EVOA, Afvalstof, Groene lijst, schud-, schrap- en schraapleeg, Normadressaat, Medeplegen.

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BX5023 Feiten

De Economische Kamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte wegens

  1. Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon en
  2. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.44 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 650,- met een proeftijd van twee jaar.

Bewezenverklaard is dat verdachte door zonder kennisgeving aan de autoriteiten en zonder vrachtbrief lege, ongereinigde olievaten van Duitsland naar Nederland te vervoeren

  1. tezamen en in vereniging met een ander een handeling heeft verricht als bedoeld in art. 26 lid 1 EVOA, EEG 259/93 en
  2. bedrijfsafvalstoffen heeft vervoerd zonder dat hij een begeleidingsbrief als bedoeld in art. 10.39 Wet milieubeheer (Wm) aanwezig had.

Eerste middel

Het eerste middel klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het de vervoerde olievaten heeft aangemerkt als afvalstoffen in de zin van de EVOA en de Wet milieubeheer. Het hof zou ten onrechte geen acht hebben geslagen op de beschikking van de Europese Commissie 2005/270/EG behorende bij verpakkingsrichtlijn 94/62/EG, waarin herbruikbare verpakkingen niet als verpakkingsafval worden gedefinieerd., althans die beschikking onjuist hebben geïnterpreteerd.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat de olievaten moeten worden aangemerkt als afvalstoffen, niet zijnde groene-lijst afvalstoffen welke afvalstoffen zijn uitgezonderd van de voorafgaande schriftelijke kennisgevingsplicht.

Derde middel

Het derde middel valt uiteen in twee klachten. Het middel klaagt ten eerste dat het hof verdachte ten onrechte als (mede)pleger heeft gekwalificeerd, omdat zij als vervoerder niet de normadressaat is van de voorschriften waarvan onder 1 en 2 is bewezenverklaard dat zij die heeft overtreden.

Beoordeling Hoge Raad

Beoordeling eerste middel

Bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een afvalstof in de zin van de toepasselijke artikelen van de Wet milieubeheer is of - kort gezegd - de stof behoort tot de categorieën die zijn genoemd in Bijlage I bij Richtlijn 75/442 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet.

Anders dan in het middel wordt betoogd doet daarbij niet ter zake hetgeen is bepaald in de beschikking van de Europese Commissie 2005/270/EG. Deze beschikking ziet niet op de uitleg van het begrip afvalstof in de zin van de Wm, maar op de vaststelling van tabellen voor een databanksysteem met betrekking tot verpakking en verpakkingsafval.

Het middel faalt.

Beoordeling tweede middel 

Het in hoger beroep gevoerde verweer steunde op de stelling dat de onderhavige ongereinigde olievaten aangemerkt dienen te worden als 'groene-lijst' afvalstoffen, omdat zij "schud-, schrap- en schraapleeg" waren. Het Hof heeft dat verweer verworpen op de grond dat niet het door de verdediging ingeroepen criterium van "schud-, schrap- en schraapleeg" bepaalt of een stof of voorwerp behoort tot de 'groene-lijst' afvalstoffen, maar de vraag of de stof of voorwerp voorkomt op de groene lijst en dat dit met betrekking tot de onderhavige olievaten niet het geval is.

Het hof heeft, tegen de achtergrond van hetgeen het Hof van Justitie in de zaak C-259/05 (LJN BB2553, AB 2007/325) heeft overwogen (overweging 28 t/m 32), het verweer op juiste gronden verworpen.

Het middel faalt.

Beoordeling derde middel 

Het middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het Hof dat de verdachte voor overtreding van de desbetreffende verbodsbepalingen strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden.

De klacht berust op de stelling dat de verdachte niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor overtreding van de desbetreffende verbodsbepalingen, omdat zij als vervoerder van de olievaten niet de normadressaat van deze verbodsbepalingen is.

Ingevolge art. 10.60 Wet milieubeheer is het verboden sluikhandel te bedrijven als bedoeld in art. 26, eerste lid, EVOA. Blijkens de bewoordingen van dit laatste artikel geldt het verbod voor een ieder, en niet alleen voor de "kennisgever" als gedefinieerd in art. 2, aanhef en sub g, EVOA. Dit volgt immers uit het gebruik van de woorden "elke overbrenging van afvalstoffen". Voorts houden de leden 2, 3 en 4 rekening met de situatie dat de sluikhandel de verantwoordelijkheid is van "onderscheidenlijk de kennisgever, de ontvanger, en noch de kennisgever noch de ontvanger".

Hieruit volgt dat het in art. 10.60 Wet milieubeheer in verbinding met art. 26 EVOA vervatte verbod zich niet exclusief richt op "de kennisgever". Die artikelen houden in dat het aan een ieder is verboden om afvalstoffen over te brengen, wanneer niet de voorgeschreven kennisgeving is verricht door de kennisgever dan wel de instemming van de bevoegde autoriteiten ontbreekt. Zo rust op de vervoerder, ook wanneer deze niet tevens "kennisgever" is, de verplichting om zich te onthouden van de overbrenging van afvalstoffen waarvoor de kennisgever niet een kennisgeving heeft verricht of waarvoor de bevoegde autoriteiten geen toestemming hebben verleend. Deze uitleg strookt niet alleen met de bewoordingen van art. 26 EVOA maar ook met de strekking van die bepaling, zoals die onder meer uit de hiervoor onder 4.2 aangeduide inhoud van de considerans kenbaar is (vgl. HR 7 mei 2002, LJN AD8914, NJ 2002/428).

Uit het vorenstaande volgt dat met betrekking tot feit 1 de aan de klacht ten grondslag liggende stelling dat de vervoerder niet de normadressaat is van de uit de EVOA voortvloeiende verplichtingen niet als juist kan worden aanvaard, nog daargelaten dat voor zover aan de klacht ten grondslag ligt de opvatting dat een kwaliteitsdelict niet kan worden medegepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit, in dit geval die van "kennisgever" mist, deze opvatting onjuist is.

Volgens art. 10.44 Wet milieubeheer dient - kort gezegd - de vervoerder een begeleidingsbrief aanwezig te hebben. Die bepaling is tot de vervoerder gericht.

De aan de klacht met betrekking tot feit 2 ten grondslag liggende stelling dat de vervoerder niet de normadressaat is van deze bepaling is onjuist.

Het middel bevat voorts de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 wat betreft het 'medeplegen' ontoereikend is gemotiveerd.

Het Hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de chauffeur in dienst van de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde olievaten op een voertuig dat op naam stond van de verdachte heeft opgeladen teneinde deze over te brengen naar de locatie van [C] door welk laatstgenoemd bedrijf de vaten ook zijn ontvangen. Uit die omstandigheden kan niet worden afgeleid dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het tenlastegelegde en bewezenverklaarde overbrengen zonder kennisgeving aan de betrokken bevoegde autoriteiten. Derhalve is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak van de Hoge Raad.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF