Bevestiging Promis-vonnis en aanvulling ex art. 365a lid 2 Sv

Hoge Raad 28 augustus 2012, LJN BX3862
In het dictum van het bestreden arrest heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bevestigd "ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van feit en dader, alsmede ten aanzien van de beslissing inzake de vordering tenuitvoerlegging" en heeft het het vonnis waarvan beroep vernietigd "ten aanzien van de opgelegde straf" en in zoverre opnieuw rechtdoende de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren. 

In een "Aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering", waaraan het volgens de zogenoemde Promis-werkwijze gewezen vonnis van de Rechtbank is gehecht, zijn bewijsmiddelen opgenomen en heeft het Hof overwogen: 


"Het hof heeft zich verenigd met het vonnis waarvan beroep voor wat betreft onder meer de bewezenverklaring en heeft dat vonnis met aanvulling van gronden bevestigd. De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert - tezamen met de reeds in het vonnis aangehaalde bewijsmiddelen, de bewijsoverweging in het vonnis (onder 'vaststaande feiten' en 'het oordeel van de rechtbank') en de aanvulling in het arrest - op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat verdachte hetgeen in het vonnis als bewezen verklaard is aangenomen, heeft begaan." 


Het tweede middel klaagt over de bewijsmotivering doordat het Hof niettegenstaande zijn bevestiging van het promisvonnis van de Rechtbank een aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv heeft opgemaakt. 

Hoge Raad

Het middel berust op de opvatting dat de hiervoor geschetste wijze waarop het Hof het vonnis waarvan beroep op de voet van art. 423, eerste lid, Sv heeft bevestigd met aanvulling van gronden, eraan in de weg staat om de bewijsvoering (tezamen met de in het volgens de zogenoemde Promis-werkwijze gewezen vonnis aangehaalde bewijsvoering en de aanvulling in het arrest) mede te doen steunen op bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een na het gewezen arrest opgemaakte aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. 

Die opvatting vindt geen steun in het recht. De werkwijze die het Hof ten aanzien van de bewijsmotivering heeft gevolgd, komt immers erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet reeds in een terstond uitgewerkt arrest zijn opgenomen, maar klaarblijkelijk in een verkort arrest, dat kan worden aangevuld op de wijze als hier is geschied.
 
Het middel faalt. 


AG Hofstee

Volgens de steller van het middel doet zich hier een situatie voor die in hoge mate vergelijkbaar is met de situatie die leidde tot HR 15 maart 2011, LJN BP1284, NJ 2011/137.  De AG meent dat deze vergelijking mank gaat. In de zaak waar de Hoge Raad zich in zijn arrest van 15 maart 2011, LJN BP 1284 over boog, had het Hof namelijk een verkort arrest gewezen met een aanvulling en had het Hof in die aanvulling slechts volstaan met een opgave van de vindplaatsen van de bewijsmiddelen (met weglating van de inhoud ervan). Dat was niet toegestaan omdat het niet om een bekennende verdachte ging. In die zaak ontbraken dus - anders dan in het onderhavige geval - zowel in het verkort arrest als in de aanvulling daarop een volledige aanhaling van de gebezigde bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden waren ontleend.

Print Friendly and PDF ^

Betekening appeldagvaarding

Hoge Raad 28 augustus 2012, LJN BX4491


Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte bij verstek veroordeeld. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. 

Het middel klaagt dat over het oordeel van het hof dat de appeldagvaarding geldig is betekend. 

Uit de stukken die tot het geding behoren blijkt het volgende. De appèldagvaarding is op 1 februari 2010 rechtsgeldig na controle in de Verwijsindex Personen aan de (waarnemend) griffier van de rechtbank uitgereikt, omdat van verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Voorts is blijkens vermelding op de akte de appèldagvaarding diezelfde dag als gewone brief verzonden naar verdachtes adres in België, zoals vermeld in het GBA als zijnde verdachtes adres sinds 15 januari 2008. Op de akte instellen hoger beroep van 4 juni 2009, inhoudende een door de raadsman namens verdachte ingesteld hoger beroep, staat met een gebruikelijke afkorting vermeld dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft en dat hij domicilie kiest ten kantore van zijn raadsman. 

Ten aanzien van de vraag of een afschrift van de appèldagvaarding naar dat kantooradres is verzonden, bevindt zich in het dossier enkel een handgeschreven aantekening op één van de afschriften van de dagvaarding, inhoudende "Dagvaarding per gewone post verzonden d.d. 1-2-'10" met daaronder een krabbel ten aanzien waarvan niet blijkt door wie deze gezet is. 

Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat de dagvaarding in hoger beroep niet bij aangetekende brief is verzonden aan het adres van de verdachte in België, geeft het blijk van miskenning van art. 5 lid 1 van de EU-Rechtshulpovereenkomst. 

Voor zover het middel klaagt dat die dagvaarding ook niet als gewone brief aan de verdachte is verzonden, mist het feitelijke grondslag. 

Tot de stukken van het geding behoorde een akte van uitreiking, behorend bij een dubbel van de dagvaarding in hoger beroep, inhoudende dat die dagvaarding is uitgereikt op de wijze zoals voorgeschreven in art. 588, derde lid onder c, Sv "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is", alsmede dat deze dagvaarding door het Openbaar Ministerie als gewone brief is verzonden naar het adres van de verdachte in België. 

Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend, geeft derhalve niet blijk van een onjuiste toepassing van art. 588 lid 2 Sv en art. 5 lid 1 van de EU-Rechtshulpovereenkomst.

Anders dan de AG Vegter is de Hoge Raad van oordeel dat het middel geen klacht bevat met betrekking tot de naleving van art. 588a Sv.  

Het middel faalt. 

Print Friendly and PDF ^

Economische zaak, Salduz, art. 81 RO

Hoge Raad 28 augustus 2012, LJN BX3868


Met het (tweede) middel wordt geklaagd dat het hof de bewezenverklaring van feit 2 subsidiair mede heeft gebaseerd op de verklaring die verdachte op 24 november 2004 tegen de arbeidsinspectie heeft afgelegd, terwijl - zoals de raadsman bij het hof als verweer strekkende tot bewijsuitsluiting heeft aangevoerd - voorafgaand aan dat verhoor aan verdachte niet de cautie is gegeven noch de gelegenheid is geboden een advocaat te raadplegen. 

Hoge Raad

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO geen nadere motivering.

AG Machielse

In het onderhavige geval is bij de controle door de arbeidsinspectie op 24 november 2004 geen aangehouden verdachte verhoord. De regel aangaande het consultatierecht voorafgaand aan het eerste verhoor is derhalve niet van toepassing op de verklaring die verdachte tijdens de controle op de werf tegenover inspecteurs van de arbeidsinspectie heeft afgelegd. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof vanwege het gevoerde Salduz-verweer de verklaring niet voor het bewijs had mogen bezigen, faalt het. 

Het middel faalt.
Print Friendly and PDF ^

Tegen een beslissing op een verzoek tot wraking dan wel verschoning staat geen rechtsmiddel open, terwijl in het kader van een cassatieberoep tegen een einduitspraak niet met vrucht kan worden opgekomen tegen zodanige beslissingen, nu de einduitspraak daarop niet mede berust.

Hoge Raad 28 augustus 2012, LJN BX3828 

Het middel beoogt onder meer te klagen dat (de wrakingskamer van) het Hof de in deze zaak gedane wrakings- en verschoningsverzoeken ten onrechte heeft afgewezen. 

Hoge Raad

Tegen een beslissing op een verzoek tot wraking dan wel verschoning staat ingevolge art. 515 lid 5 Sv onderscheidenlijk art. 518 lid 3 Sv geen rechtsmiddel open, terwijl in het kader van een cassatieberoep tegen een einduitspraak niet met vrucht kan worden opgekomen tegen zodanige beslissingen, nu de einduitspraak daarop niet mede berust. 

De klacht moet dus onbesproken blijven. 
Print Friendly and PDF ^

Voor het bewijs voor (voorwaardelijk) opzet in de zin van artikel 67d AWR gelden andere eisen dan het bewijs voor omkering van de bewijslast

HR 22 juni 2012, LJN BV0663
Uit de onderhavige uitspraak blijkt dat er in principe sprake kan zijn van een samenloop van omkering van de bewijslast en opzet. Deze samenloop zal zich kunnen voordoen bij verzwegen omzet. Bij waarderingskwesties ligt deze samenloop een stuk moeilijker, zo blijkt uit onderhavige uitspraak en de voorliggende uitspraak van Hof Arnhem. De belangrijkste les voor belastingadviseurs is misschien wel: schakel een taxateur in, ga op die waarde af, dan haal je het vergrijpboeterisico – mits er geen aanvullende feiten en/of omstandigheden door de Inspecteur worden gesteld – eruit.
De Hoge Raad markeert het verschil tussen omkering van de bewijslast enerzijds en (voorwaardelijk) opzet anderzijds door te wijzen op de volgende verschillen:

I. Op omkering van de bewijslast zijn strafrechtelijke beginselen niet van toepassing (r.o. 4.3.1, derde volzin);

II. Kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, moeten daarom voor de enkelvoudige belasting aan die belastingplichtige worden toegerekend (vgl. HR 23 januari 2009, nr. 07/10942, LJN BD3566, BNB 2009/80). Onder deze ‘hulppersoon’ moet ook worden begrepen de erfgenaam die namens alle erfgenamen aangifte successierecht doet. Sinds Hoge Raad 1 december 2006, BNB 2007/151, FED 2007/43 en NTFR 2006/1710 mogen fouten van een gemachtigde – bij het ontbreken van eigen schuld van een belastingplichtige of inhoudingsplichtige – echter niet meer aan een belastingplichtige of inhoudingsplichtige worden toegerekend.

III. Voor opzet is bewustheid met betrekking tot (de aanmerkelijke kans) op een fout vereist, voor omkering van de bewijslast is voldoende dat de belastingplichtige zich van een – aanzienlijke – fout in de aangifte bewust had moeten zijn.

Voor de Inspecteur geldt als belangrijkste les uit de onderhavige uitspraak dat hij pas (voorwaardelijk) opzet aannemelijk kan maken, indien (cumulatief):

I. Belastingplichtige in zijn aangifte een lagere waarde heeft verantwoord dan de laagst aannemelijke waarde en

II. De Inspecteur met alle waardedrukkende factoren in voldoende mate met een voldoende feitelijke onderbouwing rekening heeft gehouden.
Print Friendly and PDF ^