EVOA, Afvalstof, Groene lijst, schud-, schrap- en schraapleeg, Normadressaat, Medeplegen.

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BX5023 Feiten

De Economische Kamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte wegens

  1. Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon en
  2. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.44 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 650,- met een proeftijd van twee jaar.

Bewezenverklaard is dat verdachte door zonder kennisgeving aan de autoriteiten en zonder vrachtbrief lege, ongereinigde olievaten van Duitsland naar Nederland te vervoeren

  1. tezamen en in vereniging met een ander een handeling heeft verricht als bedoeld in art. 26 lid 1 EVOA, EEG 259/93 en
  2. bedrijfsafvalstoffen heeft vervoerd zonder dat hij een begeleidingsbrief als bedoeld in art. 10.39 Wet milieubeheer (Wm) aanwezig had.

Eerste middel

Het eerste middel klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het de vervoerde olievaten heeft aangemerkt als afvalstoffen in de zin van de EVOA en de Wet milieubeheer. Het hof zou ten onrechte geen acht hebben geslagen op de beschikking van de Europese Commissie 2005/270/EG behorende bij verpakkingsrichtlijn 94/62/EG, waarin herbruikbare verpakkingen niet als verpakkingsafval worden gedefinieerd., althans die beschikking onjuist hebben geïnterpreteerd.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat de olievaten moeten worden aangemerkt als afvalstoffen, niet zijnde groene-lijst afvalstoffen welke afvalstoffen zijn uitgezonderd van de voorafgaande schriftelijke kennisgevingsplicht.

Derde middel

Het derde middel valt uiteen in twee klachten. Het middel klaagt ten eerste dat het hof verdachte ten onrechte als (mede)pleger heeft gekwalificeerd, omdat zij als vervoerder niet de normadressaat is van de voorschriften waarvan onder 1 en 2 is bewezenverklaard dat zij die heeft overtreden.

Beoordeling Hoge Raad

Beoordeling eerste middel

Bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een afvalstof in de zin van de toepasselijke artikelen van de Wet milieubeheer is of - kort gezegd - de stof behoort tot de categorieën die zijn genoemd in Bijlage I bij Richtlijn 75/442 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet.

Anders dan in het middel wordt betoogd doet daarbij niet ter zake hetgeen is bepaald in de beschikking van de Europese Commissie 2005/270/EG. Deze beschikking ziet niet op de uitleg van het begrip afvalstof in de zin van de Wm, maar op de vaststelling van tabellen voor een databanksysteem met betrekking tot verpakking en verpakkingsafval.

Het middel faalt.

Beoordeling tweede middel 

Het in hoger beroep gevoerde verweer steunde op de stelling dat de onderhavige ongereinigde olievaten aangemerkt dienen te worden als 'groene-lijst' afvalstoffen, omdat zij "schud-, schrap- en schraapleeg" waren. Het Hof heeft dat verweer verworpen op de grond dat niet het door de verdediging ingeroepen criterium van "schud-, schrap- en schraapleeg" bepaalt of een stof of voorwerp behoort tot de 'groene-lijst' afvalstoffen, maar de vraag of de stof of voorwerp voorkomt op de groene lijst en dat dit met betrekking tot de onderhavige olievaten niet het geval is.

Het hof heeft, tegen de achtergrond van hetgeen het Hof van Justitie in de zaak C-259/05 (LJN BB2553, AB 2007/325) heeft overwogen (overweging 28 t/m 32), het verweer op juiste gronden verworpen.

Het middel faalt.

Beoordeling derde middel 

Het middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het Hof dat de verdachte voor overtreding van de desbetreffende verbodsbepalingen strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden.

De klacht berust op de stelling dat de verdachte niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor overtreding van de desbetreffende verbodsbepalingen, omdat zij als vervoerder van de olievaten niet de normadressaat van deze verbodsbepalingen is.

Ingevolge art. 10.60 Wet milieubeheer is het verboden sluikhandel te bedrijven als bedoeld in art. 26, eerste lid, EVOA. Blijkens de bewoordingen van dit laatste artikel geldt het verbod voor een ieder, en niet alleen voor de "kennisgever" als gedefinieerd in art. 2, aanhef en sub g, EVOA. Dit volgt immers uit het gebruik van de woorden "elke overbrenging van afvalstoffen". Voorts houden de leden 2, 3 en 4 rekening met de situatie dat de sluikhandel de verantwoordelijkheid is van "onderscheidenlijk de kennisgever, de ontvanger, en noch de kennisgever noch de ontvanger".

Hieruit volgt dat het in art. 10.60 Wet milieubeheer in verbinding met art. 26 EVOA vervatte verbod zich niet exclusief richt op "de kennisgever". Die artikelen houden in dat het aan een ieder is verboden om afvalstoffen over te brengen, wanneer niet de voorgeschreven kennisgeving is verricht door de kennisgever dan wel de instemming van de bevoegde autoriteiten ontbreekt. Zo rust op de vervoerder, ook wanneer deze niet tevens "kennisgever" is, de verplichting om zich te onthouden van de overbrenging van afvalstoffen waarvoor de kennisgever niet een kennisgeving heeft verricht of waarvoor de bevoegde autoriteiten geen toestemming hebben verleend. Deze uitleg strookt niet alleen met de bewoordingen van art. 26 EVOA maar ook met de strekking van die bepaling, zoals die onder meer uit de hiervoor onder 4.2 aangeduide inhoud van de considerans kenbaar is (vgl. HR 7 mei 2002, LJN AD8914, NJ 2002/428).

Uit het vorenstaande volgt dat met betrekking tot feit 1 de aan de klacht ten grondslag liggende stelling dat de vervoerder niet de normadressaat is van de uit de EVOA voortvloeiende verplichtingen niet als juist kan worden aanvaard, nog daargelaten dat voor zover aan de klacht ten grondslag ligt de opvatting dat een kwaliteitsdelict niet kan worden medegepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit, in dit geval die van "kennisgever" mist, deze opvatting onjuist is.

Volgens art. 10.44 Wet milieubeheer dient - kort gezegd - de vervoerder een begeleidingsbrief aanwezig te hebben. Die bepaling is tot de vervoerder gericht.

De aan de klacht met betrekking tot feit 2 ten grondslag liggende stelling dat de vervoerder niet de normadressaat is van deze bepaling is onjuist.

Het middel bevat voorts de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 wat betreft het 'medeplegen' ontoereikend is gemotiveerd.

Het Hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de chauffeur in dienst van de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde olievaten op een voertuig dat op naam stond van de verdachte heeft opgeladen teneinde deze over te brengen naar de locatie van [C] door welk laatstgenoemd bedrijf de vaten ook zijn ontvangen. Uit die omstandigheden kan niet worden afgeleid dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het tenlastegelegde en bewezenverklaarde overbrengen zonder kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten. Derhalve is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak van de Hoge Raad.

Print Friendly and PDF ^

Beklag, beslag, art. 552a en 94a lid 3 Sv. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BX4299 Feiten

Bij beschikking van 22 juli 2011 heeft de Rechtbank te 's Hertogenbosch het klaagschrift, strekkende tot teruggave aan klaagsters van op de voet van art. 94a Sv onder betrokkene 1 inbeslaggenomen voorwerpen, ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"Het gaat om een conservatoir beslag onder betrokkene 1 als bedoeld in art. 94a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering in verband met een vordering tot ontneming. Zijdens het openbaar ministerie is gemotiveerd aangegeven dat een aantal zaken is teruggegeven aan betrokkene 1 danwel de redelijkerwijs rechthebbende (A) (dat betreft dan de in rood en groen gedrukte goederen in de reactie van het openbaar ministerie). De raadsvrouwe van klaagsters heeft ter zitting in algemene bewoordingen deze stelling van het openbaar ministerie betwist. Ter zitting is voorts gebleken dat betrokkene 1 buiten de zaal aanwezig is en contact heeft met de raadsvrouwe en klaagster klaagster 2. Bovendien heeft klaagster 2 ter zitting aangegeven dat betrokkene 1 zich feitelijk bezighield met klaagster 1 en dat zij, klaagster 2, daarbij nauwelijks enige rol heeft gespeeld. Onder die omstandigheden acht de rechtbank de zeer algemene betwisting van de stelling van het openbaar ministerie dat de in rood en groen gedrukte zaken zijn teruggegeven aan betrokkene 1 danwel de rechthebbende onvoldoende onderbouwd. Dan resteren de in de reactie van het openbaar ministerie in het blauw aangeduide zaken. Weliswaar stelt klaagster 1 eigenaar van die goederen te zijn, maar gelet op de omstandigheid dat het beslag is gelegd onder betrokkene 1 en de mededeling ter zitting dat betrokkene 1 de gang van zaken in klaagster 1 bepaalde, ziet de rechtbank, zo klaagster 1 al buiten enige redelijke twijfel als eigenaar moet worden aangemerkt, voldoende aanleiding om, gelet op het bepaalde in art. 94a lid 3 aanhef en onder a, b en c, te concluderen dat sprake is van een strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag. Het is geenszins hoogst onwaarschijnlijk dat een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd en dat ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen een situatie als bedoeld in art. 94a lid 3 aanwezig wordt geacht."

Derde middel en het vierde middel

Deze middelen keren zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.

Beoordeling Hoge Raad

Het derde middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat klaagster 1 stelt eigenaar te zijn van de in blauw aangegeven goederen.

Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 8 juli 2011 heeft de raadsvrouwe onder meer het volgende aangevoerd:

"De verdediging stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie moet aantonen door wie zekerheid is gesteld ten aanzien van de rood en groen gemarkeerde goederen en aan wie deze goederen zijn teruggegeven. Ten aanzien van de blauw gemarkeerde goederen geldt dat

Klaagster 1 en klaagster 2 deze goederen te goeder trouw hebben verkregen. De eigendom daarvan berust bij klaagster 1".

Gelet op de - in cassatie niet bestreden - inhoud van dit proces-verbaal, mist het middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

Het vierde middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank dat ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen een situatie als bedoeld in art. 94a, derde lid, Sv, aanwezig wordt geacht, ontoereikend is gemotiveerd.

In de overwegingen heeft de Rechtbank, die de maatstaf diende aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is of klaagster 1 als eigenaar van de inbeslaggenomen goederen moet worden aangemerkt, tot uitdrukking gebracht dat de vraag of dit geval zich voordoet, ontkennend moet worden beantwoord. De Rechtbank behoefde dan ook niet toe te komen aan een onderzoek of zich de situatie van art. 94a, derde lid, Sv voordoet. De desbetreffende overwegingen van de Rechtbank zijn ten overvloede gegeven.

Het vierde middel, dat van een andere lezing van de overwegingen van de Rechtbank uitgaat, mist feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG: anders

Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagsters in hun beroep voor zover dit ziet op de voorwerpen die zijn teruggegeven, tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op niet teruggegeven voorwerpen, en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

Het derde middel houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat klaagster 1 stelt van de in blauw aangegeven goederen eigenaar te zijn.

Vellinga concludeert dat gelet op hetgeen onder punt 2 van het klaagschrift wordt gesteld - kort gezegd dat een aantal daar genoemde voorwerpen eigendom van klaagsters zijn - deze overweging onbegrijpelijk is. Het middel slaagt.

Het vierde middel klaagt onder meer over de ontoereikende motivering van het oordeel van de Rechtbank, dat ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen een situatie als bedoeld in art. 94a lid 3 Sv aanwezig wordt geacht.

Waarom zich ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen een situatie als bedoeld in art. 94a lid 3 Sv zou voordoen motiveert de Rechtbank niet, aldus Vellinga. Dat klemt temeer omdat genoemde bepaling drie cumulatieve eisen stelt aan inbeslagneming van door de Rechtbank veronderstellenderwijs als eigendom van klaagster 1 aangemerkte zaken.

Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wat is de taak van de beklagrechter?

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BU8737 Feiten

De Rechtbank te Arnhem heeft bij beschikking van 23 november 2010 een door klaagster ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave van al hetgeen in de strafzaak tegen klaagster en klager in beslag is genomen, ongegrond verklaard.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift onjuiste maatstaven heeft gehanteerd en/of de beschikking onjuist, ontoereikend althans onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

Het middel gaat in de kern genomen om de vraag wat de taak van de beklagrechter is, in het bijzonder als het gaat om een beklag dat zich richt tegen de inbeslagneming zelf. Meer in het bijzonder is de vraag welke verantwoordelijkheid de beklagrechter heeft voor de volledigheid van de relevante processtukken.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel steunt op de opvatting dat de beklagrechter ambtshalve dient te onderzoeken of bij de beslagleggingen "de formaliteiten" in acht zijn genomen en in de beschikking daarvan moet blijk geven, faalt het. Die opvatting vindt geen steun in het recht.

Voor zover het middel klaagt dat de Rechtbank niet (toereikend gemotiveerd) heeft beslist op het verweer dat bij de beslagleggingen niet de "formaliteiten in acht zijn genomen", overweegt de Hoge Raad het volgende.

Indien in een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelve onrechtmatig moet worden geacht, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden. De rechter mag in zo een geval de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de klager leggen.

De klagers hebben hun stelling dat "de beslagleggingen" onrechtmatig zijn omdat de daarvoor geldende "formaliteiten niet in acht zijn genomen" enkel gebaseerd op de omstandigheid dat het dossier waarover de Rechtbank in raadkamer de beschikking heeft niet alle beslagstukken bevat, zodat niet kan worden beoordeeld of bij de beslagleggingen de formaliteiten in acht zijn genomen.

De Rechtbank is in haar beschikking aan dit verweer voorbij gegaan. Blijkens het verhandelde in raadkamer heeft de raadsman van de klagers zich ertegen verzet dat de Rechtbank zou kennisnemen van het dossier dat zich ten tijde van de behandeling van het klaagschrift bij de Rechter-Commissaris bevond in het kader van de behandeling van de strafzaak. Gelet op deze proceshouding van de klagers en in aanmerking genomen dat de klagers, die - naast de in de beschikking genoemde op het beslag betrekking hebbende stukken - de beschikking hadden over stukken van het dossier in de strafzaak, geen relevante, de specifieke beslagleggingen betreffende feiten of omstandigheden hebben aangevoerd, is het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat zij, bij gebreke van (voldoende) feitelijke grondslag, aan dat verweer kon voorbijgaan, niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

Blijkens de overwegingen van de Rechtbank hebben de klagers aan het beklag niet alleen ten grondslag gelegd dat bij de beslagleggingen niet de "formaliteiten in acht zijn genomen", maar ook dat aan de beslagen "slechts speculaties en vermoedens ten grondslag liggen" en dat "bij de gelegde beslagen de proportionaliteit en de subsidiariteit uit het oog zijn verloren".

Ook voor zover het middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van die gronden van het klaagschrift "onjuiste maatstaven" heeft gehanteerd, faalt het.

In haar overwegingen heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat naar haar voorlopig oordeel op grond van het in beklagzaken voorziene summiere onderzoek, voor zover beslag is gelegd op de voet van art. 94a Sv, a. sprake was van een verdenking wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, alsmede, voor zover beslag is gelegd op de voet van art. 94 Sv, dat het belang van strafvordering nog aanwezig was. Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van de vereiste maatstaven. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat hetgeen is aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat bij de gelegde beslagen de proportionaliteit en subsidiariteit uit het oog zijn verloren de Rechtbank niet noopte tot een nadere motivering dan zij heeft gegeven.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Deze zaak hangt samen met LJN BU8735 waarin soortgelijk is beslist.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Maatstaf beoordeling klaagschrift gericht tegen een beslag ex art. 94a lid 2 Sv en verhouding art. 74 AWR en art. 36e Sr.

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BU7373 Feiten

Op de voet van art. 94 Sv is beslag gelegd op de administratie van klaagster 4, klaagster in de onderhavige zaak, in verband met de verdenking van klager 3 (klager in de zaak 11/00191B) van valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Voorts is in verband met die verdenking op de voet van art. 94a lid 3 Sv onder diverse (rechts)personen, waaronder klaagster, conservatoir beslag gelegd, in casu op een bankrekening en een vordering, die volgens klaagster aan haar toebehoren.

Bij beschikking van 29 oktober 2010 heeft de Rechtbank 's Hertogenbosch het beklag strekkende tot opheffing van het op de voet van art. 94 Sv gelegde beslag op zich onder klaagster bevindende administratie en tot opheffing van het op de voet van art. 94a Sv onder klaagster gelegde beslag op een bankrekening en een vordering ongegrond verklaard.

Eerste middel

Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank heeft overwogen dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag van de op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen administratie hoewel de Rechtbank niet beschikte over het daartoe benodigde dossier.

De Hoge Raad doet dit middel af met verwijzing naar art. 81 RO.

Overige middelen

Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank in haar beschikking niet blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of tussen de waarde van de in beslaggenomen voorwerpen en de mogelijk op te leggen betalingsverplichting een redelijke verhouding bestaat, althans dat het oordeel van de Rechtbank dat het proportionaliteitsbeginsel niet is geschonden, ontoereikend is gemotiveerd.

Het derde middel klaagt dat de Rechtbank in haar beschikking geen rekening heeft gehouden met het bepaalde in art. 74 Algemene wet inzake rijksbelastingen, althans een motivering daaromtrent ontbreekt.

Het vierde middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van het beklag met betrekking tot de op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

Beoordeling Hoge Raad

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"In openbare raadkamer is namens klaagster aangevoerd dat er in verband met het reeds gevolgde fiscale traject niet meer strafrechtelijk kan worden ontnomen, zodat het gelegde conservatoir beslag op de vordering ter waarde van € 169.000,- op [A] B.V. en de ING bankrekening moet worden opgeheven en deze voorwerpen aan klaagster moeten worden geretourneerd. De officieren van justitie hebben aangevoerd dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de opheffing van het conservatoir beslag ter zake van de vordering en de bankrekening, vanwege het lopende SFO en de aangekondigde ontnemingszaak tegen klaagster. De rechtbank is van oordeel dat het recht van verhaal voor de voordeelsontneming moet worden bewaard, nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter (later oordelend) in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel - voor een bedrag dat de gezamenlijke waarde van de vordering en de bankrekening in de huidige optiek van de rechtbank zal ontstijgen - zal willen ontnemen en waarvoor de voortzetting van deze inbeslagneming noodzakelijk is. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift voor wat betreft de vordering en de bankrekening ongegrond verklaren."

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene als het onderhavige gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken

  1. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
  2. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654).

De Rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aldus heeft de Rechtbank de juiste maatstaf toegepast.

Het vierde middel, dat uitgaat van een andere lezing van de overwegingen, mist dus in zoverre feitelijke grondslag.

Voor zover het vierde middel klaagt dat de Rechtbank in haar beschikking niet heeft overwogen dat zij het hiervoor onder a. bedoelde onderzoek heeft verricht, kan het niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang. Uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 447, tweede lid, Sv gezonden stukken blijkt dat het gaat om verdenking van valsheid in geschrift, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter bij de beoordeling van een beklag over inbeslagneming ter motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven te hebben onderzocht of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de mogelijke hoogte van de betalingsverplichting. Het oordeel van de Rechtbank dat niet onwaarschijnlijk is dat wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ontnomen voor een bedrag dat de gezamenlijke waarde van de vordering en de bankrekening zal ontstijgen, behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat in de beklagprocedure slechts een voorlopige schatting kan worden gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel en voorts geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot een nader onderzoek noopten. Het tweede middel faalt.

Het derde middel steunt op de opvatting dat ingevolge art. 74 Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 36e Sr geen toepassing vindt op de feiten ter zake waarvan jegens de klaagster verdenking is gerezen. Die opvatting is onjuist. Art. 74 AWR ziet alleen op bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Het strafrechtelijk onderzoek in verband waarmee de beslagen zijn gelegd, heeft betrekking op verdenking van valsheid in geschrift, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Het derde middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Er bestaat samenhang met de zaken met LJN BU7371, BU7369 en BU7367 waarin soortgelijk is beslist.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag, bezwaarschrift tegen dagvaarding

Hoge Raad 23 oktober 2012, LJN BX6917 Essentie

De opvatting dat de mededeling van de OvJ omtrent het intrekken van de dagvaarding, aan de verdachte gedaan nadat diens bezwaarschrift tegen de dagvaarding door de Rb gegrond was bevonden, ten gevolg heeft dat de in die dagvaarding vervatte tenlastelegging niet langer grondslag van onderzoek door de strafrechter kan zijn, en ook meebrengt dat een tegen die dagvaarding ingediend bezwaarschrift buiten behandeling moet blijven, is onjuist.

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij beschikking van 11 augustus 2011 het door verdachte ingediende bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Vierde middel

Het middel klaagt over de verwerping van een verweer, primair ertoe strekkend dat het intrekken van de dagvaarding tot gevolg heeft dat er geen zaak meer is om over te oordelen, en door die intrekking ook de grondslag van de bezwaarschriftprocedure is komen te vervallen, en subsidiair inhoudend dat het intrekken van de dagvaarding bij de verdachte het vertrouwen heeft gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"7. De raadsman van verdachte heeft in de eerste plaats bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging nu het openbaar ministerie bij brief van 16 februari 2011 verdachte heeft medegedeeld dat de dagvaarding in de strafzaak is ingetrokken. Zolang nog niet definitief is beslist op het bezwaarschrift tegen de dagvaarding wordt de behandeling van de zaak uitgesteld. Volgens de raadsman bestond er daarom voor het openbaar ministerie geen enkele noodzaak om de dagvaarding in te trekken. De raadsman heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat door deze bewuste intrekking de zaak tot een einde is gekomen en dat dit hof geen zaak meer heeft om over te oordelen. (...)"

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat de opvatting waarop het middel berust, dat de mededeling van de OvJ omtrent het intrekken van de dagvaarding, aan de verdachte gedaan nadat diens bezwaarschrift tegen de dagvaarding door de Rechtbank gegrond was bevonden, tot gevolg heeft dat de in die dagvaarding vervatte tenlastelegging niet langer grondslag van onderzoek door de strafrechter kan zijn, en ook meebrengt dat een tegen de dagvaarding ingediend bezwaarschrift buiten behandeling moet blijven, onjuist is.

Bij wet van 10 oktober 1988, Stb. 474, is geschrapt het voordien in art. 262, derde lid (oud), Sv opgenomen voorschrift dat het indienen van een bezwaarschrift de dagvaarding van rechtswege in haar geheel doet vervallen.

De Hoge Raad verwijst vervolgens naar een onderdeel van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Om de daar genoemde redenen moet worden aangenomen dat deze wetswijziging uitsluitend was ingegeven door de wens behandeling van de strafzaak op de reeds aangezegde rechtsdag mogelijk te maken in die gevallen waarin het bezwaarschrift tegen de dagvaarding (tijdig) ongegrond wordt verklaard, en aldus een oplossing te bieden voor problemen bij de rechtbanken met betrekking tot de planning van de behandeling van zaken en de werkverdeling.

Uit het schrappen van art. 262, derde lid (oud) Sv kan daarom in de optiek van de Hoge Raad, niet worden afgeleid dat het bestaan van een niet-ingetrokken dagvaarding voorwaarde is voor de (verdere) behandeling van een tegen die dagvaarding gericht bezwaarschrift.

In zoverre getuigt het door het middel aangevallen oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Voorts is 's Hofs oordeel dat met de brief van het Openbaar Ministerie van 16 februari 2011 slechts is beoogd de verdachte te informeren dat de behandeling van de strafzaak niet zou plaatsvinden op de in de dagvaarding genoemde datum, en de verdachte aan die brief niet de verwachting heeft kunnen ontlenen dat hij ter zake van de hem bij die dagvaarding ten laste gelegde feiten niet verder zou worden vervolgd, verweven als dat oordeel is met aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^