Beklag, beslag, art. 552a en 94a lid 3 Sv. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BX4299 Feiten

Bij beschikking van 22 juli 2011 heeft de Rechtbank te 's Hertogenbosch het klaagschrift, strekkende tot teruggave aan klaagsters van op de voet van art. 94a Sv onder betrokkene 1 inbeslaggenomen voorwerpen, ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"Het gaat om een conservatoir beslag onder betrokkene 1 als bedoeld in art. 94a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering in verband met een vordering tot ontneming. Zijdens het openbaar ministerie is gemotiveerd aangegeven dat een aantal zaken is teruggegeven aan betrokkene 1 danwel de redelijkerwijs rechthebbende (A) (dat betreft dan de in rood en groen gedrukte goederen in de reactie van het openbaar ministerie). De raadsvrouwe van klaagsters heeft ter zitting in algemene bewoordingen deze stelling van het openbaar ministerie betwist. Ter zitting is voorts gebleken dat betrokkene 1 buiten de zaal aanwezig is en contact heeft met de raadsvrouwe en klaagster klaagster 2. Bovendien heeft klaagster 2 ter zitting aangegeven dat betrokkene 1 zich feitelijk bezighield met klaagster 1 en dat zij, klaagster 2, daarbij nauwelijks enige rol heeft gespeeld. Onder die omstandigheden acht de rechtbank de zeer algemene betwisting van de stelling van het openbaar ministerie dat de in rood en groen gedrukte zaken zijn teruggegeven aan betrokkene 1 danwel de rechthebbende onvoldoende onderbouwd. Dan resteren de in de reactie van het openbaar ministerie in het blauw aangeduide zaken. Weliswaar stelt klaagster 1 eigenaar van die goederen te zijn, maar gelet op de omstandigheid dat het beslag is gelegd onder betrokkene 1 en de mededeling ter zitting dat betrokkene 1 de gang van zaken in klaagster 1 bepaalde, ziet de rechtbank, zo klaagster 1 al buiten enige redelijke twijfel als eigenaar moet worden aangemerkt, voldoende aanleiding om, gelet op het bepaalde in art. 94a lid 3 aanhef en onder a, b en c, te concluderen dat sprake is van een strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag. Het is geenszins hoogst onwaarschijnlijk dat een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd en dat ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen een situatie als bedoeld in art. 94a lid 3 aanwezig wordt geacht."

Derde middel en het vierde middel

Deze middelen keren zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.

Beoordeling Hoge Raad

Het derde middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat klaagster 1 stelt eigenaar te zijn van de in blauw aangegeven goederen.

Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 8 juli 2011 heeft de raadsvrouwe onder meer het volgende aangevoerd:

"De verdediging stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie moet aantonen door wie zekerheid is gesteld ten aanzien van de rood en groen gemarkeerde goederen en aan wie deze goederen zijn teruggegeven. Ten aanzien van de blauw gemarkeerde goederen geldt dat

Klaagster 1 en klaagster 2 deze goederen te goeder trouw hebben verkregen. De eigendom daarvan berust bij klaagster 1".

Gelet op de - in cassatie niet bestreden - inhoud van dit proces-verbaal, mist het middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

Het vierde middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank dat ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen een situatie als bedoeld in art. 94a, derde lid, Sv, aanwezig wordt geacht, ontoereikend is gemotiveerd.

In de overwegingen heeft de Rechtbank, die de maatstaf diende aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is of klaagster 1 als eigenaar van de inbeslaggenomen goederen moet worden aangemerkt, tot uitdrukking gebracht dat de vraag of dit geval zich voordoet, ontkennend moet worden beantwoord. De Rechtbank behoefde dan ook niet toe te komen aan een onderzoek of zich de situatie van art. 94a, derde lid, Sv voordoet. De desbetreffende overwegingen van de Rechtbank zijn ten overvloede gegeven.

Het vierde middel, dat van een andere lezing van de overwegingen van de Rechtbank uitgaat, mist feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie AG: anders

Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagsters in hun beroep voor zover dit ziet op de voorwerpen die zijn teruggegeven, tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op niet teruggegeven voorwerpen, en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

Het derde middel houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat klaagster 1 stelt van de in blauw aangegeven goederen eigenaar te zijn.

Vellinga concludeert dat gelet op hetgeen onder punt 2 van het klaagschrift wordt gesteld - kort gezegd dat een aantal daar genoemde voorwerpen eigendom van klaagsters zijn - deze overweging onbegrijpelijk is. Het middel slaagt.

Het vierde middel klaagt onder meer over de ontoereikende motivering van het oordeel van de Rechtbank, dat ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen een situatie als bedoeld in art. 94a lid 3 Sv aanwezig wordt geacht.

Waarom zich ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen een situatie als bedoeld in art. 94a lid 3 Sv zou voordoen motiveert de Rechtbank niet, aldus Vellinga. Dat klemt temeer omdat genoemde bepaling drie cumulatieve eisen stelt aan inbeslagneming van door de Rechtbank veronderstellenderwijs als eigendom van klaagster 1 aangemerkte zaken.

Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF