Beoordelingskader beïnvloeding verklaringsvrijheid getuige

Gerechtshof Amsterdam 6 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1271 De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot vrijspraak van het onder 1 en 3 ten laste gelegde alsmede van het onder 2 impliciet cumulatief/alternatief ten laste gelegde met betrekking tot medeverdachte 1, derde 1 en derde 2 en tot bewezenverklaring van het onder 2 impliciet cumulatief/alternatief ten laste gelegde medeplegen van belemmeren van de verklaringsvrijheid van getuige. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier kan worden afgeleid dat in de dagen voorafgaand aan het verhoor van getuige op 19 januari 2012 bij de rechter-commissaris, getuige onder druk is gezet met als doel een vooraf gedicteerde valse verklaring af te leggen. Het bewerken van getuige zou hebben plaatsgevonden in de woning van getuige te Sluis op 13 januari 2012, op 17 januari 2012 onderweg van diens woonplaats Sluis naar Amersfoort en op het kantoor van medeverdachte 2 te Arnhem en op 19 januari 2012 onderweg van Amersfoort naar de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam.

De verklaringen van getuige dienaangaande zijn betrouwbaar en worden ondersteund door andere in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen, in het bijzonder door de verklaringen van de medeverdachten medeverdachte 1 medeverdachte 3 en de getuigen man 3 en man 4. De recherche heeft de verklaringen van getuige getoetst en daarvan bevestiging gevonden in historische gegevens van telefoons, camerabeelden en verklaringen van medeverdachten en de latere tapgesprekken. De verklaringen die medeverdachte 1 bij de politie heeft afgelegd zijn betrouwbaar en consistent met de verklaringen van getuige. De latere intrekking door medeverdachte 1 van zijn verklaringen bij de politie komt daarom niet geloofwaardig over.

De periode van beïnvloeding ving aan met het bezoek van verdachte en medeverdachte 1 op 13 januari 2012 aan getuige in Sluis en eindigde enkele weken na de kantoorontmoeting van 17 januari 2012 tussen getuige en verdachte, medeverdachte 2 en medeverdachte 3, aldus de advocaat-generaal.

Daarbij kan de verdachte worden aangemerkt als medepleger van de belemmering van de verklaringsvrijheid van getuige.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De verklaringen van getuige zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. De verklaringen die medeverdachte 1 bij de politie heeft afgelegd kunnen evenmin voor het bewijs worden gebruikt, omdat deze verklaringen sterk wisselen, geen steun vinden in de verklaringen van getuige en medeverdachte 1 meermalen uitdrukkelijk op die verklaringen is teruggekomen, laatstelijk als getuige onder ede ter terechtzitting van het hof op 7 maart 2016. Ook overigens worden de verklaringen van getuige niet ondersteund door andere wettige en overtuigende bewijsmiddelen.

De raadsman heeft in het geval het hof de verklaringen van getuige toch betrouwbaar acht, verzocht opnieuw de psychiater of de huidige psychiater en/of psycholoog van getuige als deskundige te doen horen.

Overwegingen en oordeel van het hof

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem onder 1, 2 impliciet cumulatief/alternatief ten laste met betrekking tot medeverdachte 1, derde 1 en derde 2 en onder 3 is ten laste gelegd, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Met de raadsman en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 impliciet cumulatief/alternatief ten laste gelegde met betrekking tot getuige. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

  • beoordelingskader

Het hof stelt voorop dat artikel 285a Sr niet vereist dat de getuige die wordt benaderd daadwerkelijk in zijn verklaringsvrijheid is belemmerd. Uit de tekst van voornoemd wetsartikel en de wetsgeschiedenis volgt dat voor een bewezenverklaring voldoende is dat komt vast te staan dat de uiting kennelijk was bedoeld om de vrijheid van de betrokken persoon om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden en dat niet is vereist dat die bedoeling ook daadwerkelijk dat effect heeft gehad. Aldus is de strekking van deze bepaling ruim.

Anderzijds dient er voor te worden gewaakt dat ieder zaaksgebonden contact met een persoon die als getuige is of zal worden opgeroepen voor het afleggen van een verklaring ten overstaan van een rechter (of ambtenaar) binnen de werkingssfeer van deze bepaling wordt gebracht. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het in het kader van een goede beroepsvervulling met name voor advocaten niet ongebruikelijk – en soms zelfs aangewezen – is, zich nader te doen informeren omtrent hetgeen waarover een getuige zal kunnen verklaren, indien deze als zodanig zal worden opgeroepen. Immers, zodanige informatie kan van belang zijn bij een in het kader van de verdediging te nemen beslissing om een persoon al dan niet als getuige op te roepen of van een reeds opgeroepen getuige af te zien.

Ervan uitgaande dat in beginsel iedere vorm van (zaaksgebonden) contact een zekere beïnvloeding inhoudt, dient derhalve in concrete gevallen aan de hand van de feiten en omstandigheden te worden vastgesteld of sprake is van een uiting die kennelijk bedoeld is om de verklaringsvrijheid van de getuige te beïnvloeden. Daarvan zal in ieder geval, maar niet uitsluitend, sprake kunnen zijn ingeval gebruik wordt gemaakt van (dwang)middelen als intimidatie, het in het vooruitzicht stellen van een positief gevolg zoals een beloning, of het inwerken op het gemoed, bijvoorbeeld door een beroep te doen op gevoelens van loyaliteit of medelijden.

  • feitelijke vaststellingen

Bij de beoordeling of van een strafbare vorm van beïnvloeding als hiervoor bedoeld sprake is geweest gaat het hof uit van de volgende vaststellingen. Daarbij zal ten behoeve van de leesbaarheid de verdachte steeds als verdachte worden aangeduid tenzij uitdrukkelijk anders vermeld.

Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde verdachte in een strafzaak genaamd ‘Mercedes II’. Ook getuige was destijds verdachte in diezelfde strafzaak. verdachte ’s raadsman medeverdachte 2 heeft aan de rechter-commissaris te Amsterdam kenbaar gemaakt dat de verdediging getuige als getuige wilde horen.

De rechter-commissaris heeft getuige daarop opgeroepen om op 19 januari 2012 als getuige a décharge in de strafzaak tegen verdachte te worden gehoord. Deze oproeping heeft getuige echter niet bereikt. verdachte heeft met de medeverdachte 1 de verblijfplaats van getuige achterhaald.

Op 13 januari 2012 hebben verdachte en medeverdachte 1 getuige in Sluis bezocht en in diens woning met hem over de af te leggen verklaring gesproken. Op 17 januari 2012 hebben verdachte en medeverdachte 4 getuige in Sluis opgehaald en zijn met hem naar Amersfoort gereden, waar hij is afgezet bij een hotel. In de avond van 17 januari 2012 hebben verdachte en medeverdachte 3 getuige daar vervolgens weer opgehaald en zijn met hem naar medeverdachte 2 gegaan. Op diens kantoor in Arnhem heeft een langdurige bespreking plaatsgevonden waarbij opnieuw is gesproken over de verklaring die getuige als getuige zou gaan afleggen. Na afloop van die bespreking hebben verdachte en medeverdachte 3 getuige teruggebracht naar zijn hotel.

Op 19 januari 2012 hebben verdachte en medeverdachte 4 getuige naar de rechtbank in Amsterdam gebracht, waar hij door de rechter-commissaris als getuige zou worden gehoord. getuige heeft die dag echter geen verklaring afgelegd, maar heeft daarentegen ten overstaan van de rechter-commissaris te kennen gegeven dat hij geen verklaring wilde afleggen, omdat deze dan een valse verklaring zou zijn. De rechter-commissaris heeft daarop besloten het verhoor geen doorgang te laten vinden. getuige heeft in dezelfde zin ook met de officier van justitie gesproken. Vervolgens is getuige per trein naar Amersfoort gereisd, waar hij een ontmoeting heeft gehad met verdachte en medeverdachte 4. Daarna is getuige naar Sluis teruggekeerd. Ruim een maand later, te weten op 19 en 23 februari 2012, alsmede op 5 maart 2012, heeft getuige telefonisch met medeverdachte 1 gesproken over door hem af te leggen en in te trekken verklaringen. In deze gesprekken werd ook gerefereerd aan de hierboven weergegeven gebeurtenissen. Uit de inhoud van de gesprekken kan worden afgeleid dat getuige in de zaak Mercedes II twee andere personen valselijk zou beschuldigen en dat verdachte daardoor ‘uit de wind’ zou worden gehouden. Voorts blijkt daaruit dat medeverdachte 1 stelde dat ook hij door een verklaring van getuige problemen met justitie dreigde te krijgen.

  • standpunt verdachte

De verdachte heeft erkend dat hij tezamen met medeverdachte 1 een bezoek heeft gebracht aan getuige in Sluis, dat hij later tezamen met medeverdachte 4 getuige in Sluis heeft opgehaald en naar Amersfoort heeft gebracht, dat hij tezamen met medeverdachte 3 getuige in Amersfoort heeft opgehaald en hem naar het kantoor van zijn toenmalige raadsman medeverdachte 2 heeft gebracht, alwaar een bespreking heeft plaatsgevonden en dat hij tenslotte tezamen met medeverdachte 4 getuige naar Amsterdam heeft gebracht ten behoeve van het verhoor bij de rechter-commissaris. Daarbij was het de verdachte erom te doen dat getuige daadwerkelijk op 19 januari 2012 bij de rechter-commissaris in Amsterdam zou verschijnen om een getuigenverklaring in de strafzaak Mercedes II af te leggen. De verdachte heeft evenwel steeds ten stelligste ontkend dat daarbij op enig moment sprake is geweest van enigerlei beïnvloeding van getuige in zijn verklaringsvrijheid.

  • betrouwbaarheid verklaring getuige

De verklaring van getuige dat hij gedurende het bezoek van de verdachte en medeverdachte 1 aan hem in Sluis, tijdens het vervoer naar Amersfoort en in het bijzonder gedurende de avond van 17 januari 2012 mede door de verdachte is geïnstrueerd over hetgeen hij bij het geplande getuigenverhoor moest zeggen, is van doorslaggevend belang bij de beoordeling van het tenlastegelegde.

Met betrekking tot de door getuige afgelegde verklaringen, onder meer ter terechtzitting in hoger beroep, heeft het hof de vraag te beantwoorden of en zo ja, in hoeverre deze verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, zulks te meer nu de verdachte iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde, waarover getuige ten aanzien van hem heeft verklaard, ontkent en bestrijdt dat hetgeen in die verklaringen over hem is gezegd juist is en de verdediging de betrouwbaarheid van die verklaringen ook gemotiveerd in twijfel heeft getrokken.

Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan worden gekeken of hetgeen met betrekking tot bepaalde verdachten of overigens is verklaard overeenkomt met of steun vindt in - zo te noemen - objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens (zie Hof Amsterdam 25 juli 2003, LJN AM1503). Daarnaast kunnen de ouderdom en de complexiteit van de feiten, waarover is verklaard, bij de beoordeling een rol spelen, evenals het motief voor het afleggen van de verklaring.

In het onderhavige geval kan enerzijds worden vastgesteld dat getuige op 19 januari 2012 ‘uit zichzelf’ aan de rechter-commissaris heeft verteld dat hij geen verklaring wilde afleggen, omdat deze dan een valse verklaring zou zijn en dat hij daarbij de gang van zaken met betrekking tot het vervoer naar en het bezoek aan het kantoor van de raadsman van ‘de Marokkaanse man’ (het hof begrijpt: het kantoor van medeverdachte 2, beroep van de verdachte) heeft geschetst en dat zijn verklaring voor een deel bevestiging heeft gevonden in objectieve feitelijke gegevens.

Daar staat tegenover dat getuige destijds ook zelf verdachte was in de strafzaak Mercedes II, waarin hij als getuige was opgeroepen. Het hof dient dan ook bij de toetsing van de betrouwbaarheid van diens verklaring mede onder ogen te zien dat hij in die zaak een eigen belang had. Nu de zaak Mercedes II niet ter beoordeling aan het hof voorligt, is het hof niet bekend met de stukken in die zaak en kan het derhalve de positie van getuige in die zaak niet goed beoordelen. Het hof kan slechts vaststellen dat zijn zaak, op enig moment na de hiervoor beschreven voorvallen, is geseponeerd. Het hof zal zijn verklaringen reeds om die reden met behoedzaamheid dienen te bezien.

Getuige heeft verschillende verklaringen afgelegd over de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachten bij het tenlastegelegde. Op 19 januari 2012, de dag waarop hij bij de rechter-commissaris als getuige was opgeroepen, heeft hij zijn verhaal gedaan ten overstaan van (achtereenvolgens) de rechter-commissaris en de officier van justitie. Nadien is hij meermalen als getuige gehoord, te weten bij de politie, de rechter-commissaris en ook ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft geconstateerd dat die verklaringen niet consistent zijn en op essentiële punten innerlijk tegenstrijdig. Zo heeft getuige in zijn eerste verklaring onvermeld gelaten dat de tweede man die op 13 januari 2012 bij hem voor de deur stond zijn achterneef, de hem goed bekende medeverdachte 1 bleek te zijn. Ook heeft getuige wisselend verklaard omtrent (onder meer) documenten die verdachte hem tijdens dat eerste gesprek zou hebben laten zien – in zijn eerste verklaring zou dit een lijst zijn geweest met door de rechter-commissaris te horen getuigen, in zijn latere verklaringen een lijst met al zijn oude adressen – het al dan niet bestaan van een afspraak om hem op 17 januari 2012 op te halen en over de vraag of, en zo ja op welke momenten, sprake was van een dreigende sfeer.

Voorts komt uit de tapgesprekken tussen getuige en medeverdachte 1 van 19 en 23 februari en 5 maart 2012 met betrekking tot getuige een beeld naar voren van een persoon die nadrukkelijk en uitgebreid aan het woord is en zich niet laat vertellen wat hij moet doen. De gesprekspartners instrueerden elkaar in die gesprekken over en weer. Voorts werd daarin weliswaar gesproken over een in te trekken en/of af te leggen verklaring van getuige, maar niet is telkens zonder meer duidelijk of dit zag op een af te leggen verklaring in de zaak Mercedes II of een reeds afgelegde verklaring in de onderhavige zaak, Mercedes III.

Dit alles beziet het hof mede in het licht van aanwijzingen dat medische gronden bestaan om te vermoeden dat getuige feit en fictie – minst genomen – onvoldoende van elkaar kan onderscheiden. Het hof verwijst naar de brief met betrekking tot het ontslag van getuige uit Emergis (het hof begrijpt: een instelling voor geestelijke gezondheidszorg) van psychiater psychiater van 24 april 2012 alsmede naar de begeleidende email van naam 2, secretaresse afdeling opname van Emergis. Uit voornoemde brief blijkt onder meer dat getuige van 24 februari 2012 tot en met 23 april 2012 is opgenomen geweest in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg in verband met (onder meer) paranoïde wanen en dat een vermoeden bestond van pseudologia fantastica.

Het hof acht, gelet op al het voorgaande, de verklaringen van getuige onvoldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te bezigen.

  • betrouwbaarheid verklaring medeverdachte 1

Anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat de eind april 2012 en begin mei 2012 afgelegde, de verdachte belastende, verklaringen van medeverdachte 1 evenmin voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd. medeverdachte 1 heeft in de eerste periode van zijn detentie meermalen verklaard dat de verdachte getuige onder druk heeft gezet om de door hem gewenste verklaring af te leggen en aldus de verklaring van getuige – in grote lijnen – ondersteund. medeverdachte 1 is echter later op die verklaringen teruggekomen. Zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep heeft hij benadrukt dat die verklaringen onjuist waren en aangegeven waarom hij onjuist zou hebben verklaard. Hoewel het hof zijn latere verklaringen op meerdere onderdelen ongeloofwaardig acht, is het hof van oordeel dat evenmin kan worden uitgegaan van de juistheid van zijn verklaringen van met name 28 april en 1 mei 2012. Die verklaringen, in het bijzonder de verklaring dat getuige tijdens het gesprek in diens woning op 13 januari 2012 zou zijn geïntimideerd en dat daarbij sprake was van een dreigende situatie, wijken wezenlijk af van wat getuige hierover heeft verklaard en vinden voorts geen steun in de verklaring van de getuige man 4.

Ook in de inhoud van de telefoongesprekken tussen medeverdachte 1 en getuige van februari en maart 2012 ziet het hof reden de verklaringen van medeverdachte 1 met grote terughoudendheid te bezien. Daaruit wordt immers duidelijk dat ook medeverdachte 1 een belang had bij een verklaring van getuige en dat zij onderling een goede verstandhouding hadden, waarbij medeverdachte 1 getuige voorhield dat zij samen een café in Spanje zouden kunnen openen, wanneer het opzetje met betrekking tot de door getuige af te leggen verklaring zou slagen.

Opmerkelijk acht het hof in dat verband tevens dat getuige ook ter terechtzitting in hoger beroep, waar hij als getuige werd gehoord, opzichtig trachtte medeverdachte 1 te ontlasten en verklaarde dat hem als beloning voor zijn verklaring in het vooruitzicht was gesteld dat hij een café zou krijgen.

Het hof komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat weliswaar is komen vast te staan dat de verdachte getuige heeft benaderd in verband met diens af te leggen verklaring en met hem over de inhoud van die verklaring heeft gesproken, maar dat onvoldoende is komen vast te staan dat hij het opzet had daardoor de vrijheid van getuige, om onbelemmerd en naar eigen inzicht te verklaren, te beïnvloeden. In het bijzonder is niet komen vast te staan dat de verdachte getuige heeft geïntimideerd, een beloning in het vooruitzicht heeft gesteld of hem anderszins in zijn vrijheid heeft willen belemmeren.

Zoals hiervoor reeds overwogen, acht het hof de verklaringen van getuige en medeverdachte 1 daaromtrent onvoldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te bezigen en voorts acht het hof de verklaringen van man 4 onvoldoende concreet om (mede) op grond daarvan tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Dat laatste geldt eveneens voor de verklaring van H.P. getuige, waarbij het hof aantekent dat het, gezien de medische informatie omtrent de geestesgesteldheid van getuige in die periode, geen betekenis toekent aan de angst die getuige ten overstaan van zijn broer (en anderen) ten toon heeft gespreid.

Nu uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting anderszins is gebleken van voor de verdachte belastende feiten of omstandigheden, zal het hof hem tevens van het onder 2 impliciet cumulatief/ alternatief met betrekking tot getuige tenlastegelegde vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens hypotheekfraude

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1212 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, te weten een werkgeversverklaring en drie loonstroken, als ware deze stukken echt en onvervalst, ter verkrijging van een aanzienlijke hypotheek. 

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte met ingang van 1 april 2003 is uitgetreden als vennoot in de vennootschap onder firma Bedrijf. Verdachte heeft zijn aandeel op genoemde datum verkocht aan zijn broer en is toen zelf enige maanden in loondienst van Bedrijf geweest. Door Bedrijf 2 en broer was een constructie gemaakt inhoudende dat broer de aankoopsom zou voldoen door het plaatsen van verdachte op de loonlijst van Bedrijf. Verdachte zou ook werkzaamheden verrichten. Na enige tijd bleek dat deze constructie te kostbaar was omdat er sociale lasten afgedragen moesten worden over het loon. De loondienstconstructie is toen met terugwerkende kracht teruggedraaid en er zou alleen worden uitgegaan van betaling door winstdeling. Dit blijkt uit de belastingaangiftes en de jaarstukken.

Het vorenstaande betekent volgens de verdediging dat er gedurende enige maanden sprake was van een loondienstbetrekking tussen verdachte en Bedrijf en dat er derhalve geen sprake is van een valse of vervalste werkgeversverklaring en evenmin van onjuiste loonstroken. Ten tijde van de aanvraag ter verkrijging van de hypotheek was verdachte in loondienst van Bedrijf.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste geschriften. Verdachte wist van niets, heeft de geschriften zelf niet opgesteld en was ter goeder trouw. Verdachte heeft ten behoeve van de hypotheek bescheiden overgelegd waarvan hij meende dat deze juist waren en verdachte mocht daarvan ook uitgaan. Ten slotte had verdachte geen enkel motief om van valse of vervalste stukken gebruik te maken, nu hij reeds voldoende vermogen had om zonder enige vervalsing de financiële aankoop van het pand aan perceel te bewerkstelligen. Verdachte dient derhalve integraal te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen van verdachte en zijn broer volgt dat de tussen verdachte en Bedrijf gemaakte constructie mede was bedoeld ter afbetaling van de schuld die broer aan zijn broer verdachte had, omdat de koper bij zijn intreden als vennoot in de firma niet beschikte over voldoende financiën om de aankoopsom van € 150.000 direct te voldoen.

broer is hierover op 28 november 2013 door de politie gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij in 2003 vennoot is geworden van Bedrijf en dat aan verdachte een winstaandeel verstrekt zou worden omdat hij geen geld had om zijn broer uit te kopen. Tevens heeft broer tijdens dat verhoor verklaard dat hij niet weet of verdachte toen in loondienst is getreden bij Bedrijf, alleen dat verdachte een winstaandeel heeft gekregen. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft broer op 30 december 2015 verklaard dat hij het deel van Bedrijf van verdachte kon overnemen, maar dat hij dat niet meteen kon betalen. Hij zou daarom de koopsom in delen aan verdachte terugbetalen, uit de winst van het Bedrijf. Voorts heeft broer toen verklaard dat loon, in zijn ogen en in die van verdachte, een soort afbetaling van de aankoopschuld is. Het geldbedrag was, volgens hem, deels afbetaling van een schuld en deels loon, als een soort zekerheid voor verdachte.

Verdachte heeft hierover ter terechtzitting in hoger beroep zelf verklaard dat zijn broer hem een bedrag van € 150.000 verschuldigd was voor de overname van zijn deel van het vennootschap van Bedrijf en dat hij dit bedrag uiteindelijk ook heeft ontvangen. Verdachte heeft voorts verklaard dat het voor hem niet uitmaakte of hij dat geldbedrag zou krijgen als loon of als winstaandeel. Het ging hem erom dat hij aan het einde van het jaar zijn geld zou hebben.

Gelet op de inhoud van deze verklaringen, overweegt het hof dat – zo er door de afgesproken constructie al sprake was van een arbeidsverhouding tussen verdachte en Bedrijf – in elk geval een gedeelte van het geldbedrag dat verdachte uitgekeerd heeft gekregen niet bedoeld was als loon voor zijn werkzaamheden, maar als aflossing van de koopsom van € 150.000. Dit betekent dat, anders dan op de door Bedrijf 2 opgemaakte werkgeversverklaring staat vermeld, van meet af aan duidelijk was dat geen sprake zou zijn van een duurzaam dienstverband tussen verdachte en Bedrijf met een bruto jaarsalaris van in totaal € 103.680. Deze overeenkomst zou bovendien komen te vervallen op het moment dat de aankoopsom door broer aan verdachte was terugbetaald. Dit maakt, naar het oordeel van het hof, dat sprake was van een valse werkgeversverklaring en van drie (ter onderbouwing van die werkgeversverklaring ingediende) valse loonstroken.

Aangezien verdachte op de hoogte was van de ter afbetaling gemaakte constructie tussen hem en Bedrijf, wist verdachte tevens dat de door hem ten behoeve van de hypotheek ingediende stukken vals waren opgemaakt. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daarvan wetenschap had en ook dat zijn opzet op het plegen van het ten laste gelegde was gericht.

Dat verdachte wellicht ook zonder het indienen van die stukken de aankoop van het pand aan perceel had kunnen bewerkstelligen, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Feit blijft dat hij een hypotheek heeft aangevraagd en dat hij daarvoor valse stukken heeft overgelegd. Ook hetgeen de verdediging overigens nog heeft aangevoerd doet daar niet aan af.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 15.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak nu weergave feiten in proces-verbaal niet overeenkomt met werkelijkheid

Gerechtshof Amsterdam 11 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1122 Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 08 juni 2013 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten de Stadhouderskade, heeft opgehouden terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.

Door de raadsman is eveneens aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrij gesproken.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof heeft daarbij zwaar laten meewegen de op 15 december 2015 door verbalisant bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring, inhoudende kort gezegd dat de weergave van de feiten in het door hem opgemaakte proces-verbaal van 9 juni 2013 niet overeen komt met de werkelijkheid, nu een deel van de in het proces-verbaal aan verbalisant toegeschreven handelingen niet door hem zijn uitgevoerd, hetgeen te wijten is aan een wijziging in de procedure bij het opmaken van een proces-verbaal met hulp van de computer. Het hof is van oordeel dat het door verbalisant opgemaakte proces-verbaal dat zich in het dossier bevindt, daarom niet bruikbaar is voor het bewijs. Als gevolg hiervan ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Het hof heeft nog stilgestaan bij zijn beslissing van 6 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:757, maar anders dan in die zaak verbindt het hof in deze zaak niet de sanctie van het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Fraude met gemeenschapsgeld: verdachte heeft in hoger beroep enkel verzocht om de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1105 De rechtbank heeft de verdachte voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 1) en oplichting, meermalen gepleegd (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

De advocaat-generaal heeft zich bij deze strafoplegging aangesloten.

Door de verdediging is bepleit dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van aanzienlijke duur zal worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte, zoals onder meer blijkt uit de hoogte van het frauduleus door haar verkregen financiële voordeel, op zichzelf rechtvaardigt dat aan de verdachte een straf wordt opgelegd die vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof zal daartoe echter niet overgaan en overweegt in dit verband allereerst dat het op grond van het onderzoek ter terechtzitting ervan overtuigd is geraakt dat oplegging van een vrijheidsbenemende straf niet noodzakelijk is om de verdachte het laakbare van haar handelwijze te doen inzien.

Daarnaast houdt het hof bij de straftoemeting in het bijzonder rekening met het gegeven dat inmiddels geruime tijd is verstreken nadat de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden. Het hof merkt in dit verband op dat dat de verdachte in die tijd werk heeft gevonden bij een andere werkgever, met wie zij inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur heeft, waardoor het voor haar mogelijk is om te voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar gezin, terwijl daarnaast via het gelegde loonbeslag voldaan wordt aan de terugbetalingsverplichting van het frauduleus verkregen geldbedrag aan de gemeente. Het hof acht aannemelijk, zoals door de verdediging betoogd, dat de verdachte haar huidige baan zal kwijtraken wanneer zij een vrijheidsstraf zal moeten ondergaan. Het hof acht dat onwenselijk. Niet alleen omdat daardoor niet slechts de verdachte, maar met name ook de personen die tot haar gezin behoren de gevolgen zullen ondervinden van haar frauduleuze handelen, maar bovenal omdat de verdachte gedurende de tijd dat zij gedetineerd zal zijn niet in staat moet worden geacht om te voldoen aan haar terugbetalingsverplichting van gemeenschapsgeld. Het hof merkt in dit verband voorts nog op dat het heeft geconstateerd dat in deze zaak sprake is van niet verklaarbare tijdspannen tussen begin december 2012, toen de verdachte enkele malen door de politie werd verhoord en zij in die verhoren volledige openheid van zaken heeft gegeven, en het aanbrengen van de onderhavige strafzaak op de terechtzitting van de rechtbank van 5 september 2014 respectievelijk tussen het instellen van het hoger beroep op 16 oktober 2014 en het aanbrengen van de onderhavige strafzaak op de terechtzitting van het hof op 26 februari 2016.

Weliswaar leidt dit tijdsverloop niet tot de slotsom dat sprake is van schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, maar dit tijdsverloop draagt naar het oordeel van het hof wel bij aan de zodanig onevenredig zware gevolgen die het opleggen van een vrijheidsbenemende straf thans met zich zal brengen, dat daarvan wordt afgezien.

In de plaats daarvan zal het hof aan de verdachte een taakstraf opleggen met de volgens de wet maximaal mogelijke duur van 240 uren. Daarnaast zal het hof aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van de hierna te vermelden duur. Het hof beoogt

met oplegging van deze voorwaardelijke straf enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van een aanzienlijk geldbedrag van een stichting die zich inzet voor de zwakkeren binnen de samenleving

Gerechtshof Amsterdam 17 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1028 Gekwalificeerde verduistering, meermalen gepleegd. Verdachte heeft als heer en meester over de afgezonderde bedragen beschikt, in strijd met de gemaakte afspraken. Aldus heeft de verdachte zich de bedragen wederrechtelijk toegeëigend en zich derhalve schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat er geen sprake is van verduistering, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman, samengevat, het volgende aangevoerd.

Hoewel de verdachte de opgenomen contanten niet direct heeft opgeborgen in de fysieke kas, althans geboekt, staat daarmee nog niet vast dat deze contanten daadwerkelijk zijn verdwenen noch dat de verdachte deze heeft weggenomen of zich heeft toegeëigend.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte was als financieel secretaresse verantwoordelijk voor het bij de bank opnemen van de benodigde kasgelden en het daarvan afstorten in de kas, gevolgd door het binnen de financiële administratie vastleggen van deze bankopnames, kasstortingen, en het daarop volgend kasverkeer binnen de stichting (zoals kasopnames ten behoeve van uitgaven voor cliënten). Zij heeft echter de door haar gedane bankopnames en kasstortingen structureel op onjuiste wijze geboekt in de financiële administratie. De verdachte boekte de bankopnames weliswaar correct in het centrale (door alle lokale vestigingen van de stichting te gebruiken) registratiesysteem genaamd ORCCA, maar boekte deze bankopnames slechts gedeeltelijk in de intern bijgehouden Excel administratie. Laatstgenoemde, interne, administratie was bedoeld als extra controlemiddel op het kasverkeer (in aanvulling op het centrale ORCCA systeem) en enige jaren daarvoor ingevoerd nadat financiële onregelmatigheden waren geconstateerd. Teneinde nieuwe onregelmatigheden te voorkomen werd aldus (intern) een tweede kasadministratie bijgehouden, aangevuld met periodieke kascontroles door de vestigingsmanager.

Door in de interne Excel administratie bewust een lager bedrag te verantwoorden dan daadwerkelijk contant bij de bank werd opgenomen, heeft de verdachte het verschil (door haar omschreven als ‘buffer’) kunnen afzonderen en apart kunnen opbergen. Zij was als enige van deze afsplitsing en de gebrekkige administratie op de hoogte. Bij de periodieke kascontroles door de vestigingsmanager kwam deze afzondering niet aan het licht, omdat deze werd uitgevoerd op basis van het (door de verdachte bewust onjuist bijgehouden) saldo van de Excel administratie. Op deze wijze heeft de verdachte als heer en meester beschikt over de afgezonderde bedragen, in strijd met de gemaakte afspraken en zich onttrekkende aan de daartoe speciaal ingestelde controlemaatregelen. Aldus heeft de verdachte de bedoelde bedragen zich wederrechtelijk toegeëigend en zich derhalve schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.

Bewezenverklaring

  • Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^