Voor het bewijs voor (voorwaardelijk) opzet in de zin van artikel 67d AWR gelden andere eisen dan het bewijs voor omkering van de bewijslast

HR 22 juni 2012, LJN BV0663
Uit de onderhavige uitspraak blijkt dat er in principe sprake kan zijn van een samenloop van omkering van de bewijslast en opzet. Deze samenloop zal zich kunnen voordoen bij verzwegen omzet. Bij waarderingskwesties ligt deze samenloop een stuk moeilijker, zo blijkt uit onderhavige uitspraak en de voorliggende uitspraak van Hof Arnhem. De belangrijkste les voor belastingadviseurs is misschien wel: schakel een taxateur in, ga op die waarde af, dan haal je het vergrijpboeterisico – mits er geen aanvullende feiten en/of omstandigheden door de Inspecteur worden gesteld – eruit.
De Hoge Raad markeert het verschil tussen omkering van de bewijslast enerzijds en (voorwaardelijk) opzet anderzijds door te wijzen op de volgende verschillen:

I. Op omkering van de bewijslast zijn strafrechtelijke beginselen niet van toepassing (r.o. 4.3.1, derde volzin);

II. Kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, moeten daarom voor de enkelvoudige belasting aan die belastingplichtige worden toegerekend (vgl. HR 23 januari 2009, nr. 07/10942, LJN BD3566, BNB 2009/80). Onder deze ‘hulppersoon’ moet ook worden begrepen de erfgenaam die namens alle erfgenamen aangifte successierecht doet. Sinds Hoge Raad 1 december 2006, BNB 2007/151, FED 2007/43 en NTFR 2006/1710 mogen fouten van een gemachtigde – bij het ontbreken van eigen schuld van een belastingplichtige of inhoudingsplichtige – echter niet meer aan een belastingplichtige of inhoudingsplichtige worden toegerekend.

III. Voor opzet is bewustheid met betrekking tot (de aanmerkelijke kans) op een fout vereist, voor omkering van de bewijslast is voldoende dat de belastingplichtige zich van een – aanzienlijke – fout in de aangifte bewust had moeten zijn.

Voor de Inspecteur geldt als belangrijkste les uit de onderhavige uitspraak dat hij pas (voorwaardelijk) opzet aannemelijk kan maken, indien (cumulatief):

I. Belastingplichtige in zijn aangifte een lagere waarde heeft verantwoord dan de laagst aannemelijke waarde en

II. De Inspecteur met alle waardedrukkende factoren in voldoende mate met een voldoende feitelijke onderbouwing rekening heeft gehouden.
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF