HR: Beklag ex art. 552a Sv, geen vernietiging van gekopieerde digitale gegevens wegens de omvang en ingewikkeldheid van het voortdurende strafrechtelijke onderzoek

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX5510 Feiten

De rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft het beklag van klager ex art. 552a Sv, dat volgens de bestreden beschikking strekt tot opheffing van de door de FIOD in beslag genomen goederen en teruggave daarvan aan klager, alsmede tot vernietiging van digitale gegevens voor zover deze gegevens zijn gekopieerd, ongegrond verklaard.

De rechtbank legt aan deze laatste beslissing ten grondslag dat nu niet is aan te geven welke gegevens van geen betekenis zijn voor het onderzoek en zouden moeten worden vernietigd, gelet op de omvang en ingewikkeldheid van het strafrechtelijke onderzoek en de omstandigheid dat het onderzoek nog voortduurt.

Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking

De Hoge Raad overweegt dat art. 552a Sv niet voorziet in het doen van beklag tegen kennisneming en gebruik van gegevens die zijn ontleend aan inbeslaggenomen voorwerpen. Evenmin kunnen de aan de orde zijnde gegevens op de twee inbeslaggenomen externe harde schijven worden beschouwd als gegevens "opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk".

Hieruit volgt dat de rechtbank de klager ten onrechte heeft ontvangen in zijn klaagschrift voor zover dit betrekking heeft op de gegevens die zich bevonden op twee externe harde schijven die tijdens de doorzoeking in beslag zijn genomen, en daarop heeft beslist.

De Hoge Raad verklaard de klager in zoverre alsnog niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift.

Middel

Het middel komt met diverse klachten op tegen de ongegrond verklaring van het beklag voor zover dat strekte tot vernietiging van de digitale gegevens.

Beoordeling

De Hoge Raad herhaalt de hier aan te leggen en in art. 125n Sv neergelegde maatstaf: Ingevolge deze bepaling worden gegevens die tijdens een doorzoeking zijn vastgelegd vernietigd zodra blijkt dat deze van geen betekenis zijn voor het onderzoek.

De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en daartoe geoordeeld dat gelet op de omvang en ingewikkeldheid van het strafrechtelijke onderzoek en de omstandigheid dat het onderzoek nog voortduurt, nog niet is aan te geven welke gegevens van geen betekenis zijn voor het onderzoek en om die reden zouden moeten worden vernietigd. Daarmee heeft zij volgens de Hoge Raad, anders dan het middel betoogt, de juiste, hiervoor weergegeven maatstaf aangelegd en deze geenszins miskend.

Het middel faalt.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Zaak aansprakelijkheid gemeente Moerdijk kosten bluswater Chemie-Pack moet over

Het hof in Arnhem moet opnieuw onderzoeken of de gemeente Moerdijk aansprakelijk kan worden gehouden voor extra kosten van de opslag  van verontreinigd bluswater van de brand bij Chemie-Pack in 2011. Dit heeft de Hoge Raad vandaag beslist. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof in Den Bosch (LJN BR3933) waarin de gemeente Moerdijk is veroordeeld tot het betalen van deze kosten. Na de grote brand bij Chemie-Pack op 5 januari 2011 is Chemie-Pack door de gemeente Moerdijk opgedragen het op het terrein achtergebleven bluswater op te ruimen. Chemie-Pack heeft daarvoor in eerste instantie het bedrijf Wilchem BV ingeschakeld, maar heeft alle betrokkenen meegedeeld daarvoor niet meer dan € 300.000 te willen betalen. Wilchem heeft het bluswater opgezogen en opgeslagen (onder meer) in een daartoe door haar gehuurd schip. Toen het door Chemie-Pack genoemde bedrag was opgebruikt, moest Wilchem toch verdere kosten blijven maken omdat het bluswater nog niet uit het schip verwijderd was en de huur bleef doorlopen. Die doorlopende kosten hebben Chemie-Pack en de gemeente Moerdijk niet willen betalen. Wilchem vordert in dit kort geding dat Chemie-Pack en de gemeente het bluswater uit het schip verwijderen en eist, in afwachting daarvan, vergoeding van de huurkosten. De voorzieningenrechter in de rechtbank heeft die vorderingen toegewezen, zij het wat de gemeente betreft slechts met betrekking tot een gedeelte van het bluswater.

In het hoger beroep is Chemie-Pack niet meer betrokken geweest. Het hof heeft de vorderingen tegen de gemeente toegewezen wat betreft alle aanwezige bluswater en het vonnis van de voorzieningenrechter voor het overige in stand gelaten. Het hof was van oordeel dat de gemeente tegenover Wilchem onrechtmatig heeft gehandeld door geen bestuursdwang tegenover Chemie-Pack toe te passen (waardoor de opslagkosten (voorlopig) voor rekening van de gemeente zouden zijn  gekomen) of op een andere wijze die kosten te betalen. De gemeente Moerdijk (vertegenwoordigd door mrs. M.W. Scheltema en E.H.P. Brans in Den Haag) is tegen het arrest van het hof in cassatie opgekomen. Wilchem wordt in cassatie bijgestaan door de mrs. J.P. Heering en L. van den Eshof in Den Haag.

Op 1 juni 2012 heeft advocaat-generaal Spier in zijn conclusie (advies) aan de Hoge Raad geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

Uitspraak Hoge Raad

Gesteld al dat de gemeente met bestuursdwang had kunnen optreden met betrekking tot het opgeslagen bluswater, dan zou zij daarmee Chemie-Pack niet hebben kunnen verplichten ook bij de uitvoering van die bestuursdwang Wilchem in te schakelen en meer aan Wilchem te betalen dan de € 300.000. Ook als de gemeente ter uitvoering van bestuursdwang zelf opdracht zou hebben gegeven, was zij niet verplicht geweest die opdracht aan Wilchem te geven. Het oordeel van het hof dat de gemeente, gelet op de ernst van de situatie na de brand, de opslagkosten voor haar rekening diende te nemen in plaats van die voor rekening van Wilchem te laten, moet daarom beter worden gemotiveerd, aldus de Hoge Raad.

Klik hier voor de uitspraak van de Hoge Raad.

Print Friendly and PDF ^

HR: Medeplegen van oplichting, beroep op psychische overmacht

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX6734 Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft geoordeeld dat het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde het strafbare feit medeplegen van oplichting oplevert, maar dat de verdachte niet strafbaar is. Het Hof heeft verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en de plaatsing van de verdachte gelast in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van één jaar.

Kort gezegd komt het erop neer dat verdachte na de dood van zijn vader (20 jr. geleden) de gedachte had dat hij door de geest van zijn vader bezeten was. Verdachte is in 1996 in contact gekomen met een medium (betrokkene 2). Zij deed verdachte geloven dat ze in contact was met zijn overleden vader en dat zij verdachte kon helpen met alle problemen waarmee hij in zijn leven kampte, waaronder dan ook dat zij hem zou helpen zich te verlossen van de geest van zijn vader. Betrokkene 2 zou verdachte echter alleen kunnen helpen als hij al zijn geld aan haar overmaakte, puur om "de geest van zijn overleden vader tevreden te stellen". Als alle problemen opgelost zouden zijn, zou verdachte al het geld dat hij aan haar had overgemaakt, terugkrijgen.

Toen zijn eigen geld op was, diende verdachte anderen om geld te vragen. Nadat hij zelfs leningen had afgesloten om geld naar haar te kunnen overmaken, vroeg verdachte geld aan zijn moeder en later aan betrokkene 1. Betrokkene 2 vroeg om geld en gaf aan op welke wijze verdachte dat moest vergaren. Ook heeft betrokkene 2 zelf contact met betrokkene 1 gehad. Daarbij deed zij zich voor als juridisch adviseur. Betrokkene 1 maakte, aldus verdachte, ook zelf geld over naar betrokkene 2.

Betrokkene 2 bleek deel uit te maken van een in de Verenigde Staten bekende bende van "psychic swindlers". Vanuit alleen al Nederland blijken tussen 1999 en 2004 twintig personen geld naar betrokkene 2 overgemaakt te hebben (in totaal ongeveer € 1000.000,-).

De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte het volgende aangevoerd:

"Strafbaarheid verdachte. De druk die betrokkene 2 op verdachte uitoefende bestond eruit dat zij beweerde dat er hele ernstige dingen zouden gebeuren in het leven van verdachte en zijn naasten als hij niet aan haar verzoek om geld voldeed. Als hij wel voldeed, zou het allemaal goed gaan.

Het ten laste gelegde is een direct gevolg van de druk die betrokkene 2 op verdachte uitoefende. Het is zonneklaar dat verdachte geheel onder de invloed van betrokkene 2 stond. De NIFP deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake zou zijn van een waanstoornis, te weten een beïnvloedingswaan: hij is ervan overtuigd dat hij faalt doordat vader hem beïnvloedt. Beide deskundigen concluderen dat verdachte ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat eerst de vraag naar de psychische overmacht beantwoord dient te worden, voordat de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid aan de orde komt. Immers, bij psychische overmacht gaat het om een ongewone psychische toestand, veroorzaakt door externe omstandigheden. Als iemand (tevens) een ziekelijke stoornis van de geestvermogens heeft, kan die omstandigheid op zichzelf geen zelfstandige betekenis hebben voor het oordeel over de overmacht. Niet ten gunste en niet ten nadele. Als dus psychische overmacht kan worden aangenomen, is de eventuele ziekelijke stoornis juridisch irrelevant.

Verdachte handelde bij het ten laste gelegde onder een van buiten komende, psychische dwang, waar het zich aan onttrekken het gemiddelde weerstandsvermogen van de mens onder dezelfde omstandigheden zou overstijgen. Weerstand bieden was redelijkerwijs niet mogelijk. Het gaat om een sociaal-ethische afweging; wat zou een ander onder dezelfde soort omstandigheden doen? Uiteraard speelt bij de beantwoording van die vraag de persoon van de dader een rol, met andere woorden: "dezelfde soort omstandigheden" betekent ook: in dezelfde psychische toestand. Een combinatie van externe en inwendige factoren sluit psychische overmacht niet uit, zolang het zwaartepunt ligt op de van buiten komende factoren.

De centrale vraag is dan of verdachte betrokkene 1 heeft bewogen tot afgifte van geld, vooral door zijn waanstoornis, of door vooral de druk die betrokkene 2 op hem uitoefende? Naar de mening van de verdediging is in casu de druk die van betrokkene 2 uitging van meer belang geweest op het ten laste gelegde handelen dan de eventuele waan. Verdachte kwam bij betrokkene 2 om zijn probleem, zo u wilt, de waan, op te lossen. Zij heeft echter misbruik gemaakt van de problemen van verdachte en hem zwaar onder druk gezet, waardoor hij uiteindelijk betrokkene 1 geld afhandig heeft gemaakt.

Aan het uiteindelijke delict is echter veel vooraf gegaan. Eerst heeft verdachte zoals gezegd zijn eigen geld aan betrokkene 2 overgemaakt en leningen afgesloten. Zoals verdachte zelf verklaarde heeft hij lang geprobeerd zich ertegen te verzetten geld van anderen (waaronder zijn eigen moeder) te vragen maar, zo verklaart hij zelf: "het was een hele zware druk". Het uiteindelijk bewegen van betrokkene 1 tot afgifte van geld staat in een veel te ver verwijderd verband met de waan. Een direct causaal verband is echter aanwezig met de druk vanuit betrokkene 2.

Betrokkene 2 heeft de eventuele waan van verdachte misbruikt als middel om haar doel te bereiken en om verdachte meer onder druk te zetten. Zonder de waan was het delict wellicht ook wel gepleegd, gezien het feit dat veel meer mensen in de oplichtingpraktijken van betrokkene 2 zijn getrapt. Op hen allen zal door haar forse psychische druk zijn uitgeoefend. Onwaarschijnlijker lijkt dat allen aan een waanstoornis lijden. Nogmaals: zonder de waan zou het delict mogelijk ook zijn gepleegd. Zonder de druk van betrokkene 2 was het feit echter nooit gepleegd. Het directe causaal verband tussen de eventuele waan en het delict ontbreekt dan ook.

Conclusie: Ontslag van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht."

Het bestreden arrest houdt, onder het hoofd "strafbaarheid van de verdachte" het volgende in: "Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat de gedragingen van verdachte, zoals verwoord in de bewezenverklaring, voortkwamen vanuit een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Het hof is van oordeel dat verdachte weliswaar heeft gehandeld onder invloed van een waanstoornis, maar dat deze stoornis geen van buiten komende drang is. Het hof verwerpt derhalve dit verweer.”

Het hof neemt de conclusie van deskundigen wat betreft de toerekenbaarheid over, maakt deze tot de zijne en komt tot het oordeel dat het bewezenverklaarde handelen niet aan verdachte kan worden toegerekend, als gevolg waarvan hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Middel

Het eerste middel komt op tegen de verwerping van het beroep op psychische overmacht. Betoogd wordt dat het Hof niet naar behoren heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende "een beroep op psychische overmacht in verband met de door een derde -en dus van buitenkomende- op verzoeker uitgeoefende drang."

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, miskent het dat het hier een verweer betreft waarop ingevolge art. 358, derde lid, Sv bepaaldelijk moet worden beslist. Voor die beslissing geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van eerstgenoemde bepaling (vgl. HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009/130, rov. 6.3). In zoverre faalt het middel.

Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte heeft gehandeld onder invloed van een waanstoornis en dat deze stoornis geen van buiten komende drang is. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat geen sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd in het licht van het aangevoerde en de door het Hof overgenomen conclusie van de deskundigen.

Het middel faalt.

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly and PDF ^

HR: Veroordeling schenden plicht tot gegevensverstrekking (art. 227b Sr), slagende bewijsklachten

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX5475 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam  veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren wegens medeplegen van het in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming, meermalen gepleegd (art. 227b Sr).

Eerste middel

Het eerste middel klaagt over het bewijs van het weten althans redelijkerwijze moeten vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het middel met toepassing van art. 81 RO.

Conclusie AG

Naar het oordeel van AG Vellinga faalt het middel: “In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen onder meer inhouden dat op de verdachte en haar man verstrekte formulieren (ROF) was aangekruist dat zij niet hebben gewerkt en geen inkomsten hebben genoten en zij er aldus uitdrukkelijk op zijn gewezen dat gegevens omtrent werkzaamheden en inkomsten van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een uitkering kan het bewezenverklaarde voor zover behelzende dat verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van bedoelde uitkering uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.”

Tweede en derde middel

De middelen klagen dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Het tweede middel klaagt dat enkele onderdelen van de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. In de eerste plaats wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en/of inkomsten had uit een hennepkwekerij. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat in geval meerdere alternatieven zijn bewezenverklaard elk van deze alternatieven uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid. In de tweede plaats wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken opzettelijk is geschied.

Het derde middel klaagt dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte opzettelijk geen opgave heeft gedaan van en heeft verzwegen dat haar echtgenoot in het bezit is geweest van een motorboot.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte werkzaamheden heeft verricht in een hennepkwekerij. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat zij een motorboot in haar bezit heeft gehad. Het enkele feit dat haar echtgenoot (en medeverdachte) een motorboot bezat doet daaraan niet af nu het Hof niet tevens heeft vastgesteld dat zij daarvan op de hoogte was.

Voor zover de middelen hierover klagen zijn deze terecht voorgesteld.

 

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly and PDF ^

HR: Strafmaximum bij medeplichtigheid

Hoge Raad 9 oktober 2012, LJN BX5554 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens:

  1. Medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
  2. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Voorts heeft het Hof ter zake van het onder 1. bewezen verklaarde de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 15.875,00 (bestaande uit € 2.375,00 materiële schade en € 13.500,00 immateriële schade), en aan verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd: "Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een overval op de schoonvader van zijn vader, [slachtoffer 1]. De vier medeverdachten zijn de woning van het slachtoffer binnengedrongen en hebben het slachtoffer met een vuurwapen bedreigd, vast getapet en hem ernstig mishandeld. Vervolgens zijn zij met geld en sieraden weer weggegaan waarbij zij het slachtoffer in hulpeloze toestand hebben achtergelaten. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat de overval zeer veel impact heeft gehad op het slachtoffer en dat het slachtoffer ten gevolge van de overval zowel fysiek als geestelijk achteruit is gegaan en niet meer zelfstandig kan wonen.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij de tip heeft gegeven voor deze overval, die bovendien werd gepleegd op een familielid van verdachte."

Eerste middel

Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof bij de straftoemeting ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het door de daders toegepaste geweld, en derhalve is uitgegaan van een te hoog strafmaximum en (kennelijk) niet van het misdrijf dat verzoeker als medeplichtige voor ogen stond, nu verzoeker slechts tipgever was en zijn opzet niet gericht was op het gebruik van geweld. De geweldpleging van de daders had bij de straftoemeting ten aanzien van verzoeker buiten beschouwing moeten worden gelaten.

Beoordeling Hoge Raad

In geval van medeplichtigheid aan een misdrijf komen ingevolge art. 49, vierde lid, Sr bij het bepalen van de straf alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hun gevolgen. Daarbij verdient opmerking dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7932, NJ 2007/553, rov. 3.4).

De door het Hof gebruikte bewijsmiddelen houden niet in dat de verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de overval op de woning met het in de bewezenverklaring sub 1 omschreven geweld gepaard zou gaan. Uit de hierboven weergegeven overweging kan niet worden afgeleid dat het Hof van opzet op dat geweld - al dan niet in voorwaardelijke vorm - bij de verdachte is uitgegaan. Het middel, dat van een andere lezing van de overweging uitgaat, faalt daarom.

Het Hof heeft het op grond van art. 49, vierde lid, Sr toepasselijke strafmaximum voor medeplichtigheid tot diefstal in vereniging, te verhogen met hetgeen art. 57 Sr bepaalt, niet overschreden.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Tweede middel

Het tweede middel keert zich tegen de beslissing van het Hof dat verzoeker met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor het gehele schadebedrag, terwijl zijn aandeel als medeplichtige in de schade zeer beperkt en beduidend minder is dan dat van de daders.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 36f, tweede lid, Sr bepaalt dat de rechter de maatregel van schadevergoeding kan opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het Hof, dat terecht van hoofdelijke aansprakelijkheid is uitgegaan, kon de betalingsverplichting van de verdachte bepalen op het toewijsbare gedeelte van het vastgestelde bedrag van de schade (vgl. HR 3 december 2002, LJN AE9053, NJ 2003/608).

Voor zover aan het middel de stelling ten grondslag ligt dat de bijdrage van een medeplichtige aan een overval niet in gelijke mate als de bijdrage van de daders de grondslag kan vormen voor vergoeding van door die overval veroorzaakte schade, vindt het geen steun in het recht.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Klik hier voor het volledige arrest.

Print Friendly and PDF ^