Wat is de taak van de beklagrechter?

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BU8737 Feiten

De Rechtbank te Arnhem heeft bij beschikking van 23 november 2010 een door klaagster ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave van al hetgeen in de strafzaak tegen klaagster en klager in beslag is genomen, ongegrond verklaard.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift onjuiste maatstaven heeft gehanteerd en/of de beschikking onjuist, ontoereikend althans onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

Het middel gaat in de kern genomen om de vraag wat de taak van de beklagrechter is, in het bijzonder als het gaat om een beklag dat zich richt tegen de inbeslagneming zelf. Meer in het bijzonder is de vraag welke verantwoordelijkheid de beklagrechter heeft voor de volledigheid van de relevante processtukken.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel steunt op de opvatting dat de beklagrechter ambtshalve dient te onderzoeken of bij de beslagleggingen "de formaliteiten" in acht zijn genomen en in de beschikking daarvan moet blijk geven, faalt het. Die opvatting vindt geen steun in het recht.

Voor zover het middel klaagt dat de Rechtbank niet (toereikend gemotiveerd) heeft beslist op het verweer dat bij de beslagleggingen niet de "formaliteiten in acht zijn genomen", overweegt de Hoge Raad het volgende.

Indien in een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelve onrechtmatig moet worden geacht, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden. De rechter mag in zo een geval de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de klager leggen.

De klagers hebben hun stelling dat "de beslagleggingen" onrechtmatig zijn omdat de daarvoor geldende "formaliteiten niet in acht zijn genomen" enkel gebaseerd op de omstandigheid dat het dossier waarover de Rechtbank in raadkamer de beschikking heeft niet alle beslagstukken bevat, zodat niet kan worden beoordeeld of bij de beslagleggingen de formaliteiten in acht zijn genomen.

De Rechtbank is in haar beschikking aan dit verweer voorbij gegaan. Blijkens het verhandelde in raadkamer heeft de raadsman van de klagers zich ertegen verzet dat de Rechtbank zou kennisnemen van het dossier dat zich ten tijde van de behandeling van het klaagschrift bij de Rechter-Commissaris bevond in het kader van de behandeling van de strafzaak. Gelet op deze proceshouding van de klagers en in aanmerking genomen dat de klagers, die - naast de in de beschikking genoemde op het beslag betrekking hebbende stukken - de beschikking hadden over stukken van het dossier in de strafzaak, geen relevante, de specifieke beslagleggingen betreffende feiten of omstandigheden hebben aangevoerd, is het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat zij, bij gebreke van (voldoende) feitelijke grondslag, aan dat verweer kon voorbijgaan, niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

Blijkens de overwegingen van de Rechtbank hebben de klagers aan het beklag niet alleen ten grondslag gelegd dat bij de beslagleggingen niet de "formaliteiten in acht zijn genomen", maar ook dat aan de beslagen "slechts speculaties en vermoedens ten grondslag liggen" en dat "bij de gelegde beslagen de proportionaliteit en de subsidiariteit uit het oog zijn verloren".

Ook voor zover het middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van die gronden van het klaagschrift "onjuiste maatstaven" heeft gehanteerd, faalt het.

In haar overwegingen heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat naar haar voorlopig oordeel op grond van het in beklagzaken voorziene summiere onderzoek, voor zover beslag is gelegd op de voet van art. 94a Sv, a. sprake was van een verdenking wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, alsmede, voor zover beslag is gelegd op de voet van art. 94 Sv, dat het belang van strafvordering nog aanwezig was. Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van de vereiste maatstaven. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat hetgeen is aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat bij de gelegde beslagen de proportionaliteit en subsidiariteit uit het oog zijn verloren de Rechtbank niet noopte tot een nadere motivering dan zij heeft gegeven.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Deze zaak hangt samen met LJN BU8735 waarin soortgelijk is beslist.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Maatstaf beoordeling klaagschrift gericht tegen een beslag ex art. 94a lid 2 Sv en verhouding art. 74 AWR en art. 36e Sr.

Hoge Raad 30 oktober 2012, LJN BU7373 Feiten

Op de voet van art. 94 Sv is beslag gelegd op de administratie van klaagster 4, klaagster in de onderhavige zaak, in verband met de verdenking van klager 3 (klager in de zaak 11/00191B) van valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Voorts is in verband met die verdenking op de voet van art. 94a lid 3 Sv onder diverse (rechts)personen, waaronder klaagster, conservatoir beslag gelegd, in casu op een bankrekening en een vordering, die volgens klaagster aan haar toebehoren.

Bij beschikking van 29 oktober 2010 heeft de Rechtbank 's Hertogenbosch het beklag strekkende tot opheffing van het op de voet van art. 94 Sv gelegde beslag op zich onder klaagster bevindende administratie en tot opheffing van het op de voet van art. 94a Sv onder klaagster gelegde beslag op een bankrekening en een vordering ongegrond verklaard.

Eerste middel

Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank heeft overwogen dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag van de op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen administratie hoewel de Rechtbank niet beschikte over het daartoe benodigde dossier.

De Hoge Raad doet dit middel af met verwijzing naar art. 81 RO.

Overige middelen

Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank in haar beschikking niet blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of tussen de waarde van de in beslaggenomen voorwerpen en de mogelijk op te leggen betalingsverplichting een redelijke verhouding bestaat, althans dat het oordeel van de Rechtbank dat het proportionaliteitsbeginsel niet is geschonden, ontoereikend is gemotiveerd.

Het derde middel klaagt dat de Rechtbank in haar beschikking geen rekening heeft gehouden met het bepaalde in art. 74 Algemene wet inzake rijksbelastingen, althans een motivering daaromtrent ontbreekt.

Het vierde middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van het beklag met betrekking tot de op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

Beoordeling Hoge Raad

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"In openbare raadkamer is namens klaagster aangevoerd dat er in verband met het reeds gevolgde fiscale traject niet meer strafrechtelijk kan worden ontnomen, zodat het gelegde conservatoir beslag op de vordering ter waarde van € 169.000,- op [A] B.V. en de ING bankrekening moet worden opgeheven en deze voorwerpen aan klaagster moeten worden geretourneerd. De officieren van justitie hebben aangevoerd dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de opheffing van het conservatoir beslag ter zake van de vordering en de bankrekening, vanwege het lopende SFO en de aangekondigde ontnemingszaak tegen klaagster. De rechtbank is van oordeel dat het recht van verhaal voor de voordeelsontneming moet worden bewaard, nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter (later oordelend) in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel - voor een bedrag dat de gezamenlijke waarde van de vordering en de bankrekening in de huidige optiek van de rechtbank zal ontstijgen - zal willen ontnemen en waarvoor de voortzetting van deze inbeslagneming noodzakelijk is. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift voor wat betreft de vordering en de bankrekening ongegrond verklaren."

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene als het onderhavige gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken

  1. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
  2. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654).

De Rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aldus heeft de Rechtbank de juiste maatstaf toegepast.

Het vierde middel, dat uitgaat van een andere lezing van de overwegingen, mist dus in zoverre feitelijke grondslag.

Voor zover het vierde middel klaagt dat de Rechtbank in haar beschikking niet heeft overwogen dat zij het hiervoor onder a. bedoelde onderzoek heeft verricht, kan het niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang. Uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 447, tweede lid, Sv gezonden stukken blijkt dat het gaat om verdenking van valsheid in geschrift, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter bij de beoordeling van een beklag over inbeslagneming ter motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven te hebben onderzocht of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de mogelijke hoogte van de betalingsverplichting. Het oordeel van de Rechtbank dat niet onwaarschijnlijk is dat wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ontnomen voor een bedrag dat de gezamenlijke waarde van de vordering en de bankrekening zal ontstijgen, behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat in de beklagprocedure slechts een voorlopige schatting kan worden gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel en voorts geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot een nader onderzoek noopten. Het tweede middel faalt.

Het derde middel steunt op de opvatting dat ingevolge art. 74 Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 36e Sr geen toepassing vindt op de feiten ter zake waarvan jegens de klaagster verdenking is gerezen. Die opvatting is onjuist. Art. 74 AWR ziet alleen op bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Het strafrechtelijk onderzoek in verband waarmee de beslagen zijn gelegd, heeft betrekking op verdenking van valsheid in geschrift, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Het derde middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Er bestaat samenhang met de zaken met LJN BU7371, BU7369 en BU7367 waarin soortgelijk is beslist.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag, bezwaarschrift tegen dagvaarding

Hoge Raad 23 oktober 2012, LJN BX6917 Essentie

De opvatting dat de mededeling van de OvJ omtrent het intrekken van de dagvaarding, aan de verdachte gedaan nadat diens bezwaarschrift tegen de dagvaarding door de Rb gegrond was bevonden, ten gevolg heeft dat de in die dagvaarding vervatte tenlastelegging niet langer grondslag van onderzoek door de strafrechter kan zijn, en ook meebrengt dat een tegen die dagvaarding ingediend bezwaarschrift buiten behandeling moet blijven, is onjuist.

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij beschikking van 11 augustus 2011 het door verdachte ingediende bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Vierde middel

Het middel klaagt over de verwerping van een verweer, primair ertoe strekkend dat het intrekken van de dagvaarding tot gevolg heeft dat er geen zaak meer is om over te oordelen, en door die intrekking ook de grondslag van de bezwaarschriftprocedure is komen te vervallen, en subsidiair inhoudend dat het intrekken van de dagvaarding bij de verdachte het vertrouwen heeft gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"7. De raadsman van verdachte heeft in de eerste plaats bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging nu het openbaar ministerie bij brief van 16 februari 2011 verdachte heeft medegedeeld dat de dagvaarding in de strafzaak is ingetrokken. Zolang nog niet definitief is beslist op het bezwaarschrift tegen de dagvaarding wordt de behandeling van de zaak uitgesteld. Volgens de raadsman bestond er daarom voor het openbaar ministerie geen enkele noodzaak om de dagvaarding in te trekken. De raadsman heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat door deze bewuste intrekking de zaak tot een einde is gekomen en dat dit hof geen zaak meer heeft om over te oordelen. (...)"

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat de opvatting waarop het middel berust, dat de mededeling van de OvJ omtrent het intrekken van de dagvaarding, aan de verdachte gedaan nadat diens bezwaarschrift tegen de dagvaarding door de Rechtbank gegrond was bevonden, tot gevolg heeft dat de in die dagvaarding vervatte tenlastelegging niet langer grondslag van onderzoek door de strafrechter kan zijn, en ook meebrengt dat een tegen de dagvaarding ingediend bezwaarschrift buiten behandeling moet blijven, onjuist is.

Bij wet van 10 oktober 1988, Stb. 474, is geschrapt het voordien in art. 262, derde lid (oud), Sv opgenomen voorschrift dat het indienen van een bezwaarschrift de dagvaarding van rechtswege in haar geheel doet vervallen.

De Hoge Raad verwijst vervolgens naar een onderdeel van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Om de daar genoemde redenen moet worden aangenomen dat deze wetswijziging uitsluitend was ingegeven door de wens behandeling van de strafzaak op de reeds aangezegde rechtsdag mogelijk te maken in die gevallen waarin het bezwaarschrift tegen de dagvaarding (tijdig) ongegrond wordt verklaard, en aldus een oplossing te bieden voor problemen bij de rechtbanken met betrekking tot de planning van de behandeling van zaken en de werkverdeling.

Uit het schrappen van art. 262, derde lid (oud) Sv kan daarom in de optiek van de Hoge Raad, niet worden afgeleid dat het bestaan van een niet-ingetrokken dagvaarding voorwaarde is voor de (verdere) behandeling van een tegen die dagvaarding gericht bezwaarschrift.

In zoverre getuigt het door het middel aangevallen oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Voorts is 's Hofs oordeel dat met de brief van het Openbaar Ministerie van 16 februari 2011 slechts is beoogd de verdachte te informeren dat de behandeling van de strafzaak niet zou plaatsvinden op de in de dagvaarding genoemde datum, en de verdachte aan die brief niet de verwachting heeft kunnen ontlenen dat hij ter zake van de hem bij die dagvaarding ten laste gelegde feiten niet verder zou worden vervolgd, verweven als dat oordeel is met aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie tegen beslissing op beklag ex art. 552a Sv, tijdig doen van een nieuw rechtshulpverzoek ter verlenging van het beslag

Hige Raad 23 oktober 2012, LJN BX693o Achtergrond

De Rechtbank te Haarlem heeft bij beschikking van 6 oktober 2011 het klaagschrift van klaagster strekkende tot teruggave aan haar van een onder klaagster in beslaggenomen personenauto, gegrond verklaard.

Door de Officier van Justitie is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het gaat in deze zaak om de inbeslagneming van een personenauto door de justitiële autoriteiten van Litouwen naar aanleiding van een Nederlands rechtshulpverzoek. Centraal in de onderhavige zaak staat de vraag of de inbeslagneming telkens, zoals op grond van het Litouwse recht vereist is, tijdig is verlengd. Het middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank daarover niet begrijpelijk is.

De bestreden beschikking houdt op dit punt het volgende in:

"Beoordeling Vast is komen te staan, dat bedoelde personenauto op 18 mei 2010 op rechtmatige wijze onder klaagster in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt. Namens klaagster is er onder meer op gewezen, dat er voor het voortduren van het beslag op die auto geen rechtsgeldige titel (meer) is. Zoals op 25 augustus 2011 al in raadkamer is aangevoerd blijkt uit het dossier niet van een verzoek tot verlenging van de termijn van beperking van eigendomsrechten, welke termijn is ingegaan op 18 mei 2010 of 7 juni 2010, dan wel van een hiertoe benodigd nieuw verzoek tot rechtshulp. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het niet aan de Nederlandse rechter is om het in Litouwen gelegde beslag te controleren en toetsen, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Indien de rechtbank hier anders over oordeelt, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verlenging van de tijdelijke beperking van eigendomsrechten, op grond van artikel 151, lid 6, van het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Litouwen, iedere keer op haar schriftelijk verzoek heeft plaatsgevonden. Hier voegt de officier van justitie aan toe dat, gelet op de aard van het feit, waarvan klaagster wordt verdacht, te weten witwassen, de verlengingen onbeperkt waren gevorderd en verleend. De officier van justitie legt een door haar aan het parket in Litouwen gericht verzoek van 11 november 2010 en een in het Litouws opgesteld stuk over, betreffende de beslissing van Litouwen hieromtrent. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval niet alleen het interstatelijke vertrouwensbeginsel in het geding is, nu voor het voortduren van de beperkingen van het eigendomsrecht van klaagster gelet op de desbetreffende bepalingen in het Wetboek van Strafvordering van Litouwen ook van de zijde van het Nederlandse openbaar ministerie handelingen daartoe zijn vereist. De rechtbank overweegt voorts dat op grond van artikel 151, lid 7, van het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Litouwen bij strafzaken van ernstige of zeer ernstige aard het aantal verlengingen voor een tijdelijke beperking van eigendomsrechten onbeperkt is. Voor het verlengen van een reeds toegestane termijn van beperkingen moet echter van de zijde van het openbaar ministerie tijdig een nieuw verzoek tot rechtshulp worden ingediend. Daarvan is in onderhavig geval niet gebleken. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie slechts een door haar opgesteld schriftelijk verzoek tot verlenging gedateerd 11 november 2010 over gelegd, in het dossier bevinden zich verder geen andere (rechtshulp)verzoeken. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging van de rechtsgeldigheid van de beperking van het eigendomsrecht op de auto van klaagster had het op de weg van de officier van justitie gelegen genoegzaam aan te tonen dat aan de voorwaarden voor het voortduren van deze beperking is voldaan. Nu de officier van justitie ter terechtzitting verder alleen een in de Litouwse taal opgesteld stuk heeft over gelegd, zonder enige vertaling, kan niet worden nagegaan of het eigendomsrecht van klaagster op voormelde auto nog op rechtsgeldige wijze is beperkt, en zo ja, voor welke termijn dit het geval is. De rechtbank zal het beklag van klaagster dan ook gegrond verklaren."

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat in het geval de rechtsgrond van het door de justitiële autoriteiten van Litouwen naar aanleiding van een Nederlands rechtshulpverzoek gelegd beslag is komen te ontvallen, aangezien niet is gebleken dat de Nederlandse OvJ tijdig een nieuw rechtshulpverzoek heeft gedaan ter verlenging van het beslag, de rechter dient te onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en voorts of dit tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden.

De Rechtbank heeft in casu het beklag gegrond verklaard en daartoe overwogen dat de OvJ, die een in de Litouwse taal opgesteld stuk heeft overgelegd, niet genoegzaam heeft aangetoond dat aan de vereisten voor verlenging van het beslag is voldaan. Mede in het licht van hetgeen door de OvJ is aangevoerd, is dat oordeel volgens de Hoge Raad niet begrijpelijk, nu de Rechtbank niet ervan blijk heeft gegeven bij zijn oordeel te hebben betrokken dat en waarom nadere informatie aan het Openbaar Ministerie niet kon worden verzocht.

Het middel slaagt.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte klaagt in cassatie zelf over de niet niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep

Hoge Raad 23 oktober 2012, LJN BX6765 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens

  1. overtreding van art. 8 van de Wegenverkeerswet 1994;
  2. overtreding van art. 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
  3. als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden.

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken (feit 1 en 2) en tot hechtenis voor de duur van 2 weken (feit 3). Voorts heeft het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van (in totaal) 12 maanden (feiten 1, 2 en 3).

Door verdachte is tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte heeft ontvangen in het hoger beroep.

Zoals AG Vellinga terecht opmerkt, lijkt het erio dat het cassatieberoep voornamelijk is ingegeven door de (fors) hogere straf die in appèl aan de verdachte is opgelegd. In plaats van de door de Politierechter opgelegde werkstraf van 36 uren en de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van (in totaal) 10 maanden, legt het hof een gevangenisstraf van 5 weken op en een rijontzegging van (in totaal) 12 maanden.

Het lijkt dus niet een te gewaagde veronderstelling dat de verdachte door het instellen van het onderhavige beroep in cassatie alsnog de realisering van het aan het instellen van hoger beroep verbonden, door hem (aanvankelijk) geaccepteerde risico op een hogere straf poogt ongedaan te maken, aldus Vellinga.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder a, Sv moet het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank Maastricht van 25 maart 2010 aan de verdachte in persoon is uitgereikt, dat de Politierechter op 25 maart 2010 uitspraak heeft gedaan en dat de verdachte eerst op 6 augustus 2010 hoger beroep heeft ingesteld, heeft het hof de verdachte ten onrechte ontvangen in zijn hoger beroep.

Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^