HvJ EU: geen discriminatie bij Europees Aanhoudingsbevel

HvJ EG 5 september 2012, C‑42/11, Joao Pedro Lopes Da Silva Jorge (Grote Kamer)


Achtergrond

Bij in kracht van gewijsde getreden arrest van 3 december 2003 heeft het strafgerecht van Lissabon Lopes Da Silva Jorge tot een gevangenisstraf van 5 jaar veroordeeld voor handel in verdovende middelen. De feiten zijn begaan tussen april 2002 en juli 2002. Op 14 september 2006 heeft deze rechterlijke instantie met het oog op de tenuitvoerlegging van die straf een Europees aanhoudingsbevel tegen Lopes Da Silva Jorge uitgevaardigd. Lopes Da Silva Jorge is na die datum in Frankrijk gaan wonen. Sinds 3 februari 2008 werkt hij op basis van een overeenkomst van onbepaalde duur als regionaal vrachtwagenchauffeur in Frankrijk bij een in die lidstaat gevestigde onderneming. Op 19 mei 2010 heeft Lopes Da Silva Jorge zich naar aanleiding van een telefonische oproep gemeld bij de bevoegde Franse politiediensten, die op dat ogenblik het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer hebben gelegd en hem van zijn rechten in kennis hebben gesteld. Op 20 mei 2010 is Lopes Da Silva Jorge in detentie geplaatst. Bij arrest van 25 mei 2010 heeft de cour d’appel d’Amiens de invrijheidstelling van Lopes Da Silva Jorge bevolen en hem onder rechterlijk toezicht geplaatst.
In het kader van het hoofdgeding betreffende de tenuitvoerlegging van dit Europees aanhoudingsbevel heeft de procureur-generaal van de cour d’appel d’Amiens de overlevering van Lopes Da Silva Jorge aan de uitvaardigende autoriteiten gevorderd op grond dat dit aanhoudingsbevel door deze autoriteiten met naleving van de wettelijke voorwaarden was uitgevaardigd en dat geen van de gronden tot verplichte of facultatieve weigering, die met name in art. 695‑24 van het wetboek van strafvordering zijn neergelegd, van toepassing was. Toen hem werd verzocht een standpunt in te nemen over de betekenis van het arrest van het Hof van 6 oktober 2009, Wolzenburg (C‑123/08, Jurispr. blz. I‑9621), betoogde de procureur-generaal van de cour d’appel d’Amiens dat Lopes Da Silva Jorge een beroep mag doen op de Franse wettelijke bepalingen die de voorwaarden regelen waaronder de bevoegde autoriteit de tenuitvoerlegging kan weigeren van een Europees aanhoudingsbevel, dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en dus op art. 695‑24 van het wetboek van strafvordering. Hij wijst er evenwel op dat de grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, waarin dit art. uitsluitend ten aanzien van Franse staatsburgers voorziet, volgens art. 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 facultatief van aard is. Zoals de strafkamer van de Cour de Cassation (Frankrijk) in haar arrest van 7 februari 2007 (nr. 07‑80.162, Bull. Crim. nr. 39) heeft geoordeeld, is art. 695‑24 van het wetboek van strafvordering enkel van toepassing op Franse staatsburgers en op voorwaarde dat de bevoegde Franse autoriteiten zich ertoe verbinden de straf zelf ten uitvoer te leggen.
Lopes Da Silva Jorge heeft de verwijzende rechter verzocht de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren en te gelasten dat zijn gevangenisstraf in Frankrijk ten uitvoer wordt gelegd. In dit verband voert Lopes Da Silva Jorge met name aan dat zijn overlevering aan de Portugese rechterlijke autoriteiten in strijd is met art. 8 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De overlevering zou een onevenredige schending zijn van zijn recht op eerbiediging van zijn privé-, familie- en gezinsleven omdat hij in Frankrijk met zijn Franse echtgenote woont en in die lidstaat op basis van een met een Franse onderneming gesloten overeenkomst van onbepaalde duur als regionaal vrachtwagenchauffeur werkt. Onder verwijzing naar het reeds aangehaalde arrest Wolzenburg, voert Lopes Da Silva Jorge tevens aan dat art. 695‑24 van het wetboek van strafvordering, door de in art. 4, punt 6, van het kaderbesluit 2002/584 bedoelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging aan eigen staatsburgers voor te behouden, laatstgenoemde bepaling niet naar behoren heeft omgezet, aangezien deze bepaling ook toelaat dat deze grond ten aanzien van ingezetenen van de uitvoerende lidstaat wordt ingeroepen. Daarenboven houdt dit een op nationaliteit gebaseerde discriminatie in de zin van art. 18 VWEU in, aangezien het verschil in behandeling tussen eigen staatsburgers en staatsburgers van andere lidstaten, dat door deze nationale bepaling in het leven is geroepen, niet objectief gerechtvaardigd is.
In haar verwijzingsbeslissing vraagt de cour d’appel d’Amiens zich dus af of art. 695‑24 van het wetboek van strafvordering, dat de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor de in art. 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel aan eigen staatburgers voorbehoudt, gelet op het reeds aangehaalde arrest Wolzenburg, verenigbaar is met deze bepaling van het kaderbesluit en met art. 18 VWEU.
Prejudiciële vragen 

Daarop heeft de cour d’appel d’Amiens de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
  1. Verzet het discriminatieverbod van art. [18 VWEU] zich tegen een nationale regeling zoals die van art. 695‑24 van het wetboek van strafvordering, dat de mogelijkheid tot weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, beperkt tot het geval dat de gezochte persoon de Franse nationaliteit bezit en de Franse autoriteiten zich ertoe verbinden zelf tot deze tenuitvoerlegging over te gaan?
  2. Is het beginsel van de tenuitvoerlegging in nationaal recht van de in art. 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584] bedoelde grond tot weigering van de tenuitvoerlegging, overgelaten aan de beoordeling van de lidstaten of heeft het een dwingend karakter, en, meer bepaald, mag een lidstaat een maatregel vaststellen, die een discriminatie op grond van nationaliteit inhoudt?

Beantwoording door het Hof 

Art. 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten en art. 18 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat een lidstaat bij de omzetting van bedoeld art. 4, punt 6, weliswaar kan beslissen de gevallen te beperken waarin de nationale uitvoerende rechterlijke autoriteit kan weigeren een binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallende persoon over te leveren, doch dat hij staatsburgers van andere lidstaten die op zijn grondgebied verblijven of er ingezetenen van zijn, niet volledig en automatisch van de werkingssfeer van dit art. kan uitsluiten, ongeacht de banden die deze staatsburgers met die lidstaat hebben.

Klik
hier voor de volledige uitspraak.
Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG HvJ EU: Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen – Recht op schadeloosstelling van slachtoffers van strafbare feiten



Conclusie van Advocaat-Generaal Sharpston d.d. 15 mei 2012, C-79/11, Giovanardi e.a.
 

Door het Tribunale Ordinario di Firenze is op 22 februari 2011 een verzoek gedaan om een prejudiciële beslissing. Met dit verzoek wordt het Hof verzocht om Kaderbesluit 2001/220 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, meer in bijzonder art. 9 ervan uit te leggen.

 
De vraag rijst of, en zo ja, in hoeverre een slachtoffer van een strafbaar feit niet alleen van de natuurlijke persoon of personen die het strafbaar feit heeft of hebben gepleegd een vergoeding kan verkrijgen van de ingevolge dat strafbaar feit geleden schade, maar ook van een rechtspersoon die volgens het nationale recht van de betrokken lidstaat aansprakelijk wordt geacht voor dat strafbaar feit.

Print Friendly and PDF ^

AG HvJ EU: the EU Charter of Fundamental Rights does not prevent a person from being sanctioned in criminal proceedings for facts in respect of which a final penalty has already been imposed in administrative proceedings for the same conduct


Conclusie van de advocaat generaal Cruz Villalón d.d. 12 juni 2012 in de zaak C-617/10, Åkerberg Fransson
In the view of Advocate General Cruz Villalón, the EU Charter of Fundamental Rights does not prevent a person from being sanctioned in criminal proceedings for facts in respect of which a final penalty has already been imposed in administrative proceedings for the same conduct.
Nonetheless, the principle of the prohibition of arbitrariness requires that account be taken of the prior existence of an administrative penalty for the purposes of mitigating the criminal penalty.
Lees hier de volledige conclusie. 

Print Friendly and PDF ^

HvJ EU: Vrij verkeer van personen, richtlijn 2004/38/EG, art. 28 lid 3 sub a, besluit tot verwijdering, strafrechtelijke veroordeling, dwingende redenen van openbare veiligheid

Hof van Justitie van de EU 22 mei 2012, C-348/09 (Grote Kamer)
Ingeval van ‘bijzonder zware criminaliteit’ kan een lidstaat een Unieburger uitzetten, ook al woont hij al meer dan tien jaar in die lidstaat. Wel moet het gedrag van de betrokkene een reële en actuele bedreiging voor de fundamentele belangen van de desbetreffende lidstaat vormen. Dat is o.a. het geval bij iemand die ernstig kindermisbruik heeft gepleegd met gevaar voor recidive.

Hof: Een verwijderingsmaatregel kan alleen worden genomen wanneer het gedrag van de betrokken persoon een reële en actuele bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving of van het gastland vormt. In de regel vereist deze vaststelling dat de betrokken persoon een neiging vertoont om dit gedrag in de toekomst voort te zetten. Alvorens een besluit tot verwijdering te nemen, moet het gastland de duur van het verblijf van de betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in dat land en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong, in de beschouwing betrekken.


“It remains unfortunate that the Court missed an opportunity to set out in more detail how the national court’s assessment under Article 28 (3) of the Directive should differ from that under the other paragraphs of Article 28.”


Klik hier voor de volledige uitspraak.
Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG HvJ EU: Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, recht op schadeloosstelling van slachtoffers van strafbare feiten


Conclusie van Advocaat-Generaal Sharpston d.d. 15 mei 2012, C-79/11, Giovanardi e.a.  

“De algemene regel die is vastgesteld in het eerste deel van artikel 9, lid 1, van het kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure dient aldus te worden uitgelegd dat wanneer het nationale recht van een lidstaat erin voorziet dat rechtspersonen kunnen worden vervolgd wegens onrechtmatig gedragingen, het feit dat dit recht de aansprakelijkheid voor een dergelijke gedraging als „indirect en subsidiair” en/of „bestuurlijk” kwalificeert, de lidstaat niet vrijstelt van zijn verplichting om dat artikel toe te passen op rechtspersonen ingeval 1) de criteria ter omschrijving van de onrechtmatige gedraging verwijzen naar het strafwetboek, 2) de aansprakelijkheid voor die gedraging noodzakelijkerwijs vereist dat een natuurlijke persoon een onrechtmatige gedraging heeft gesteld en 3) de tegen rechtspersonen gerichte procedures voor de strafrechter worden gebracht, door het wetboek van strafvordering worden geregeld en in beginsel worden gevoegd met de procedures die tegen de van de betrokken onrechtmatige gedraging verdachte natuurlijke persoon of personen worden ingeleid. De in het tweede deel van artikel 9, lid 1, vastgestelde uitzondering op deze algemene regel moet strikt worden uitgelegd. Deze uitzondering kan niet aldus worden uitgelegd dat alle gevallen waarbij een specifieke categorie daders – zoals rechtspersonen – betrokken zijn, van de in het eerste deel van dat artikel vastgestelde algemene regel worden uitgesloten.”

Klik hier voor de volledige conclusie.
Print Friendly and PDF ^