzakelijk is voor de opsporing van strafbare feiten. Het hof verwerpt het verweer."

Beoordeling

Bij de beoordeling van de klacht tegen de verwerping door het Hof van het in het middel bedoelde verweer moet worden vooropgesteld dat beeldmateriaal als in dat verweer bedoeld, gelet op art. 1 Wbp onder het bereik van die wet valt, en dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 126nd Sv de opsporingsambtenaar of de officier van justitie niet mag vragen om op vrijwillige basis mee te werken aan verstrekking van dat beeldmateriaal (vgl. HR 21 december 2010, LJN BL7688, NJ 2012/24).

In zijn overwegingen ligt als de niet onbegrijpelijke vaststelling van het Hof besloten dat degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de onderhavige beelden van de bewakingscamera deze beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft verstrekt, althans dat die persoon niet door de politie is gevraagd om op vrijwillige basis deze beelden aan de politie te verstrekken. Het oordeel van het Hof dat in een zodanig geval geen vordering als bedoeld in art. 126nd Sv is vereist, is juist. Het Hof heeft het verweer dus terecht verworpen.

Opmerking verdient nog het volgende. Het in de overwegingen van het Hof omschreven geval heeft klaarblijkelijk geen betrekking op verwerking van persoonsgegevens in de vorm van overdracht van zulke gegevens door het ene bestuursorgaan aan het andere bestuursorgaan. Daarom zou - anders dan het Hof heeft aangenomen - art. 8, aanhef en onder e Wbp geen grondslag kunnen vormen voor het ter beschikking van de opsporingsinstantie stellen van het desbetreffende beeldmateriaal. Voor dit ter beschikking van de opsporingsinstantie stellen van het door middel van beveiligingscamera's verkregen beeldmateriaal zou degene die daartoe toegang heeft (de verantwoordelijke of bewerker in de zin van art. 1 aanhef en onder d dan wel e Wbp) onder omstandigheden wel een grondslag kunnen ontlenen - anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd - aan het bepaalde in art. 43 in verbinding met art. 9, eerste lid, Wbp.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

De HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. de eisen waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om h.b. in te stellen, moet voldoen, en de mogelijkheden om verzuimen in dit kader voor gedekt te houden

Hoge Raad 27 november 2012, LJN BY1230 Feiten

Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft de verdachte op tegenspraak niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Maastricht, waarbij de verdachte wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak bij verstek is veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van vijf weken.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep waren de verdachte en haar raadsman ter terechtzitting aanwezig en heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

"Ik ben destijds op een gegeven moment gebeld door iemand die goed kon communiceren met mijn cliënt. Ik meen dat de beslissing al twee weken daarvoor aan cliënt was betekend waarop ik met grote spoed die dag appel moest instellen. Ik kon geen collega's vinden om dat voor mij te doen. Ik moest het op deze wijze zo doen anders zou ik te laat zijn. Ik ben van mening dat uit de machtiging die ik aan de griffier te Maastricht heb gegeven door middel van een faxbericht, voldoende blijkt dat ik gevolmachtigd was om het appel in te stellen. Het adres van cliënt was al bekend in het programma Compas. Ik ben derhalve van mening dat cliënt wel ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep." 

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in dat hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Uit de processtukken is gebleken dat bij de griffie van de rechtbank Maastricht op 21 december 2010 een faxbericht is binnengekomen, gezonden namens de raadsman van verdachte, door zijn secretaresse [de secretaresse], welk faxbericht door de griffier van de rechtbank is opgevat als machtiging tot het instellen van hoger beroep in de onderhavige zaak, waarop een akte door de griffier is opgemaakt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het instellen van hoger beroep door machtiging van een griffieambtenaar onder bepaalde voorwaarden, waaronder die van een bijzondere volmacht door verdachte aan de raadsman, volstaat. 

Uit bedoelde brief blijkt echter niet dat een zodanige bijzondere volmacht door verdachte aan de raadsman is gegeven. Voorts doet zich in het onderhavige geval niet de situatie voor als bedoeld in artikel 503 van het Wetboek van Strafvordering, te weten dat alle bevoegdheden aan de minderjarige op grond van dat wetboek toegekend eveneens aan de raadsman toekomen. Dit geldt blijkens genoemd artikel uitsluitend voor de minderjarige die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, terwijl het daarbij gaat om de leeftijd van de minderjarige ten tijde van het optreden van de raadsman. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep had verdachte de leeftijd van zestien jaar echter al bereikt. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het hoger beroep niet op rechtsgeldige wijze is ingesteld en verdachte daarom in haar hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

Middel

Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in haar hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

In het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010/102, zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen. Die volmacht dient onder andere de verklaring van de advocaat te bevatten dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv). Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. In het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2012, LJN BV6999, NJ 2012/426, is geoordeeld dat gelet op de ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, onvoldoende grond bestaat voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen van de volmacht aan de gestelde eisen, indien ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. In een dergelijk geval kan een verzuim als voormeld voor gedekt worden gehouden.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de aanwezigheid van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en hetgeen door de raadsman is aangevoerd, kunnen de door het Hof genoemde gronden waarop de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in haar hoger beroep steunt, die beslissing niet dragen.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^