Bewijsklacht, uitleg van "teniet doen van een inschuld". De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van een misslag. Slagende bewijsklacht met betrekking tot pleegplaats.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX3653 Feiten

Verzoeker is bij arrest van 25 januari 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld wegens 1 medeplegen van oplichting en 2 primair medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Eerste middel

Het eerste middel keert zich tegen het onder 1 bewezenverklaarde feit en behelst de klacht dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de woorden "teniet doen van een inschuld" door daaronder (mede) "het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening" te begrijpen, althans dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat sprake is van het 'tenietdoen van een inschuld' in de zin van art. 326 Sr.

Ten laste van verzoeker is onder 1 door het Hof bewezen verklaard dat hij in de periode van 01 juni 2005 tot en met 10 juli 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Zwitserleven en/of UCB Hypotheken BV heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld (te weten het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening) en tot de afgifte van een geldbedrag (Euro 178.000,-), hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid (zoals uit de door verdachte en/of medeverdachte aan de Hypotheekshop BV te Utrecht en/of UCB Hypotheken BV en/of Zwitserleven verstrekte werkgeversverklaring en salarisstrook over de maand juni 2005 blijkt) de hoedanigheid aangenomen van een bonafide werknemer van [A] BV door zich voor te doen alsof hij, verdachte, - een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst bij [A] BV sinds 09 januari 2004 (in de functie van meewerkend voorman) en - een maandsalaris had van (ongeveer) Euro 2.239,00 en - een brutoloon SV (jaarsalaris) had van (ongeveer) Euro 17.345,62 en - de uitbetaling van de hiervoor genoemde salaris/tegoeden plaatsvond op rekeningnummer [001], ten name van hem, verdachte, waardoor Zwitserleven en/of UCB Hypotheken BV werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen laten het volgende beeld zien. ZwitserLeven houdt zich onder meer bezig met het verstrekken van hypothecaire geldleningen als gevolmachtigde van UCB Hypotheken B.V., waarbij UCB Hypotheken als geldschieter optreedt en ZwitserLeven als bemiddelaar. Op 23 augustus 2005 ontving ZwitserLeven een aanvraag voor een hypotheek via een tussenpersoon (de Hypotheekshop). De aanvraag betrof een hypothecaire lening voor een bedrag van € 178.000,- in verband met oversluiting van de hypotheek met betrekking tot een pand te Utrecht. Bij deze aanvraag zijn als bijlagen een werkgeversverklaring van A (ondertekend door betrokkene 1) en een salarisspecificatie aangeleverd. Nadat het acceptatieproces was doorlopen is de hypotheek op 16 november 2005 gepasseerd bij de notaris en is de geldlening door ZwitserLeven dan wel UCB Hypotheken verstrekt. Door informatie van een ambtenaar van de gemeente Eindhoven, afdeling Sociale zaken, is duidelijk geworden dat de schuldenaar sinds 1984 een sociale uitkering heeft gehad via UWV in verband met arbeidsongeschiktheid. Bij het UWV was in het jaar 2005 geen geregistreerd dienstverband van verzoeker bekend. De halfzus van verzoeker, betrokkene 1, heeft op verzoek van verzoeker een werkgeversverklaring en een loonstrook opgemaakt ten behoeve van het oversluiten van de hypotheek. Verzoeker zelf heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij een werkgeversverklaring en loonstrook heeft aangeleverd en dat hij de werkgeversverklaring aan zijn halfzus heeft gevraagd. ZwitserLeven had voornoemde hypothecaire lening nooit geoffreerd als zij had geweten dat er vermoedelijk sprake was van het opgeven van niet juiste gegevens/bescheiden.

Het Hof is gekomen tot bewezenverklaring van het "teniet doen van een inschuld" door (tussen haakjes geplaatst) "het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening". Door de in de bewezenverklaring omschreven oplichtingshandelingen heeft verzoeker ZwitserLeven en/of UCB Hypotheken BV ertoe bewogen dat hij zijn hypotheek kon oversluiten en dat aan verzoeker een geldbedrag van € 178.000,- werd afgegeven. Namens ZwitserLeven is verklaard dat de hypothecaire lening nooit zou zijn geoffreerd als zij had geweten dat er vermoedelijk sprake was van het opgeven van niet juiste gegevens/bescheiden.

Hoge Raad

De bewijsmiddelen houden in dat de verdachte zijn hypotheek wilde oversluiten en daartoe door middel van een valselijk opgemaakte werkgeversverklaring en loonstrook Zwitserleven en/of UCB Hypotheken BV heeft bewogen tot de verstrekking van een hypothecaire lening van € 178.000,-.

De Hoge Raad neemt aan dat als gevolg van een kennelijke misslag de tussen haakjes geplaatste nadere aanduiding "te weten het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening" in de bewezenverklaring van feit 1 is opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft 's Hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden.

AG Hofstee over "teniet doen van een inschuld"

Met betrekking tot art. 326 Sr is de gangbare opvatting dat men de bestanddelen "het aangaan van een schuld" en "het tenietdoen van een inschuld" ruim moet uitleggen en dat de strafrechter hierbij niet gebonden is aan de civielrechtelijke betekenis van deze begrippen.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 primair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het bewezenverklaarde feit (telkens) te Utrecht is gepleegd.

Hoge Raad

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat, zoals onder 2 is bewezenverklaard, het feit is gepleegd in Utrecht. De motivering van de bewezenverklaring schiet in zoverre dan ook tekort.

Het middel slaagt.

AG Hofstee

Een bewijsmiddel waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker (tezamen en in vereniging met een ander) een werkgeversverklaring en salarisstrook valselijk heeft opgemaakt te Utrecht ontbreekt.

Uit verschillende arresten van de laatste jaren op dit punt volgt dat de Hoge Raad een strenge lijn hanteert. "Wellicht is er blijkens HR 7 juni 2011, LJN BQ3148 sprake van een lichte verruiming, in die zin dat daarin het ontbreken van een pleegplaats werd 'gered' door de korte tijdspanne die was verstreken tussen het moment van aanhouding van de verdachte te Rotterdam en het tijdstip waarop hij zijn medewerking aan het hem bevolen ademonderzoek weigerde alsmede het gegeven dat de desbetreffende opsporingsambtenaren werkzaam waren bij de politie Rotterdam-Rijnmond.

In de onderhavige zaak zie ik echter geen mogelijkheid tot een dergelijke oprekking. Dat zou anders zijn geweest als bijvoorbeeld betrokkene 1 had verklaard dat zij de werkgeversverklaring en de loonstrook in haar woning dan wel bedrijfspand had vervaardigd en duidelijk zou zijn geweest dat deze woning of dat bedrijfspand in Utrecht gelegen respectievelijk gevestigd is. Van een dergelijke verklaring is echter geen sprake. De enige link met Utrecht bestaat hierin dat de hypotheek via De Hypotheekshop te Utrecht is aangevraagd (bewijsmiddel 1) en dat het pand met betrekking waartoe de hypotheek werd overgesloten is gelegen aan de a-straat te Utrecht (bewijsmiddelen 1 en 6). Dat is echter onvoldoende om te komen tot bewezenverklaring van Utrecht als pleegplaats van het bewezenverklaarde feit.”

Print Friendly and PDF ^

Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Afwijking door het Hof zonder opgave van de redenen die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ex art. 359 lid 8 Sv nietigheid tot gevolg.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4434 Feiten

B is een autobedrijf en dealer van A te Aalsmeer. De echtgenoot van verdachte is directeur van B. Verdachte is in dat bedrijf werkzaam; ze ondersteunt de boekhouding van het bedrijf.

Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezen verklaard dat ze samen met een ander (haar echtgenoot) in de periode van oktober 2003 tot en met 5 januari 2004 grote geldbedragen voorhanden heeft gehad in Aalsmeer en Den Haag, terwijl ze moest vermoeden dat die bedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Er is voor een bedrag van miljoenen euro's vanaf bankrekeningen van A telkens geld overgemaakt aan B. Vervolgens is dit geld, althans een groot deel ervan, deels in contanten overgedragen aan betrokkene 1, hoofd boekhouding en automatisering bij A, en deels op een rekening van C op naam van betrokkene 1. Het werd zo gezegd rond gepompt. Betrokkene 1 bleek gokverslaafd. In de kern ontkent verdachte de criminele herkomst van het geld.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2010 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in: "Vast staat dat het geld afkomstig is van A. Vast staat dat betrokkene 1 als "curator", als speciaal voor B aangewezen verantwoordelijk directeur geld mocht overmaken naar B. Overtuigend legt betrokkene 1 uit hoe en wat B moet doen met gelden (zie onder andere de betalingen aan C). Het geld wordt zo ook contant op het kantoor van A of elders overgedragen aan betrokkene 1. Gesteld dient te worden dat cliënte aldus het geld onder de hoede, onder de beschikkingsmacht van A bracht. Het misdrijf was nog niet gepleegd. Het misdrijf werd pas een feit toen betrokkene 1 als financieel directeur het geld daadwerkelijk onttrok, verduisterde, aanwendde voor privédoeleinden. Dat betrokkene 1 al aan verduistering dacht toen hij cliënte verzocht gelden over te maken of contant te brengen, maakt nog niet dat het geld dat cliënte overmaakte of bracht dus afkomstig was van misdrijf. betrokkene 1 had het onwetende B wel als werktuig nodig om zijn praktijken uit te kunnen voeren, maar pas op het moment dat hij de gelden daadwerkelijk zelf onttrok en nadien de frauduleuze boekhoudkundige handelingen verrichtte, is het misdrijf verduistering door hem gepleegd. Kortom vrijspraak dient te volgen nu het geld zolang het onder de beschikkingsmacht van cliënte is geweest nog niet verduisterd was door betrokkene 1." 

Voorts heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting nog het volgende aangevoerd: "De advocaat-generaal stelt dat de wijze waarop de geldbedragen werden rondgepompt, met zich meebrengt dat sprake is van verduistering. De verdediging stelt echter dat betrokkene 1 B heeft gebruikt om geld te kunnen verduisteren. Hij maakte het geld van de rekening van A over naar de rekening van B. Dit geld werd vervolgens weer teruggebracht naar A. Pas nadat het geld naar A was teruggebracht, besloot betrokkene 1 het geld te verduisteren. Het geld is daarmee dus niet afkomstig van een misdrijf. Deze elementen maken, naar het oordeel van de verdediging, dat evenmin sprake is geweest van schuldwitwassen."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat op het moment dat de verdachte de geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overdragen, geen sprake was van gelden "van misdrijf afkomstig".

Hoge Raad

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot het moment van verduisteren en daarmee tot de bewijsbaarheid van "afkomstig waren uit enig misdrijf", kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

Het middel is terecht voorgesteld.

Klik hier voor de gelijkluidende uitspraak in de zaak van de echtgenoot van verdachte, Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4431.

Print Friendly and PDF ^

Het oordeel van het Hof dat de inbeslaggenomen auto vatbaar is voor verbeurdverklaring, aangezien het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan, is niet zonder meer begrijpelijk

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BU7366 Feiten

De bestreden uitspraak houdt als beslissing en motivering van het hof in:

"Beslag De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen personenauto verbeurd zal worden verklaard.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto Volkswagen Golf, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp van welke het onder 2 bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurdverklaren."

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat hij:

"in de periode van 9 mei 2001 tot en met 21 mei 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders - kontakten gelegd en/of onderhouden en/of (onder meer telefonische) afspraken gemaakt en/of ontmoetingen en/of besprekingen gehad en/of informatie verzameld en/of uitgewisseld en/of inlichtingen verschaft en/of berichten en/of boodschappen ontvangen en/of doorgegeven en/of verzonden onder meer over de container(s) (met nummer(s) [002] en/of [001]) en - afspraken gemaakt voor het verder transporteren en/of opslaan van (een) container(s) met daarin cocaïne en - contacten onderhouden met zijn mededader(s) en - gezocht naar perso(o)n(en) met een bedrijf die de container(s) (met nummer(s) [002] en/of [001]) met bananen (met daarin de cocaïne) op kon(den) halen."

Middel

Het middel klaagt over de motivering van de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen personenauto.

Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de inbeslaggenomen auto vatbaar is voor verbeurdverklaring aangezien het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 2 bewezenverklaarde is begaan, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht, zodat de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven.

Advocaat-Generaal Aben

Gelet op de bewezenverklaring, is het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde met behulp van de in het middel bedoelde personenauto is begaan, zonder nadere, doch ontbrekende, motivering niet begrijpelijk. Het middel slaagt.

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkheidverklaring hoger beroep. Het oordeel dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg verdachte tevoren bekend was, is niet zonder meer begrijpelijk.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4747 Feiten

De inleidende dagvaarding is op 11 maart 2010 aan de griffier betekend, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Een afschrift van de inleidende dagvaarding is op 11 maart 2010 naar een adres van (vermoed) feitelijk verblijf, tevens de plaats van aanhouding, gezonden. Vanaf 24 november 2010 staat verdachte op dat adres ingeschreven, conform een door hem eerder geuit voornemen.

Ter zitting in eerste aanleg van 26 maart 2010 is verdachte noch een advocaat verschenen. De rechtbank heeft verstek verleend tegen verdachte. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de benadeelde partij daar onder meer het volgende verklaard: "Ik heb verdachte gisteren gebeld en gesproken. Hij wilde wel wat met mij regelen. Ik heb hem toen gezegd dat het prima is als hij de goederen alsnog levert. Hij vertelde mij niet te weten dat er een zitting was. Ik heb hem toen de brief die ik ontvangen heb nog voorgelezen. Van belang voor mij is wel de verklaring van verdachte dat zijn zoon erbij betrokken was."

De rechtbank heeft op 9 april 2010 vonnis gewezen. Namens verdachte heeft mr. Mulder op 28 mei 2010 hoger beroep ingesteld.

Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 3 maart 2011 houdt in dat verdachte niet verschenen is maar wel zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw, alsmede het volgende: "De voorzitter stelt de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde. De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over. De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven: De benadeelde partij heeft op 25 maart 2010 met verdachte gebeld. Daarbij is de terechtzitting in eerste aanleg ter sprake gekomen. Verdachte heeft gezegd contact met de benadeelde partij te hebben gehad. Ik ben van mening dat het hoger beroep te laat is ingesteld.

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging. Zij deelt mede, zakelijk weergegeven: Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat de benadeelde partij het heeft over een regeling en een zitting. Ik weet niet welke brief de benadeelde partij aan mijn cliënt heeft voorgelezen. Mijn cliënt zegt wel dat hij omstreeks die tijd met de benadeelde partij heeft gesproken. Op 22 maart heeft er een comparitie van partijen plaatsgevonden. Mogelijk ging het om die zitting. Mijn cliënt heeft met de benadeelde partij niet gesproken over de strafzaak. Ook tijdens de comparitie van partijen is niet over de strafzaak gesproken. Ook mr Mulder wist niets van een strafzaak."

Het Hof heeft in zijn arrest ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen: "Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2010 blijkt dat de benadeelde partij heeft medegedeeld dat hij de dag voor de zitting met verdachte heeft gebeld en hem heeft gesproken. Verdachte heeft hem toen verteld dat hij niet wist dat er een zitting was. De benadeelde partij heeft verdachte toen de brief die hij heeft ontvangen voorgelezen. De brief die door het openbaar ministerie aan de benadeelde partij is verzonden, bevindt zich in het strafdossier. De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof medegedeeld dat haar cliënt rond die tijd inderdaad met de benadeelde partij heeft gesproken. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de benadeelde partij op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg.

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is geruime tijd na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte tevoren bekend was, is gelet op de inhoud van de verklaring van de benadeelde partij zoals gerelateerd in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, alsmede op hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte heeft aangevoerd met betrekking tot die verklaring, niet zonder meer begrijpelijk.

Het middel is gegrond.

Print Friendly and PDF ^

Afwijzing verzoek verdediging tot voeging van stukken bij het dossier

Hoge Raad 11 september 2012, LJN BX4482

Feiten

Bij arrest van 22 september 2010 heeft het Hof Amsterdam verdachte wegens mishandeling veroordeeld.
 
Tijdens een enkelvoudige regiezitting van het Hof op 5 juli 2010 is een verzoek tot het doen van nadere onderzoekshandelingen afgewezen. In een enkelvoudige zitting van 8 september 2010 is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer en met instemming van partijen en is de behandeling door de meervoudige kamer onmiddellijk daarop voortgezet met dien verstande dat de meervoudige kamer het onderzoek opnieuw heeft aangevangen wegens gewijzigde samenstelling van het Hof. Na een verklaring van de verdachte over de feiten, maar nog voorafgaande aan het requisitoir heeft de raadsman om nadere onderzoekshandelingen verzocht (wederom het toevoegen van processtukken aan het dossier althans het horen van getuigen). Het verzoek wordt in het proces-verbaal redelijk uitvoerig weergegeven en enige verwijzing naar een pleitnotitie daarbij ontbreekt. Op het verzoek heeft het Hof afwijzend beslist. Vervolgens heeft verdachte verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden en is er gerekwireerd. De verdachte en de raadsman hebben daarop het woord ter verdediging gevoerd en de raadsman heeft een pleitnotitie overgelegd en de verweren gevoerd zoals weergegeven in verkorte arrest. Bij de stukken bevindt zich een pleitnotitie van de raadsman met onder meer een verzoek tot nadere onderzoekshandelingen.
 
Middel

Het tweede middel klaagt over de onbegrijpelijke, althans onvoldoende motivering van de beslissing van het Hof houdende afwijzing van een verzoek tot nadere onderzoekshandelingen (het horen van getuigen en het voegen van stukken).

Hoge Raad

Het door de verdediging gedane verzoek om processtukken aan het dossier toe te voegen betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv jo art. 331 Sv en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Blijkens zijn overweging dat het Hof afwijst "de verzoeken tot toevoegen van diverse - niet op de onderhavige zaak betrekking hebbende - stukken aan het dossier, nu bij gebreke van toereikende onderbouwing van de verzoeken de noodzaak van het verzochte niet is gebleken", heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd. In aanmerking genomen evenwel dat in het dossier dienen te worden gevoegd de stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin (vgl. HR 7 mei 1996, LJN AB9820, NJ 1996/687), terwijl volgens de pleitnotities de stukken met informatie uit de meldkamer van de avond van 15 april 2008 en informatie over eerdere meldingen van de verdachte aan de politie met betrekking tot de aangever er kennelijk mede toe dienen de aannemelijkheid te toetsen van de feitelijke grondslag van een door de verdachte in te roepen strafuitsluitingsgrond, is 's Hofs afwijzing van het verzoek zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
Print Friendly and PDF ^