Veroordeelding overtreding artikel 8.40 van de Wet milieubeheer

Gerechtshof Amsterdam 25 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1118

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 28 april 2010 te Wijdewormer, in de gemeente Wormerland, als degene die een inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit landbouw milieubeheer, opzettelijk er niet voor heeft zorg gedragen dat één of meer voorschriften die zijn opgenomen in het bij het genoemde besluit behorende bijlage werden nageleefd, immers:

  • werden afvalstoffen, te weten oud hooi, vele stukken gescheurd plastic, doek en zeil, kromme metalen spanten, oude balken, oude autobanden, afsnijstroken van isolatiemateriaal, onbruikbaar bouwmateriaal en/of oude, kapotte keukenkastjes, niet op een zodanige wijze opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu werden voorkomen en/of werden geen maatregelen getroffen waarbij gescheiden afgifte mogelijk bleef (vs. 1.3.4) en/of
  • was het verbod op roken en open vuur in de loods, gelegen aan de noordoostelijke zijde van het terrein, waarin brandbare vloeistoffen werden opgeslagen en/of gebruikt, nergens duidelijk aangebracht (vs. 1.6.1) en/of
  • vond de opslag van gevaarlijke stoffen en/of andere vloeibare bodembedreigende stoffen, te weten tenminste 110 liter, in elk geval een zekere hoeveelheid, olie opgeslagen in een houten kast en/of een emmer gevuld met ongeveer 10 liter afgewerkte olie, niet plaats boven een ten minste vloeistofkerende vloer en/of in een vloeistofdichte lekbak, welke vloeistofkerende vloer samen met wanden, drempels en/of opstaande randen een vloeistofkerende opvangvoorziening vormde (vs. 2.6.2) en/of
  • voldeed de opslag in een bovengrondse tank van huisbrandolie en/of gasolie en/of lichte stookolie, niet aan richtlijn PGS 30, immers waren een vijftal kunststoffen mobiele bovengrondse opslagtanks, zogenaamde IBC's elk met een inhoud van 1000 liter, welke geheel en/of gedeeltelijk waren gevuld met gas- en/of dieselolie en/of diesel-biodieselblend, niet voorzien van een geïntegreerde lekbak (vs. 2.6.8) en/of
  • was de inrichting niet ordelijk en/of werd de inrichting niet regelmatig schoongemaakt en/of verkeerde de inrichting niet in goede staat van onderhoud, immers lagen verspreid over het terrein van de inrichting en/of in de loods gelegen op het terrein oud hooi, vele stukken gescheurd plastic, doek en zeil, kromme metalen spanten, oude balken, oude autobanden, afsnijstroken van isolatiemateriaal, onbruikbaar bouwmateriaal en/of oude, kapotte keukenkastjes (vs. 3.1.1).

Partiële vrijspraak

Het hof zal de verdachte vrijspreken voor zover het betreft het onder het eerste en het derde gedachtestreepje tenlastegelegde en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van het onder het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde overweegt het hof dat niet kan worden bewezen verklaard dat door de wijze waarop de verdachte de afvalstoffen heeft opgeslagen, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Gelet hierop, zal het hof de verdachte voorts vrijspreken van het nalaten maatregelen te treffen waarbij gescheiden afgifte mogelijk bleef. Dat dergelijke maatregelen worden getroffen is blijkens het voorschrift waarop dit deel van de tenlastelegging ziet, te weten voorschrift 1.3.4, slechts vereist voor zover nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden voorkomen, zodat met het oordeel dat niet kan worden bewezen dat die nadelige gevolgen konden ontstaan, de verdachte ook van dit deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het derde gedachtestreepje is het hof van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de aangetroffen stof olie betreft.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het tweede en het vierde gedachtestreepje van het tenlastegelegde is het hof van oordeel, dat uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in twee instanties, onvoldoende concreet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat olie aanwezig was in de bovengrondse opslagtanks, de zogenaamde IBC 's. Bij deze stand van zaken kan niet worden bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk de voorschriften 1.6.1 en 2.6.8 heeft overtreden. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van het opzettelijk handelen.

Ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje van het tenlastegelegde is het hof van oordeel dat, nu de verdachte ten overstaan van de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg op 12 juli 2011 heeft verklaard dat hij wist dat de door hem gedreven inrichting niet ordelijk was omdat er grote hoeveelheden afval, hout en metalen lagen, sprake was van opzettelijk handelen.

Bewezenverklaring

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Huisvesting legkippen i.s.m. art. 4 Legkippenbesluit 2003. Verweer niet-ontvankelijkheid OM, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen, verworpen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1860

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2012 tot en met 31 juli 2012 te Venhorst, gemeente Boekel, althans in Nederland, een hoeveelheid legkippen heeft gehuisvest en/of verzorgd, terwijl dit niet overeenkomstig de artikelen 4 en/of 7 en/of 8, eerste en/of tweede lid, en/of 9 en/of 10 van het Legkippenbesluit 2003 geschiedde, aangezien de dieren werden gehouden in (een) niet-aangepaste kooi(en) (traditionele legbatterij(en)).

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen.

Ter onderbouwing van het niet-ontvankelijkheidsverweer heeft de verdediging (in eerste termijn in hoger beroep, ter terechtzitting van 9 april 2015) - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft onrechtmatig gehandeld, door in strijd met het gelijkheidsbeginsel het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op de 'recurrent testbedrijven' van betrokkene 1, terwijl verdachte wel aan dat besluit gebonden is. De omstandigheid dat deze testbedrijven deelnemen aan het fokprogramma van betrokkene 1 met als doel nieuwe legpluimveelijnen voort te brengen met verbeterde eigenschappen, waartoe het gedrag van de legkippen op die bedrijven wordt geregistreerd, rechtvaardigt dit onderscheid niet. Evenals verdachte houden deze testbedrijven immers legkippen die consumptie-eieren produceren voor de markt. De testbedrijven zijn derhalve concurrenten van verdachte.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang onder deze omstandigheden een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. Om dezelfde reden is de beslissing van het openbaar ministerie om verdachte wel en de testbedrijven niet te vervolgen ter zake van overtreding van hetzelfde feit onrechtmatig, althans is dit vervolgingsbeleid in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het gelijkheidsbeginsel c.q. het verbod van willekeur, althans komt dit vervolgingsbeleid in strijd met de goede procesorde.

Na het wijzen van het tussenarrest door het hof d.d. 23 april 2015 heeft de verdediging ter terechtzitting van 17 maart 2016 nog gewezen op de herziene beslissing van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 18 augustus 2015 waarin de bezwaren van verdachte tegen het nadere besluit op bezwaar alsnog gegrond zijn verklaard en het bestreden besluit is herroepen.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Na de inhoudelijke behandeling van de zaak op 9 april 2015 heeft het hof het onderzoek bij tussenarrest van 23 april 2015 heropent, teneinde nader onderzoek te laten verrichten.

Voor het hof was onder andere onvoldoende duidelijk of de in een brief van de directeur Agroketens en Visserij van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neergelegde afspraak om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op ‘recurrent’ testbedrijven van betrokkene 1 zich uitstrekte tot de ‘recurrent testbedrijven’ in zijn geheel of alleen tot de stallen waarin de testkippen worden gehouden. Daartoe achtte het hof ten eerste noodzakelijk dat in een aanvullend proces-verbaal antwoord zou worden gegeven op de in het tussenarrest opgenomen vragen aangaande de bedrijfskenmerken van de ‘recurrent testbedrijven’ in Nederland.

Naar aanleiding hiervan is een aanvullend proces-verbaal opgesteld door J.P.H.M. Vorstermans en M.P.G.M. Martens, beide ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, tevens BOA, d.d. 16 november 2015.

Hieruit is het navolgende gebleken.

Op het moment van het opmaken van voornoemd aanvullend proces-verbaal waren er 10 ‘recurrent testbedrijven’ van betrokkene 1 in Nederland met een gezamenlijke capaciteit van 211.368 testdieren. Van de 10 testbedrijven zijn er vier bedrijven met zowel ‘recurrent teststallen’ als reguliere stallen met legkippen. Alleen de aantallen legkippen die vermeld zijn op de lijst als verblijvende in de ‘recurrent teststallen’ zijn onderdeel van het fokprogramma. Het besluit van de toenmalige Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op bepaalde bedrijven, geldt dan ook alleen ten aanzien van de aanwezige legkippen in de ‘recurrent teststallen’ van de ‘recurrent testbedrijven’ die onderdeel zijn van het fokprogramma. In zes van de tien bedrijven zijn dat ook de enige stallen op het bedrijf. De eieren die worden geproduceerd in de ‘recurrent teststallen’ gaan het reguliere afzetkanaal in en worden verwerkt tot ei-producten. Deze eieren worden bestempeld met de code 3. Dat wil zeggen dat ze afgezet worden als kooi-eieren.

In Nederland worden per jaar 10.400.000.000 consumptie-eieren geproduceerd. De eieren uit de testbedrijven hebben een aandeel van 0,06% van de totale eierproductie.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat consumptie-eieren grofweg onderverdeeld kunnen worden in 4 categorieën, te weten:

- Code 0: biologische eieren

- Code 1: vrije uitloop eieren (buitenverblijf)

- Code 2: scharreleieren (binnenverblijf)

- Code 3: kooi-eieren (legbatterij)

Voorts is het hof gebleken, mede op basis van de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, dat eieren met code 0 de duurste eieren zijn en eieren met code 3 de goedkoopste eieren zijn.

Ten tweede achtte het hof noodzakelijk dat ter terechtzitting als getuige zou worden gehoord een door het openbaar ministerie te bepalen in deze materie ingevoegde ambtenaar van het Ministerie van Economische Zaken, teneinde vragen te beantwoorden met betrekking tot de besluitvorming van de toenmalige Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op ‘recurrent testbedrijven’ van betrokkene 1. Ter terechtzitting is als deskundige gehoord dhr. P.J. Kooiman, juridisch adviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zijnde een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Economische Zaken.

Deze deskundige heeft op vragen van het hof het navolgende verklaard:

  • een uitvoerend ambtenaar van het Ministerie van LNV heeft destijds de beslissing genomen om het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op 'recurrent testbedrijven' van betrokkene 1;
  • de toenmalige Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is pas in 2012 in persoon op de hoogte gesteld van voornoemde beslissing;
  • de uitzondering is niet in het Legkippenbesluit 2003 zelf opgenomen;
  • het niet van toepassing verklaren van het Legkippenbesluit 2003 geldt uitdrukkelijk alleen voor de ‘recurrent teststallen’ waar de ‘recurrent tests’ worden gehouden. De overige - reguliere - stallen van de aangewezen ‘recurrent testbedrijven’ (voor zover aanwezig) zijn wel gebonden aan de voorschriften van het Legkippenbesluit 2003;
  • in het kader van de naleving van het Europese legbatterijverbod in 2012 zijn alle pluimveebedrijven in Nederland gecontroleerd;
  • de 'recurrent testbedrijven' hebben een geheel eigen wijze van bedrijfsvoering. Een gedeelte van de inkomsten van deze bedrijven wordt namelijk voorzien door betrokkene 1. De pluimveehouder van een 'recurrent testbedrijf' moet allerlei data verzamelen over de betreffende legkippen die deelnemen aan het fokprogramma, waarvoor een aparte vergoeding wordt afgegeven. Dat de eieren van de legkippen uit de ‘recurrent teststallen’ op de markt komen is een bron van inkomsten, maar dat is om verspilling van voedsel te voorkomen. Het is niet het primaire doel van deze bedrijven om zoveel mogelijk eieren op de markt te brengen. Het primaire doel ziet op het algemene belang om nieuwe, verbeterde legpluimveelijnen voort te brengen. De eieren worden afgezet als code 3 eieren. Eieren met deze code worden over het algemeen slechts verkocht als ei-producten voor de industrie.

Door de verdediging is een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, kort gezegd omdat de ‘recurrent testbedrijven’ concurrenten van verdachte zijn, doordat zij – evenals verdachte – consumptie-eieren voor de markt produceren, terwijl zij zich voor wat betreft de huisvesting van de legkippen niet hoeven te houden aan de voorschriften van het Legkippenbesluit 2003 en hen is toegestaan de legkippen te houden in traditionele legbatterijen.

Het hof stelt ten aanzien van het door de verdediging aangevoerde verweer dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen, het volgende voorop.

Krachtens het in artikel 167, eerste lid, Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich volgens de staande jurisprudentie slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het gelijkheidsbeginsel, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Ten aanzien van deze, tot terughoudendheid nopende, maatstaf gelden voor de rechter bij een eventuele beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie zware motiveringseisen. Daarbij dient een afweging plaats te vinden tussen het standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van het belang bij de onderhavige strafvervolging en de door de verdediging aangevoerde omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat de vervolgingsbeslissing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Oordeel hof

Met betrekking tot de onderhavige zaak overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof is bij de strafvervolging van verdachte geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel c.q. het verbod op willekeur, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat gesproken kan worden van gelijke gevallen. Het hof stelt daarbij voorop dat het niet van toepassing verklaren van het Legkippenbesluit 2003 uitdrukkelijk alleen geldt voor de ‘recurrent teststallen’ die onderdeel zijn van het genoemde fokprogramma. In tegenstelling tot hetgeen waar de verdediging vanuit is gegaan zijn de overige - reguliere - stallen van de ‘recurrent testbedrijven’ wel gehouden aan het Legkippenbesluit 2003. In Nederland zijn thans 10 bedrijven die zijn aangemerkt als ‘recurrent testbedrijven’ van betrokkene 1 en verdachte maakt daar geen deel van uit.

Het hof neemt voorts het volgende in aanmerking.

Op grond van de inhoud van het dossier alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat het (toenmalige) Ministerie van LNV in 2010 bereid was het Legkippenbesluit 2003 niet van toepassing te verklaren op de categorie ‘recurrent testbedrijven’ onder de voorwaarden dat het ISA welzijnsverbeterende maatregelen op deze bedrijven zou doorvoeren en er in de 'recurrent testbedrijven' geen 'gangbaar' legpluimvee zou worden gehouden. De hoofddoelstelling van deze ‘recurrent testbedrijven’ is het verkrijgen van gegevens op basis waarvan de zuivere foklijndieren worden geselecteerd voor het voortbrengen van nieuwe, verbeterde legpluimveelijnen. De productie van eieren wordt gezien als een nevendoelstelling en ‘bijproduct’ van de ‘recurrent testbedrijven’. Bij brief van 11 juni 2010 aan het (toenmalige) Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit heeft betrokkene 1 uitgelegd dat deze individuele huisvesting essentieel is voor de vele metingen aan de dieren en voor de realisatie van genetische vooruitgang.

De eieren die worden geproduceerd in de ‘recurrent teststallen’ worden bestempeld met code 3 en komen op de markt als kooi-eieren oftewel als eieren met de laagste prijs ten opzichte van de overige categorieën eieren. In die zin kan ook niet gesproken worden van concurrentievervalsing.

De omstandigheid dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat het besluit tot stillegging van het bedrijf van verdachte een schending van het gelijkheids-beginsel oplevert, maakt niet dat de beslissing van het openbaar ministerie om verdachte wel en de testbedrijven met ‘recurrent teststallen’ niet te vervolgen ter zake van overtreding van hetzelfde feit onrechtmatig is. Voor de ‘recurrent teststallen’ is immers een specifieke met een gedoogsituatie te vergelijken uitzondering in het leven geroepen voor wat betreft de handhaving van het Legkippenbesluit 2003 die voor de verdachte niet gold.

Voorwaardelijk verzoek

Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om – indien gewenst –nader onderzoek te laten verrichten naar de vraag of eieren die door de testbedrijven worden geproduceerd niet in het consumentenkanaal terecht zijn gekomen, overweegt het hof het volgende.

Het hof wijst dit verzoek af, nu de noodzaak tot nader onderzoek niet is gebleken. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof zich op dit punt voldoende voorgelicht.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

  • Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

  • Geldboete van € 5.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraken in zaak asbestsanering in woningen in 2011

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1635, ECLI:NL:GHAMS:2016:1637, ECLI:NL:GHAMS:2016:1639, ECLI:NL:GHAMS:2016:1636, ECLI:NL:GHAMS:2016:1638

In juni en juli 2011 zijn in diverse woningen en garages aan de adres 2 te Hilversum asbestsaneringswerkzaamheden verricht. Het beheer van adres 2 1 tot en met 40 en 71 tot en met 79 was sinds 1 januari 2010 in handen van bedrijfsnaam 1 is bij controle door bewoners op de hoogte gebracht van de aanwezigheid van asbest. Naar aanleiding van een inventarisatie uit 2003 van adres 2 78, waarbij een globale asbestinventarisatie in alle ruimten was uitgevoerd en waaruit bleek dat er in de woning visueel duidelijk asbest aanwezig was in plaatmateriaal tegen het dak (2 m2), in (door doorvoer van een CV-leiding beschadigd) plaatmateriaal tegen het traphek (1 m2), alsmede in plafondplaten in de garage (24 m2), is vervolgens besloten om alle woningen op deze locaties op asbest te laten onderzoeken en te saneren.

De asbestsaneringswerkzaamheden zijn verricht door of in opdracht van bedrijfsnaam 2, een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf dat – via bedrijfsnaam 3 en onder verwijzing naar de asbestinventarisatie uit 2003 – opdracht had gekregen tot het saneren van de asbesthoudende beplating rondom de CV op zolder bij de 49 woningen en van de plafondbeplating in de garage van 15 woningen aan de adres 2.

Voorafgaande aan de verwijdering van asbesthoudend materiaal heeft bedrijfsnaam 4, gecertificeerd voor asbestinventarisatie (SC 540), in opdracht van bedrijfsnaam 2 op de specifieke locaties in de woningen en garages een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbesthoudende/-verdachte materialen. Bij dit onderzoek werd beplating aangetroffen die amosiet bevatte, waarbij het asbest in niet-hechtgebonden vorm aanwezig was. De verdachte is in opdracht van bedrijfsnaam 2 als deskundig toezichthouder asbestverwijdering (DTA) opgetreden bij deze sanering. Die werkzaamheden hielden in dat hij doorlopend toezicht diende te houden op de daadwerkelijke verwijdering van het asbesthoudende materiaal en verantwoordelijk was voor het aan de hand van de door bedrijfsnaam 4 uitgevoerde inventarisatie opgestelde werkplan opbouwen van de afgeschermde ruimtes waarbinnen asbesthoudend materiaal diende te worden verwijderd (containments) in de woningen en garages en het na vrijgave door de laboranten van bedrijfsnaam 4. weer afbreken en verwijderen van de containments. De verdachte deed tenslotte als DTA-er de visuele eindbeoordeling nadat de laboranten van bedrijfsnaam 4. na visuele inspecties en luchtmetingen de containments in de woningen en de garages hadden vrijgegeven en het containment was afgebroken.

Vrijspraken

In een vijftal zaken volgt vrijspraak voor het ten laste gelegde:

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1635

De verdachte was als deskundig toezichthouder asbestverwijdering (DTA-er) verantwoordelijk voor doorlopend toezicht op de verwijdering van het asbesthoudend materiaal en voor het opbouwen en afbreken van containments waarbinnen dit materiaal diende te worden verwijderd.
Niet wettig en overtuigend is bewezen dat in de containments na vrijgaven visueel zichtbaar asbestmateriaal aanwezig was dan wel dat vanuit de ruimtes binnen de containments asbestvezels in de lucht zijn gebracht, waardoor gevaar te duchten is geweest. Voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte asbesthoudend materiaal onzorgvuldig heeft verwijderd, achtergelaten en/of afgevoerd waardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1637

De verdachte was als laborant verantwoordelijk voor de vrijgaven van containments nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005).

Niet wettig en overtuigend is bewezen dat in de door de verdachte geïnspecteerde afgeschermde ruimtes (containments) na vrijgaven nog visueel zichtbaar asbestmateriaal aanwezig was. Tevens niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de inspectieformulieren en rapportages (opzettelijk) valselijk heeft opgemaakt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1639

De verdachte was als werkgever van laboranten verantwoordelijk voor de vrijgaven van afgeschermde ruimtes (containments) nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005).

Niet is bewezenverklaard dat de inspecties en vrijgaven onjuist of onzorgvuldig zijn geweest dan wel dat asbest in de lucht of op de bodem is gebracht, waardoor te duchten gevaar is ontstaan. De eventuele aanwezigheid van astbesthoudende materialen buiten de containments kunnen niet aan de verdachte (of diens medewerkers) worden verweten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1636

De verdachte was als laborant verantwoordelijk voor de vrijgaven van containments nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005).

Niet wettig en overtuigend bewezen dat in de door de verdachte geïnspecteerde containments na vrijgaven visueel zichtbaar asbestmateriaal aanwezig was dan wel dat vanuit de ruimtes binnen de containments asbestvezels in de lucht zijn gebracht, waardoor gevaar te duchten is geweest. Voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte inspectieformulieren en rapportages (opzettelijk) valselijk heeft opgemaakt. Vrijspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1638

De verdachte was als laborant verantwoordelijk voor de vrijgaven van containments nadat voldaan was aan de opleveringseisen conform NEN 2990 (2005).

Niet wettig en overtuigend bewezen is dat in de door de verdachte geïnspecteerde afgeschermde ruimtes (containments) na vrijgaven nog visueel zichtbaar asbestmateriaal aanwezig was. Tevens niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de inspectieformulieren en rapportages (opzettelijk) valselijk heeft opgemaakt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Uitspraak in drie ontnemingszaken vastgoedfraude Klimop

Gerechtshof Amsterdam 13 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1884, ECLI:NL:GHAMS:2016:1883 en ECLI:NL:GHAMS:2016:1882 Op 13 mei jl. heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in drie ontnemingszaken in de vastgoedfraude Klimop. Het gaat om ontnemingsvorderingen ingesteld tegen voormalig financieel directeur en ex-controller Olivier L. van projectontwikkelaar Bouwfonds Property Development, de vaste notaris van Van Vlijmen, Jan Carel Kloeck en de assurantietussenpersoon Jimmy K.

Hieronder zijn de uitspraken in eerste aanleg en in hoger beroep schematisch weergegeven:

 

  Olivier L.

 

Kloeck

 

Jimmy K.

 

Vordering OM eerste aanleg  

€ 7.310.745,39

 

 

€ 607.089,00

 

 

€ 963.227,90

 

Uitspraak rechtbank  

€ 6.715.367,37

 

 

€ 500.000,00

 

 

€ 781.715,81

 

Vordering AG hoger beroep  

€ 6.715.367,37

 

 

€ 607.089,00

 

 

€ 963.227,90

 

Uitspraak gerechtshof  

€ 5.823.660,00

 

 

€ 607.089,00

 

€ 339.704,00

 

Lees hier de volledige uitspraken:

 

 

Meer weten? Kom dan op donderdag 8 december 2016  naar de Basiscursus Ontneming.

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Uitspraak ontnemingszaak Kloeck

Gerechtshof Amsterdam 13 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1883 (Kloeck)

In de inleidende ontnemingsvordering heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 607.089,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank heeft in haar vonnis in de ontnemingszaak van 26 mei 2014 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen dit vonnis heeft de veroordeelde hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 607.089,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof overweegt en beslist als volgt.

In de strafzaak is in hoger beroep ten laste van de veroordeelde bewezen verklaard onder 1, dat de veroordeelde - destijds notaris - als medepleger drie geldbedragen uit de bouwprojecten Solaris, Coolsingel en Hollandse Meester heeft witgewassen door die geldbedragen te laten storten op zijn derdengeldrekening. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat ook een vierde geldbedrag van 8.812.639 gulden afkomstig van vennootschap in het project Paasheuvelweg op de derdengeldenrekening is gestort (arrest pag. 6). Daarbij heeft het hof vastgesteld dat de veroordeelde voor het ter beschikking stellen van zijn derdengeldrekening bij aanvang een vergoeding van 1 miljoen gulden heeft afgesproken met de medeveroordeelde en dat de veroordeelde deze met gebruikmaking van valse facturen heeft gedeclareerd (arrest pag. 11, onder 8 en 10). Dit bedrag van 1 miljoen gulden is in het onder 2 bewezen verklaarde aangemerkt als gift waarmee de veroordeelde is omgekocht.

Uit onderzoek door de FIOD is gebleken dat door de veroordeelde uiteindelijk voor in totaal 1,1 miljoen gulden (€ 499.158,00) is gefactureerd. Het hof merkt dit bedrag aan als het wederrechtelijk voordeel, verkregen door middel van, of uit de baten van het onder 1 en (tot een bedrag van 1 miljoen gulden) onder 2 bewezen verklaarde. Voorts acht het hof aannemelijk geworden dat de veroordeelde rente over dit bedrag heeft verkregen ter hoogte van € 107.931,00. Dit bedrag merkt het hof aan als vervolgprofijt.

Het hof verwerpt het verweer dat geen sprake kan zijn van voordeel voor zover door derden ten behoeve van de medeverdachten geld is gestort nádat de veroordeelde de afgesproken vergoeding had gefactureerd en/of ontvangen, en voorts dat “niet voldaan is aan het criterium van art. 36e Sr” voor zover het gaat om de stortingen van vennootschap in het project Paasheuvelweg (conclusie, derde t/m zesde pagina).

Niet de op de derdengeldrekening gestorte bedragen (ongeacht de herkomst, of het moment van storten), maar (alleen) de vergoeding die de veroordeelde ontving voor het ter beschikking stellen van de derdengeldrekening, merkt het hof aan als voordeel omdat de veroordeelde genoemde gestorte bedragen op aanwijzingen van zijn medeveroordeelden aan hen (of hun vennootschappen) moest overmaken zonder daar zelf over te kunnen of willen beschikken. Deze verplichting hield niet op - anders dan waar de verdediging kennelijk van uit gaat - op het moment dat veroordeelde het bedrag van 1,1 miljoen gulden had gefactureerd.

Als gezegd is in de strafzaak vastgesteld dat deze vergoeding bij aanvang is afgesproken. Dat de gefactureerde bedragen die tezamen het bedrag van 1,1 miljoen gulden vormen deels zijn ontvangen op de (reguliere) bankrekening van notariskantoor en deels zijn verrekend met rente die is bijgeboekt op de derdengeldrekening en toe te rekenen is aan de genoemde bedragen en derhalve door de veroordeelde verschuldigd was aan de medeveroordeelden maakt dat niet anders. Het hof heeft in de strafzaak vastgesteld dat de – door de verdediging gestelde – relatie tussen de vergoeding en de rentebaten geheel ontbreekt (arrest pag. 10, eerste alinea). Het onderling verrekenen (met gesloten beurzen afrekenen) van tussen partijen wederzijds verschuldigde bedragen, is een technische financiële handeling door boekhouder boekhouder en kan op zichzelf geen basis zijn voor het constateren van enige inhoudelijke relatie tussen de vergoeding en de rente.

Dat de veroordeelde zijn vergoeding heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn derdengeldenrekening voor niet alleen in de bewezenverklaring van feit 1 opgenomen geldbedragen, maar ook voor het bedrag van fl. 8,8 miljoen uit het project Paasheuvelweg doet er niet aan af dat dit bedrag kan worden aangemerkt als voordeel uit het onder 1 en (grotendeels) onder 2 bewezen verklaarde, te minder nu het hof in de strafzaak ten aanzien van het totale gestorte bedrag van bijna 18 miljoen euro heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat dit van misdrijf afkomstig was (arrest pag. 11 onder 5, en pag. 12). In die zin is tevens sprake van voordeel uit soortgelijke feiten waarvan aannemelijk is dat de veroordeelde die heeft begaan.

Het hof verwerpt voorts het verweer dat door verplichtingen voortvloeiend uit de wet en bepalingen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en het maatschapscontract, de inkomsten vielen in de maatschap en derhalve mede aan de maat zijn toegekomen, waardoor zij niet van (alleen) de veroordeelde in privé kunnen worden ontnomen (pleitnota pag. 1 e.v., conclusie pag. 6 e.v.). Als gezegd heeft de veroordeelde voorafgaand aan het storten van de gelden op de derdengeldenrekening de vergoeding van 1 miljoen gulden met medeveroordeelde afgesproken. De veroordeelde heeft er vervolgens voor gekozen dit bedrag te (laten) factureren op naam van notariskantoor en de vergoeding te laten storten op de bankrekening van de maatschap dan wel gedeeltelijk te verrekenen met de door de gestorte bedragen gegenereerde rente. Naar het oordeel van het hof is onder deze omstandigheden sprake van voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen en dat aan hem kan worden ontnomen. Immers, de veroordeelde kon na zijn afspraak met medeveroordeelde er voor kiezen hoe hij zijn vergoeding wilde ontvangen, heeft voor bovengenoemde weg gekozen en kon aldus feitelijk over het bedrag van 1,1 miljoen gulden beschikken vanaf het moment dat het op de rekening van de maatschap werd overgeboekt of het met de rente werd verrekend. Dat vervolgens ook maat op een deel van dat geld aanspraak kon maken (en daarvan ook een gedeelte heeft verkregen, hetgeen gelijk te stellen is met besteding van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde) doet daaraan niet af. Het hof zal, anders dan de rechtbank, dan ook geen rekening houden met de betalingen die na de verkrijging van voornoemd bedrag aan (onder meer) maat zijn gedaan.

Kosten

De verdediging heeft gesteld - kortweg - dat een percentage van de totale jaarlijkse kantoorkosten dient te worden afgetrokken dat gelijk is aan het percentage dat het verkregen voordeel heeft uitgemaakt van de jaarlijkse omzet (conclusie pag. 15). Naar het oordeel van het hof kan in dit geval echter niet gezegd worden dat met een dergelijke algemene benadering de kosten worden berekend die bespaard zouden zijn gebleven als de strafbare feiten niet waren gepleegd. In de kern genomen gaat het om het ter beschikking stellen van de bestaande derdengeldenrekening en overleg van de veroordeelde met medeveroordeelden, hetgeen geen (additionele) kosten met zich brengt. Daarnaast zijn er door boekhouder facturen gestuurd en betalingen geboekt, maar dat voor deze, of andere werkzaamheden of feitelijkheden, (personeels)kosten zijn gemaakt die daarmee in directe relatie tot de gepleegde delicten zouden staan is door de verdediging niet nader onderbouwd en overigens onvoldoende aannemelijk geworden.

Vorderingen benadeelde partijen

Het hof wijst af het verzoek vorderingen van benadeelde partijen benadeelde 1 en benadeelde 2 in mindering te brengen op de betalingsverplichting (conclusie pag. 17). Gesteld noch gebleken is dat de vorderingen in rechte zijn toegekend.

Draagkracht

Voorts overweegt het hof dat de door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde (conclusie pag. 17) naar het oordeel van het hof niet aanstonds tot de conclusie leiden dat de veroordeelde niet in staat is, of in de toekomst zal zijn, aan na te melden betalingsverplichting te voldoen. Het hof gaat derhalve voorbij aan het verzoek rekening te houden met het ontbreken van draagkracht.

Aan de veroordeelde dient, alles afwegende, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 607.089,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^