HR: Soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36d Sr

HR 2 oktober 2012, LJN BX5268 Essentie

Zonder nadere motivering valt niet in te zien hoe een inbeslaggenomen stiletto kan dienen om een bewezenverklaard vermogensdelict (zonder melding van gewelddadigheid) te begaan of voor te bereiden.

Middel

Het middel is ingesteld door de verdachte en klaagt over de beslissing van het Hof tot onttrekking aan het verkeer van een aan de verdachte toebehorende sitlleto.

Beoordeling middel

De Hoge Raad begint met beschouwing van de redelijke uitleg van art. 36d Sr en de gebezigde woorden “soortgelijke feiten”. Hieronder dient te worden verstaan feiten, die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling daarvan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht (vgl. HR 6 mei 1997, LJN ZC9322, NJ 1997/665).

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad het door de verdachte begane feit door het Hof als diefstal is aangemerkt. In aanmerking genomen dat de bewezenverklaring van dit feit geen melding maakt van enige vorm van gewelddadigheid, valt zonder nadere motivering niet in te zien hoe de inbeslaggenomen stiletto kan dienen om een vergelijkbaar vermogensdelict te begaan of voor te bereiden.

Echter kan het middel niet tot cassatie leiden wegens gebrek aan belang, daar het voorhanden hebben van de stiletto door het bekrachtigde vonnis als zelfstandig feit is bewezenverklaard, moet het ervoor worden gehouden dat na vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre geen andere beslissing ten aanzien van dit inbeslaggenomen voorwerp kan volgen dan onttrekking aan het verkeer krachtens art. 36c, aanhef en onder 2°, Sr.

Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Door Mirjam Levy

Print Friendly and PDF ^

HR ambtshalve: OM is nog slechts voor wat betreft een deel van de tenlastegelegde periode ontvankelijk in zijn vervolging

Hoge Raad 2 oktober 2012, LJN BX5112 Feiten

Verzoeker is bij arrest van 16 november 2010 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wegens:

Feit 1 en 2: het als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd en als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd, art. 363  Sr en

Feit 3: opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd, art. 272 Sr.

Voorts heeft het Hof verzoeker veroordeeld tot een taakstraf.

Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Hetgeen onder feit 3 is strafbaar gesteld in art. 272 Sr Op het misdrijf van art. 272 Sr is een gevangenisstraf van een jaar gesteld.

De feiten zijn volgens de tenlastelegging begaan in de periode van 9 juli 1999 tot en met 9 juli 2005. Op grond van art. 70, aanhef en onder 2°, Sr in verbinding met het tweede lid van art. 72 Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Uit het vorenstaande vloeit dan ook rechtstreeks voort dat het Openbaar Ministerie nog slechts wat betreft een deel van de tenlastegelegde periode ontvankelijk is in zijn vervolging van het onder 3 tenlastegelegde. De bestreden uitspraak kan daarom wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging niet in stand blijven.

Op grond van art. 70 sub 2 jo 72 Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval maximaal twaalf jaar (twee maal zes jaren).

Het OM is nog slechts een deel van de tenlastegelegde periode ontvankelijk in zijn vervolging.

De Hoge Raad vernietigd de uitspraak voor het tenlastegelegde in de ‘verjaarde periode’ en de strafoplegging daarbij.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: De schatting van het w.v.v., alsmede de betalingsverplichting, moeten in een concreet bedrag zijn uitgedrukt

HR 2 oktober 2012, LJN BX4704 Feiten

Verdachte is een verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vermeerderd met het vervolgprofijt vanaf de datum van inbeslagneming.

Namens het openbaar ministerie heeft mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend advocaat-generaal bij het Hof, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten het als vervolgprofijt aan te merken door veroordeelde te betalen bedrag te bepalen op een concreet, in euro’s uitgedrukt bedrag.

Oordeel HR

De Hoge Raad herhaalt zijn overwegingen uit een eerder arrest (LJN BL1454). De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, dient de schatting van dat voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting uit te drukken in een concreet bedrag. Omtrent de hoogte van dat bedrag zal bij de betrokkene en het OM als executerende instantie geen misverstand mogen bestaan. Daarom kan niet worden aanvaard dat het concrete bedrag pas bij de executie wordt bepaald. Het hof heeft hier niet aan voldaan, omdat het vervolgprofijt niet in een concreet geld bedrag is uitgedrukt.

De uitspraak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Door Annoeska Rubbens

Print Friendly and PDF ^

HR stelt prejudiciële vragen over prospectusplicht op executoriale verkoop van effecten

Hoge Raad 28 september 2012, LJN BW7006 (Civiele Kamer) De Hoge Raad zal allereerst aan het HvJEU de vraag voorleggen of art. 3 lid 1 van de Prospectusrichtlijn zo moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen prospectusplicht in beginsel (dat wil zeggen afgezien van de in de richtlijn opgenomen vrijstellingen en uitzonderingen voor bepaalde gevallen) ook van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten.

Indien de Prospectusrichtlijn in beginsel ook van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten, rijst vervolgens de vraag of de vrijstellingsbepaling van art. 53 lid 2 Vrijstellingsregeling Wft van toepassing is.

De Hoge Raad stelt daartoe de volgende vragen:

(a) Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, dient dan het begrip "de totale tegenwaarde van de aanbieding" als bedoeld in art. 1 lid 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn, aldus te worden uitgelegd dat bij een executoriale verkoop van effecten uitgegaan moet worden van de, met inachtneming van het bijzondere karakter van een executieverkoop, redelijkerwijs te verwachten opbrengst, ook indien de redelijkerwijs te verwachten opbrengst aanzienlijk onder de waarde in het economisch verkeer ligt?

(b)Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, maar het antwoord op vraag 2(a) ontkennend luidt, hoe moet dan "de totale tegenwaarde van de aanbieding" als bedoeld in art. 1 lid 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn uitgelegd worden, in het bijzonder bij een executoriale verkoop van effecten?

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Spreekrecht moeder overledene, artt. 302 (oud) en 336 (oud) Sv

Hoge Raad 2 oktober 2012, LJN BX5402 Feiten

Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bijhet vonnis waarvan beroep vernietigd ten aanzien van de strafmotivering en de opgelegde straf, en voor het overige het beroepen vonnis bevestigd. Bij het beroepen vonnis van de Rechtbank te Roermond van 13 november 2009 is verzoeker veroordeeld ter zake van "als getuige van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert, nalaten deze die hulp te verschaffen die hij haar, zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verschaffen kan, terwijl de dood van de hulpbehoevende volgt". Het Hof heeft verzoeker een hechtenisstraf voor de duur van zestig dagen opgelegd, waarvan dertig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op (...) de mate waarin het bewezen verklaarde onherstelbaar verlies en leed teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op (...) de proceshouding van verdachte waardoor bij het hof de indruk is ontstaan dat er bij de verdachte sprake is van wroeging en oprecht berouw; het hof overweegt verder dat er geen causaal verband is gebleken tussen het nalaten van verdachte om terstond hulp te bieden en de dood van het slachtoffer.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft toegestaan dat betrokkene 1 ter terechtzitting in hoger beroep het spreekrecht heeft uitgeoefend, althans dat het Hof ten onrechte bij de strafoplegging de verklaring van betrokkene 1 in aanmerking heeft genomen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt allereerst eerdere jurisprudentie (LJN BR1149) met betrekking tot spreekgerechtigden en de processuele gevolgen indien een persoon ten onrechte als zodanig is aangemerkt:

"3.6.1. Blijkens de wetsgeschiedenis (...) heeft de wetgever de voor- en nadelen van het spreekrecht van slachtoffers zorgvuldig onder ogen gezien en een mogelijkheid geschapen voor het afleggen van een verklaring door een beperkte categorie van nauw betrokkenen teneinde het perspectief van het slachtoffer in het strafproces aan de orde te kunnen laten komen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit bij hem heeft teweeggebracht, ook zonder dat van deze wordt gevergd dienaangaande als getuige - met de daaraan verbonden processuele gevolgen - te verklaren. De wetgever heeft hierbij onder ogen gezien dat de rechter de ter terechtzitting afgelegde verklaring van degene aan wie het spreekrecht is toegekend (en die niet tevens als getuige heeft verklaard) niet voor het bewijs van het tenlastegelegde mag bezigen (vgl. HR 11 oktober 2011, LJN BR2359). De inhoud van die verklaring kan wel enige betekenis hebben bij de straftoemeting. Het is immers aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden om bij de waardering van de feiten en omstandigheden welke hij voor de bepaling van de op te leggen straf van belang acht, te beoordelen in hoeverre hij het verantwoord en juist acht mede gewicht toe te kennen - en in welke mate - aan de bij het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden omstandigheden. Daarbij verdient opmerking dat de rechter het gewicht van de inhoud van de verklaring van het slachtoffer of diens nabestaande als bedoeld in art. 302 (oud) Sv en van de inhoud van de verklaring zal behoren te beperken tot een accentuering van het beeld dat reeds uit het (overigens) verhandelde ter terechtzitting is verkregen. Deze wettelijke regeling strookt met het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (2001/220/JBZ), waarin de lidstaten wordt opgedragen in hun strafrecht een reële en passende rol in te ruimen voor het slachtoffer en waarborgen te bieden voor de mogelijkheid om tijdens de procedure te worden gehoord, zonder dat de bepalingen van het Kaderbesluit verplichten de slachtoffers een behandeling te garanderen die gelijkwaardig is aan die van de procespartijen.

3.6.2. Strikte toepassing van deze wettelijke regeling biedt het voordeel dat omtrent de bijzondere status van de spreekgerechtigde geen onzekerheid bestaat. Het verschaft de slachtoffers, het openbaar ministerie, de verdediging en de rechter duidelijkheid en voorkomt discussie of en aan de hand van welke maatstaven iemand spreekrecht moet worden verleend en wat de gevolgen daarvan zijn. Een uitbreiding van de wettelijke categorie van spreekgerechtigden behoort tot de taak van de wetgever en gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.

3.6.3. Het vorenstaande brengt mee dat de rechter het verzoek van een persoon die niet tot de wettelijke categorie spreekgerechtigden behoort ter terechtzitting een verklaring af te leggen, zal behoren af te wijzen, ook indien de betrokkene (abusievelijk) door het openbaar ministerie is opgeroepen tot het afleggen van een verklaring. Als motivering van die afwijzing volstaat dat die persoon niet tot de in de wet genoemde spreekgerechtigden behoort.

3.7. De vraag is wat het processuele gevolg is van het enkele feit dat, zoals hier, een ander dan de in de wet genoemde spreekgerechtigden niettemin de gelegenheid is geboden ter terechtzitting een verklaring af te leggen omtrent de directe gevolgen die het in art. 302, tweede lid, (oud) Sv bedoelde tenlastegelegde feit bij hem heeft teweeggebracht, zonder dat deze als getuige is beëdigd. Aan de tekst, het doel of de strekking van de wettelijke regeling noch aan de geschiedenis van haar totstandkoming, kan worden ontleend dat vanwege dat enkele feit het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid lijdt. Evenmin zijn zodanig wezenlijke vormen of beginselen van strafprocessuele aard in het geding, dat voor een zware sanctie als de nietigheid van het gehele onderzoek ter terechtzitting plaats is. Daarbij moet worden bedacht dat de onderhavige gang van zaken slechts in niet wezenlijk opzicht verschilt van die waarin een schriftelijke verklaring, ook die van een ander dan de spreekgerechtigde, (door het openbaar ministerie) bij de processtukken is gevoegd en van de inhoud daarvan door de rechter ter terechtzitting mededeling wordt gedaan."

Voor de onderhavige zaak kan aan de in de hiervoor aangehaalde uitspraak bedoelde beperking van de categorie spreekgerechtigden worden toegevoegd dat blijkens de wetsgeschiedenis de wetgever in dezelfde lijn eveneens een beperking heeft aangebracht in de categorie van misdrijven waarbij slachtoffers en nabestaanden van het spreekrecht gebruik kunnen maken. Wat deze laatste beperking betreft, is gekozen voor (alleen) de zeer ernstige misdrijven teneinde een te grote druk op het strafproces te voorkomen.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft het Hof betrokkene 1 in de gelegenheid gesteld een verklaring af te leggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit voor haar als moeder en nabestaande heeft gehad. Het proces-verbaal houdt niet in dat zij als getuige is beëdigd zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied. Weliswaar behoort betrokkene 1 tot de in art. 336, tweede lid, (oud) Sv nader omschreven kring van spreekgerechtigden, maar het tenlastegelegde feit (zowel in de primaire als in de subsidiaire variant) betreft niet een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, noch een van de overige in art. 302, tweede lid, (oud) Sv specifiek genoemde misdrijven.

Deze gang van zaken leidt niet tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. De primaire klacht faalt derhalve.

Het Hof heeft in de strafmotivering in het bijzonder in de volgende passage gerefereerd aan de door betrokkene 1 afgelegde verklaring: "Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op: (...) - de mate waarin het bewezen verklaarde onherstelbaar verlies en leed teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken."

Voor zover het Hof daarmee tot uitdrukking zou hebben gebracht dat het zich baseert op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde mondelinge verklaring van betrokkene 1, geldt het volgende. Hoewel aan de inhoud van die verklaring bruikbaarheid voor de beantwoording van de in art. 350 Sv vermelde vragen moet worden ontzegd, heeft het Hof aan de inhoud van deze verklaring kennelijk slechts een zeer beperkt gewicht toegekend dat niet verder gaat dan een accentuering van het beeld dat reeds uit het dossier was verkregen, terwijl de verdediging de gelegenheid heeft gehad tegen de door betrokkene 1 afgelegde verklaring in te brengen wat zij geraden achtte. Daardoor komt aan het mogelijke gebruik van die verklaring in de strafmotivering een zodanig ondergeschikte betekenis toe, dat ook de subsidiaire klacht van het middel niet tot cassatie behoeft te leiden.

De beide klachten van het middel zijn dus tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG

"Overigens moet mij van het hart dat ik mij heb afgevraagd wat verzoeker ertoe heeft gebracht in deze zaak cassatie in te stellen. Is hij er met de strafoplegging van het Hof al niet genadig van afgekomen? En wat is zijn belang bij het middel? Dat de zaak teruggaat naar het Hof, alleen maar opdat het Hof die nadere concretisering weglaat om vervolgens de opgelegde straf, die al mede is gebaseerd op een overweging die veralgemeniseerd het onherstelbaar verlies en leed voor de nabestaande tot uitdrukking brengt, te handhaven?"

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^