Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor sturen dreigbrief aan kantonrechter door “klokkenluider”

Gerechtshof Amsterdam 19 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4376 Mede gelet op de rapportages kunnen de gedragingen de verdachte, die al jarenlang een gevecht als “klokkenluider” tegen de overheid voert, hem slechts in verminderde mate worden toegerekend. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte geen redelijke weerstand heeft kunnen bieden aan de door hem gestelde psychische drang.

Vrijspraak?

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging op de grond dat bij de verdachte het opzet ontbrak om kantonrechter (slachtoffer) vrees aan te jagen. Het was een wanhoopsdaad van de verdachte om met de overheid, die al zoveel jaren niet naar hem wilde luisteren en hem dwarsboomde, in contact te komen. De brief van de verdachte is een onsamenhangende brij van woorden, een onbeheerste uiting van woede en onmacht van de verdachte was jegens “de overheid” in het algemeen. De dreigementen waren derhalve niet gericht tegen de persoon van [slachtoffer]. Laatstgenoemde heeft daarom aan deze brief niet de redelijke vrees kunnen ontlenen dat hij het leven zou verliezen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

In dit geval zijn de bewezenverklaarde bewoordingen van de brief van de verdachte van dien aard dat bij [slachtoffer] zonder meer de vrees kon ontstaan dat de verdachte hem naar het leven stond en uitvoering zou worden geven aan hetgeen werd aangekondigd. De onheilspellende inhoud van de brief werd kracht bijgezet doordat het verstekvonnis, dat de woede van de verdachte had opgewekt, in stukken gescheurd was bijgevoegd. Daarbij komt dat [slachtoffer] (naar mag worden aangenomen: ambtshalve) bekend was met de verdachte en dat bij de rechtbank [gemeente naam 1] – niet zonder grond – de mare ging dat de verdachte ‘Afghanistan-veteraan’ is, zodat verondersteld mocht worden dat hij vuurwapens kan hanteren.

Dat jarenlange opgebouwde frustratie bij de verdachte jegens de overheid debet is geweest aan zijn handelen, doet aan het bedreigende karakter ervan bepaald niet af.

De omstandigheid dat de verdachte met zijn schrijven de verderstrekkende bedoeling heeft gehad om met de overheid in gesprek te komen, laat onverlet dat hij de brief willens en wetens heeft geschreven en bezorgd en dat het niet anders kan dat hij zich daarbij van de dreiging die van de brief (noodzakelijker-wijs of waarschijnlijk) zou uitgaan, bewust is geweest. Bewezen kan dan ook worden dat de verdachte het opzet heeft gehad op de bedreiging van [slachtoffer].

Het verweer wordt mitsdien in beide onderdelen verworpen.

Psychische overmacht

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte niet strafbaar is voor het ten laste gelegde feit op de grond dat sprake is van psychische overmacht. Hij heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe is gesteld dat bij de verdachte, die voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit als klokkenluider al jarenlang een gevecht tegen de overheid voerde, sprake was van een latent aanwezige psychische druk, waarheidsvervorming, angststoornissen en mogelijk een posttraumatische stress-stoornis. De ontvangst van het door de kantonrechter gewezen verstekvonnis is een van buiten komende omstandigheid geweest, waartegen hij zich niet heeft kunnen beheersen, aldus de raadsman.

Het hof stelt voorop dat voor aanvaarding van een beroep op psychische overmacht moet sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

In dit geval geldt dat de psychische druk die de verdachte – naar is aangevoerd – naar aanleiding van de betekening van het gewraakte verstekvonnis ervoer, niet los gezien kan worden van de eigen persoonlijkheid van de verdachte. Dit volgt uit de na te melden inhoud van de rapporten van gedragskundigen, maar ook al uit de stellingen van de raadsman. Van een van buiten komende drang kan dan ook niet worden gesproken, reden waarom het verweer wordt verworpen.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Artikel 12 Sv-procedure: Geen vervolging voor meineed, geen bewijs dat politieagent opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd

Gerechtshof Amsterdam 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4203 Na een melding in de nacht van 16 op 17 april 2013 van een aanrijding tussen een trein en een persoon werd te plaats door de politie het lichaam van de destijds vijfentwintigjarige dochter van klaagster, overledene, levenloos op het treinspoor aangetroffen. Naast het lichaam werd een handtas gevonden waarin persoonlijke bescheiden van klaagsters dochter.

Door de politie zijn diverse onderzoekshandelingen verricht. Op het lichaam van klaagsters dochter is sectie verricht; verscheidene personen zijn gehoord; camerabeelden zijn bekeken en er heeft onder andere onderzoek plaats gevonden in de woning van de overledene.

Op basis van de onderzoeksresultaten is de officier van justitie tot de conclusie gekomen dat sprake was van zelfdoding.

In de nacht van 16 op 17 april 2013 was beklaagde – als brigadier van politie – met zijn collega verbalisant 1 betrokken bij het eerste onderzoek ter plaatse van de aanrijding.

Het standpunt van klaagster

Namens klaagster is op 18 november 2014 aangifte gedaan van meineed door beklaagde in een proces-verbaal van bevindingen van 2 januari 2014. Beklaagde heeft daarin volgens de aangifte in strijd met de waarheid geverbaliseerd dat op een in de handtas aangetroffen briefje niet alleen vertrektijden van treinen stonden vermeld, maar ook een looproute en tekst met betrekking tot een openstaand hek langs het spoor.

In dit proces-verbaal van bevindingen is vermeld:

“Ook zat er een briefje in de tas. Toen wij het briefje openvouwden zag ik dat er meerdere tijdstippen op het briefje stonden geschreven. Ik meen mij te herinneren dat op het briefje de laatste trein tijd stond. Dit was de trein vanuit plaats naar plaats. Ik weet niet meer hoe het stond geschreven, maar wel dat er een looproute vanaf het station plaats naar de bewuste plaats van het ongeval ook op het handgeschreven briefje stond. Zelf waar je het spoor het beste kon betreden. Ook hiervan weet ik niet meer specifiek hoe dat stond beschreven, maar ik weet nog wel dat er iets stond beschreven over een “hek”. (…)

Het tasje met de eerdergenoemde inhoud hebben wij overgedragen aan de hulpofficier van justitie van het KLPD verbalisant 2.”

Uit het feit dat klaagster een dergelijk briefje niet samen met de handtas van de politie heeft teruggekregen, maar wel een briefje met vermelding van enkel treinvertrektijden, volgt volgens klaagster dat een dergelijk briefje niet in de handtas zat en dat beklaagde derhalve daarover opzettelijk in strijd met de waarheid heeft geverbaliseerd.

De beslissing van de officier van justitie

Na onderzoek (waarover hierna meer) is de zaak geseponeerd wegens onvoldoende aanwijzingen voor het plegen van een strafbaar feit. Volgens de officier van justitie kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het door klaagster van de politie teruggekregen briefje daadwerkelijk hetzelfde briefje is, als het briefje dat in de nacht van 16 op 17 april 2013 werd aangetroffen door beklaagde en zijn collega.

De inhoud van het beklag

Klaagster kan zich hiermee niet verenigen. Volgens klaagster is er voldoende bewijs dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan meineed. Zij stelt dat uit het onderzoek volgt dat sprake is geweest van slechts één briefje waarop enkel treinvertrektijden waren vermeld; de weergave van beklaagde in bedoeld proces-verbaal van 2 januari 2014 – waarin ook sprake is van een looproute – is opzettelijk foutief.

De onderzoeksbevindingen

Naar aanleiding van de aangifte van klaagster is onderzoek gedaan. Verschillende betrokken politiemensen hebben een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en beklaagde en zijn collega met wie hij samen op de plaats van de aanrijding onderzoek had gedaan, verbalisant 1, zijn gehoord.

Verbalisant 2 heeft op 22 mei 2013 geverbaliseerd dat bij het slachtoffer een handtas werd aangetroffen met daarin persoonlijke bescheiden en enkele geschriften.

Door verbalisant 2 is op 24 januari 2014 voorts geverbaliseerd dat collega’s na het spoorwegongeval een tasje onder zich hadden, kennelijk afkomstig van het slachtoffer Hij weet niet meer of het tasje met de spoorwegpolitie is meegegaan of met het lichaam van het slachtoffer in het voertuig van de begrafenisondernemer.

Volgens hun proces-verbaal van bevindingen van 14 januari 2014 hebben de verbalisanten 3 en 4 van het KLPD op 17 april 2013 in het mortuarium van het Medisch Centrum plaats voor het eerst een wit briefje gezien met daarop handgeschreven tijden en namen van stations. Voor zover zij zich kunnen herinneren stond daar geen looproute op. Dit briefje zat in de handtas van het slachtoffer. De handtas met daarin het briefje is overgedragen aan de politie te plaats.

In het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2014 hebben de verbalisanten 5 en 6 vermeld dat op 18 april 2013 in het werkjournaal was opgenomen dat naast twee reisbiljetten ‘in de tas tevens vel papier zat met daarop handgeschreven reisschema

21:07 Spoor 8 plaats M

21:47 plaats 4B

21:50 of 56 3 plaats

22:24 plaats 3’.

Beklaagde heeft op 9 december 2014 verklaard dat zijn collega het tasje opende. Deze pakte een briefje uit de tas, dat zij samen hebben bekeken; hij heeft maar één briefje gezien. Het ging vrij snel. Zijn collega heeft het briefje teruggedaan in het tasje en aan de mensen van de spoorwegpolitie gegeven; hij weet niet meer aan wie. Het hem getoonde briefje, dat klaagster van de politie heeft gekregen, is niet hetzelfde briefje als hij eerder heeft gezien.

Verbalisant 1 heeft op 11 december 2014 verklaard dat in het handtasje een paar papiertjes zaten. Hij zag dat meteen want het tasje was open. De witte papiertjes staken af tegen de donkere kleur van het tasje. Hij haalde de papiertjes uit de tas. Zijn collega stond achter hem en keek mee. Beiden hadden zicht op de papiertjes. Hij denkt dat er twee papiertjes waren; in elk geval meer dan één. Alles is overgedragen aan verbalisant 2 van het KLPD. Hij weet niet meer of de briefjes terug in de tas zijn gegaan of los aan het KLPD zijn gegeven. Hij herkent het hem getoonde briefje niet, hij had iets anders in zijn hoofd. Hij weet niet meer hoe het op het briefje stond, maar er stond iets over een hek dat niet op slot zat.

De beoordeling van het beklag

Het hof heeft allereerst te beoordelen of vervolging op basis van de aanwijzingen in het dossier ertoe zou kunnen leiden dat de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd, tot een bewezenverklaring zou komen. Als dat niet het geval is, heeft het hof te beoordelen of aanvullend onderzoek tot een andere opvatting zou kunnen leiden.

Om tot een bewezenverklaring van meineed te kunnen komen dient –kort weergegeven- vast te komen staan dat beklaagde opzettelijk op ambtseed een valse verklaring in zijn proces-verbaal heeft opgenomen.

Meineed met betrekking tot een ambtsedig proces-verbaal is een ernstig feit omdat er, ook vanwege de bewijswaarde die aan dergelijke stukken wordt gehecht, op vertrouwd moet kunnen worden dat politieambtenaren in hun processen-verbaal de waarheid weergeven.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet met de zekerheid die voor een strafrechtelijke veroordeling ter zake van meineed nodig is kan worden vastgesteld dat slechts één briefje in de handtas aanwezig was.

Voorop dient te staan dat in zaken als deze, waarbij een persoon is komen te overlijden, door politie en justitie de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden betracht en dat zo veel mogelijk feiten en omstandigheden in een zo vroeg mogelijk stadium worden vastgelegd. Op het punt van de beschrijving van de inhoud van de handtas van klaagsters dochter en de chain of custody – de weergave van hetgeen met deze voorwerpen vervolgens is gebeurd – schort het daaraan in deze zaak. Er ontbreekt een proces-verbaal waarin is vastgelegd wat in de handtas is aangetroffen; evenmin zijn foto’s gemaakt van de tas en de inhoud daarvan. Niet is vastgelegd aan wie de eigendommen zijn overgedragen en/of hoe deze in het mortuarium zijn gekomen.

Dat onvolkomenheden in het begin van het onderzoek later strafrechtelijk onderzoek kunnen bemoeilijken, behoeft geen betoog. Het is evenzeer duidelijk dat door dergelijke onvolkomenheden afbreuk wordt gedaan aan de belangen van nabestaanden die geconfronteerd werden met het overlijden van een familielid en die in verband daarmee de wens hebben zoveel mogelijk informatie te verkrijgen over hetgeen gebeurd is.

Het hof moet vaststellen dat duidelijkheid over de inhoud van de handtas helaas niet meer kan worden verkregen.

Dat in deze zaak dergelijke onnauwkeurigheden zich wreken, komt naar voren in het proces-verbaal dat beklaagde van zijn waarnemingen op 2 januari 2014 - ruim acht maanden later – opmaakte. In dat proces-verbaal zijn immers enige slagen om de arm gehouden: “ik meen mij te herinneren”, “ik weet niet meer hoe het stond geschreven” en “ook hiervan weet ik niet meer specifiek hoe dat stond beschreven”.

Zo kon de onduidelijkheid ontstaan en in stand blijven ten aanzien van de vraag of in de handtas meer dan één handgeschreven briefje aanwezig is geweest.

Op grond hiervan en van de inhoud van de hiervoor weergegeven verklaringen – in het bijzonder die van verbalisant 1 en verbalisant 2 - kan in elk geval niet worden uitgesloten dat beklaagde (ook) een ander briefje (dat daarna in het ongerede zou zijn geraakt) onder ogen is gekomen dan het briefje dat aan klaagster door de politie is overhandigd.

Aanknopingspunten voor nader onderzoek zijn er niet.

Het hof acht het daarom zo goed als uitgesloten dat het jegens beklaagde tot een veroordeling ter zake van meineed zou kunnen komen.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat onvoldoende gronden aanwezig zijn om een vervolging ter zake van meineed te bevelen.

Het hof zal het beklag dan ook afwijzen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Zaak "Passage": Strekking en reikwijdte verschoningsrecht getuige ex art. 217 Sv in gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde strafzaken.

Gerechtshof Amsterdam 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4303

De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart bloedverwant te zijn van de verdachten zoon van getuige en neef van getuige, verklaart geen bloed- of aanverwant van de overige verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt op dat de getuige is aangemerkt als verdachte in een strafzaak in Italië en dat in een de getuige betreffende ontnemingszaak – die ziet op feiten vanaf 1993 – cassatieberoep is ingesteld, zodat de getuige mogelijk een beroep op enkele vormen van verschoningsrecht toekomt.

Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de getuige als volgt.

Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht op de vraag wanneer ik in hoger beroep voor het eerst een terechtzitting heb bijgewoond.

De advocaat-generaal dringt aan op beantwoording van deze vraag. […]

Mr. Van Berge Henegouwen stelt zich op het standpunt dat de getuige een beroep op het verschoningsrecht toekomt, nu de verdachten zoon van getuige en neef van getuige bloedverwanten van de getuige zijn en beantwoording van de laatste vraag de getuige kan blootstellen aan het gevaar van een ongunstige beslissing in de ontnemingszaak.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige niet zonder meer een onverkort verschoningsrecht toekomt.

De getuige deelt desgevraagd mede dat hij zich op alle vervolgvragen zal beroepen op zijn verschoningsrecht.

De advocaat-generaal merkt op dat zij nadere vragen heeft over de periode 2014-2015.

De getuige verklaart als volgt:

[…] Mr. Van Berge Henegouwen stelt zich andermaal op het standpunt dat de getuige een beroep op het verschoningsrecht toekomt, nu de verdachten zoon van getuige en neef van getuige bloedverwanten van de getuige zijn.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige wat betreft deze vraag geen verschoningsrecht toekomt. Zij dringt aan op beantwoording van de vraag.

De voorzitter houdt de getuige een proces-verbaal van bevindingen betreffende het verhoor door de politie van de getuige op 30 april 2015 voor:

Getuige [getuige] verklaarde ons dat hij ten overstaan van ons geen verklaring wenste af te leggen. Eventueel zou hij dat dan wel voor de rechtbank doen. Wel wil hij het volgende aan ons kwijt:

Was er maar een rechter die wel voor de waarheid ging. […] Justitie doet niet aan waarheidsvinding. […] Iedereen wordt maar gehoord. En over die moorden wil ik nog het volgende kwijt, jullie weten zelf wel wie de daders zijn, iedereen weet dat.”

De voorzitter merkt op dat deze inhoud van dit proces-verbaal zijn nieuwsgierigheid prikkelt en vraagt de getuige toe te lichten op welke moorden en daders hij doelt en nodigt de getuige uit al zijn wetenschap dienaangaande te delen met het hof.

De getuige verklaart als volgt:

Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.

Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de getuige als volgt.

Op vragen of ik – van [kroongetuige 2] of anderen – heb gehoord over mogelijke betrokkenheid van [kroongetuige 2] bij strafbare feiten, zoals de moord op [slachtoffer], beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt, zakelijk weergegeven, het volgende op.

De intentie van de advocaat-generaal zal zijn gericht op het helpen van hun eigen zaak. U, voorzitter, vraagt mij of ik met deze laatste zinsnede doel op de door het openbaar ministerie na te streven waarheidsvinding. Dat weet ik niet. De getuige wil de rechtsgang voor zijn bloedverwanten niet compliceren. Er komt hem een verschoningsrecht toe.

Na een korte onderbreking voor beraad stelt de voorzitter de procesdeelnemers in de gelegenheid om een standpunt in te nemen met betrekking tot het beroep van de getuige op diverse vormen van verschoningsrecht.

De advocaat-generaal deelt het volgende mede.

De onderbouwing van het beroep op het verschoningsrecht is algemeen van aard en is ontoereikend om een verschoningsrecht aan te nemen met betrekking tot de vragen die zien op de periode 2014-2015 en de contacten van de getuige met diverse andere getuigen. Met betrekking tot de overige vragen komt de getuige een verschoningsrecht toe.

Ik acht van belang om de suggestie van de advocaat van de getuige, dat onze vragen zijn gericht op het “verder helpen van [onze] eigen zaak”, te weerspreken. Het is in het kader van waarheidsvinding en met het oog op de waardering van diverse getuigenverklaringen van belang om vast te stellen of er onderlinge contacten zijn geweest. Dat is de reden dat er vragen worden gesteld.

Ik wens de getuige aanvullende vragen te stellen, onder meer over de getuige “[codenaam bedreigde getuige]”.

Mr. Janssen (raadsman van de zoon van de getuige) voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan.

De wetgever heeft het verschoningsrecht voor bloedverwanten in het leven geroepen vanuit de gedachte dat getuigen in een onmogelijke positie kunnen worden gebracht als zij een verklaring moeten afleggen in de strafzaak tegen bijvoorbeeld hun eigen kind. Die situatie doet zich hier voor. Een getuige kan niet altijd de portee van de te geven antwoorden overzien, zeker in een complexe zaak als de onderhavige. Zo kan het voor de getuige moeilijk zijn om te beoordelen wat de relevantie is van onderlinge contacten tussen getuigen. Dergelijke contacten kunnen in breder verband echter raken aan de betrouwbaarheid van getuigen. Vrijwel iedere vraag zal raken aan een door het hof te nemen beslissing. Mijns inziens komt de getuige daarom onverkort een verschoningsrecht toe.

Mr. Van Berge Henegouwen merkt op dat het juist is dat de getuige de gevolgen van de eventueel door hem te geven antwoorden niet geheel kan overzien.

Het onderzoek wordt onderbroken voor beraad.

Nadat het onderbroken onderzoek is hervat, deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede.

Het hof stelt vast dat het verhoor van de getuige heden plaatsvindt in tien strafzaken, welke strafzaken gelijktijdig doch niet gevoegd worden behandeld. Het hof stelt voorts vast dat de getuige bloedverwant is van twee verdachten, te weten zoon van getuige en neef van getuige. In de strafzaken betreffende deze twee verdachten komt de getuige om die reden het beroep – en ook zonder dat de getuige dat beroep nader behoeft te motiveren – op het recht toe om zich (op de voet van art. 217 van het Wetboek van Strafvordering) van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen te verschonen.

Het hof stelt vervolgens vast dat er, gelet op de aan deze tien verdachten tenlastegelegde feiten en de inhoud van de strafdossiers, een sterke materiële verwevenheid bestaat tussen enerzijds in elk geval de strafzaak betreffende zoon van getuige en neef van getuige en anderzijds de acht overige aan de orde zijnde strafzaken. Het hof ziet in die verwevenheid aanleiding om te bepalen dat de getuige ook in de zaken betreffende die overige verdachten – die in zoverre weliswaar niet formeel doch in elk geval wél in materiële zin aangemerkt dienen te worden als ‘medeverdachten’ een beroep op het op basis van verwantschap toegekende en in artikel 217 Sv geregelde verschoningsrecht toekomt.

De voorzitter stelt vast dat er bij deze stand van zaken geen behoefte tot het stellen van nadere vragen bestaat en vergunt de getuige zich uit de zittingszaal te verwijderen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering wegens handelen in strijd met Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude

Gerechtshof Amsterdam 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4284

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 25.884,04. De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 april 2014 veroordeeld ter zake van uitkeringsfraude, gepleegd in de periode van 1 november 2005 tot en met 31 maart 2008.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 15 april 2014 het door de veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel vastgesteld op € 24.589,64 en bepaald dat het door de veroordeelde aan de Dienst Werk en Inkomen terugbetaalde bedrag van € 12.873,25 bij de betalingsverplichting in mindering moet worden gebracht. De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kort gezegd omdat deze vordering in strijd is met de Aanwijzing Ontneming en de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude, alsmede met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat genoemde regelgeving niet aan een ontneming van het voordeel in de weg staat. De veroordeelde is tijdig medegedeeld dat een ontnemingsvordering zou worden gedaan. Bij de berekening van dit voordeel geldt de bewezenverklaarde periode in de strafzaak als uitgangspunt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Paragraaf 3.3. van de destijds geldende Aanwijzing Ontneming luidde, voor zover hier van belang:

‘In beginsel wordt het louter uit sociale zekerheidsfraude bestaande wederrechtelijk verkregen voordeel niet ontnomen op grond van artikel 36e Sr omdat de Gemeentelijke Sociale Diensten en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) een terugvorderingsbevoegdheid hebben met betrekking tot ontvangen uitkeringen. In gevallen waarin deze terugvordering geheel of gedeeltelijk achterwege blijft, kan de ontnemingsvordering wel worden ingesteld.

Paragraaf 7 van de destijds geldende Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude luidde, voor zover hier van belang:

‘Ten aanzien van de mogelijkheden tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel in sociale zekerheidsfraudezaken, geldt als uitgangspunt:

Geen ontneming, tenzij…..

Achterliggende gedachte hierbij is dat de uitkeringsinstanties over voldoende eigen mogelijkheden tot terugvordering, verrekening, verhaal en beslag beschikken. Het strafrecht is niet bedoeld om ten onrechte uitgekeerde gelden voor de uitkeringsinstanties terug te halen (n.b. dit kan anders zijn indien de mogelijkheden tot terugvordering voor de uitkeringsinstantie inmiddels verjaard zijn).

Andere argumenten om niet te ontnemen betreffen het gebrek aan middelen en geld bij de verdachte om te kunnen ontnemen in dit soort zaken, alsmede het gegeven dat het onwenselijk zou zijn dat personen onder het bestaansminimum terecht zouden komen.

Afwijking van het uitgangspunt van geen ontneming, tenzij…. is eerst mogelijk in o.a. de hier genoemde gevallen, welke voor de officier van justitie in een zaak aanleiding kunnen zijn om een strafrechtelijk financieel onderzoek te starten en een ontneming of ontnemingsmaatregel te vorderen.

Het betreft geen limitatieve opsomming, maar het verdient aanbeveling om slechts een ontneming te overwegen nadat een of meer van de hieronder betreffende situaties of gevallen zich gelijktijdig voordoen, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van bestaande mogelijkheden of middelen geschikt om te ontnemen, alsmede van een aanzienlijk nadeel.

Het betreft de volgende gevallen of situaties:

- Feiten zijn gepleegd in georganiseerd en/of internationaal verband

- De terugvorderingsmogelijkheden van de uitkeringsinstantie zijn verjaard

- Substantieel nadeel boven hetgeen door de uitkeringsinstantie kan worden teruggevorderd

- Er is aanzienlijk vermogen aanwezig (bijv. onroerend goed)

- Eigendom van het vermogen is eenvoudig te bewijzen

- Vermogen bevindt zich in Nederland

- Aantoonbaar vermogen in het buitenland’

In de onderliggende strafzaak is bewezenverklaard dat de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan sociale zekerheidsfraude, gepleegd in de periode van 1 november 2005 tot en met 31 maart 2008. Zoals ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal is bevestigd, is het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarop de vordering ziet, louter afkomstig uit deze sociale zekerheidsfraude.

In de bestuursrechtelijke procedure heeft DWI de onterecht verleende bijstand bij primair besluit van 26 augustus 2008 teruggevorderd over de periode 1 oktober 2005 tot en 31 maart 2008. De veroordeelde heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend. DWI heeft bij beslissing op bezwaar van 12 december 2008 de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en het recht van de veroordeelde op bijstand met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken. Verder heeft een herberekening plaatsgevonden over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2008. Op grond daarvan is de hoogte van de vordering vastgesteld op een bedrag van € 10.102,96. Tegen de beslissing op het bezwaar is geen beroep ingesteld, zodat deze onherroepelijk is. Vast is komen te staan dat de veroordeelde dit bedrag inmiddels volledig aan de DWI heeft terugbetaald.

Ter zitting van 15 april 2014 heeft de officier van justitie in reactie op het verweer van de verdediging ten aanzien van de ontvankelijkheid als volgt gesteld:

“De raadsman stelt dat deze vordering in strijd is met de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude. Ik stel daar tegenover dat in die Aanwijzing wordt gesproken over “in beginsel” en “kan”, de aanwijzing laat daarmee vrijheid aan het openbaar Ministerie (OM). Het door DWI teruggevorderde bedrag beslaat slechts een deel van het benadelingsbedrag. De uitkeringsinstantie heeft moeite gehad met de vaststelling van het bedrag. De strafrechter heeft een langere periode beoordeeld. Er is geen sprake van niet-ontvankelijkheid van het OM, dit valt onder zijn beleidsvrijheid.”

Bij conclusie heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk moet worden geacht in de ontnemingsvordering aangezien de veroordeelde tijdig op de hoogte is gesteld van de ontnemingsvordering en zij daarom kon verwachten dat een ontnemingsvordering zou volgen.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de bovengenoemde beleidsregels, in het bijzonder de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude, dat het openbaar ministerie, indien een ten onrechte genoten uitkering langs bestuurlijke weg wordt of is teruggevorderd, niet dient over te gaan tot het vorderen van ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, behoudens de opgesomde (zij het niet limitatief) gevallen.

In deze zaak heeft het openbaar ministerie geen van die gevallen, die een afwijking van genoemde hoofdregel rechtvaardigen, gesteld, noch is daarvan anderszins gebleken. Van een ander, niet genoemd, geval, die een uitzondering zou moeten rechtvaardigen op de hoofdregel is ter zitting in hoger beroep ook niet gebleken. In dit verband wijst het hof op de gewijzigde vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op het door het DWI herberekende bedrag en dat de betalingsverplichting vervolgens op nihil zal worden gesteld.

Het voorgaande brengt mee dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Meer weten? Kom dan op Donderdag 10 december 2015 naar de Cursus Ontneming.
Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor overtreding van artikel 96 lid 1 van de Wet BIG

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7562 Verdachte heeft betrokkene 5 en betrokkene 4 behandeld met ibogaïne. Betrokkene 4 heeft hierdoor een hartstilstand gekregen, welke aan de schuld van verdachte te wijten is en als gevolg waarvan hij de rest van zijn leven invalide is. Betrokkene 5 is na de behandeling met ibogaïne door verdachte naar een hotel gebracht en daar in hulpeloze toestand achtergelaten, terwijl hij aan haar zorg was toevertrouwd.

Ten behoeve van de behandelingen die verdachte aanbood met iboga(ïne), bereidde zij zelf capsules met deze stof en had een grote hoeveelheid daarvan in voorraad, hetgeen in strijd is met de wet. Ook had verdachte meer dan de toegestane hoeveelheid hennep in haar bezit. Met betrekking tot de aangetroffen MDMA, methadon en morfine merkt het hof op dat het bezit daarvan strafbaar is, maar dat het hof er wel rekening mee houdt dat deze middelen in de woning van verdachte zijn achtergelaten door verslaafden die zij behandelde.

Handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg

De personen zoals opgenomen in de tenlastelegging, te weten betrokkene 2, betrokkene 1, betrokkene 3, betrokkene 5 en betrokkene 4, zijn bij verdachte geweest om onder haar begeleiding iboga(ïne) in te nemen en hebben ook daadwerkelijk ibogaïne (zijnde de werkzame stof in iboga) tot zich genomen. Deze behandeling strekte ertoe dat zij door toepassing van iboga(ïne) zouden worden genezen van hun middelenverslaving. Het hof stelt vast dat verdachte hiermee handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichtte, zoals bedoeld in artikel 96 Wet BIG. Tevens staat vast dat verdachte niet was ingeschreven in het BIG-register.

Buiten noodzaak behandelen/schade veroorzaken

Indien bewezen kan worden dat verdachte - zoals ten laste gelegd - buiten noodzaak heeft behandeld, en daarbij gezondheidsschade of de aanmerkelijke kans daarop heeft veroorzaakt, staat daarmee tevens vast dat ook die schade of de kans daarop buiten noodzaak is veroorzaakt. Onder ‘buiten noodzaak’, welk begrip is ontleend aan artikel 96, eerste lid, van de Wet BIG, verstaat het hof in dit verband een situatie anders dan die waarin acute geneeskundige zorg noodzakelijk blijkt die op dat moment niet door een bevoegde behandelaar kan worden verleend.

De wetgever heeft niet omschreven welke in dit verband de betekenis is van het begrip ‘schade’. Naar het oordeel van het hof dient als ‘schade’ in de zin van artikel 96 Wet BIG in ieder geval te worden aangemerkt een benadeling van de gezondheid in de zin van artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat wil zeggen een daadwerkelijke, al dan niet tijdelijke, verslechtering van de lichamelijke of geestelijke gesteldheid.

In het bijzonder op grond van de deskundigenrapportages kan worden vastgesteld dat gebruik van ibogaïne onder meer leidt tot een hallucinatoire fase waarin, door verminderd realiteitsbesef, sprake is van een significant afgenomen handelingsbekwaamheid bij een patiënt. Deze situatie ontstaat kort na de inname van ibogaïne. Naar het oordeel van het hof kan een dergelijk gevolg van het gebruik van ibogaïne worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de geestelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 van de Wet BIG.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de opzet en redactie van de tenlastelegging echter dat de steller van de tenlastelegging niet het oog heeft gehad op deze reguliere situatie die zich in vrijwel alle gevallen voordoet (vlak) na het innemen van iboga(ïne). Beoogd is kennelijk de schade en/of de aanmerkelijke kans daarop toe te spitsen op (de) vier opgetreden, in de tenlastelegging expliciet benoemde gezondheidsschades (bij de betrokkene 2 hartritmestoornissen; bij betrokkene 3 een hallucinerende toestand waarna letsel door een sprong; bij betrokkene 5 een hallucinerende/psychotische toestand waarna dodelijk verongelukken bij oversteken van een snelweg; bij betrokkene 4 een hartstilstand), en derhalve het oog gehad op de toestand tijdens respectievelijk direct voorafgaand aan deze (bijna) fatale gebeurtenissen.

Het hof dient zich - ten einde denaturering van de tenlastelegging te voorkomen - daarom bij de beoordeling te beperken tot de in de tenlastelegging expliciet genoemde schadegevallen.

Betrokkene 2, betrokkene 3 en betrokkene 5

Ten aanzien van deze betrokkenen overweegt het hof dat zich naar zijn oordeel in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden om de in de tenlastelegging expliciet genoemde hartritmestoornissen bij de betrokkene 2, de toestand waarin betrokkene 3 van grote hoogte is gesprongen met botbreuken ten gevolge en de toestand waarin betrokkene 5 de A2 is opgelopen en is doodgereden, toe te kunnen schrijven aan de effecten van de behandeling met ibogaïne. Onder andere is in enkele van deze gevallen sprake van een zodanig tijdsverloop tussen de inname van die iboga(ïne) en het moment van het optreden van de gezondheidsschade, dat een causaal verband tussen die inname en de in de tenlastelegging specifiek genoemde opgetreden gezondheidsschade of de toestand waarin deze is ontstaan niet is vast te stellen.

Het hof spreekt verdachte derhalve in zoverre vrij van het onder 1 tenlastegelegde.

Betrokkene 4

Dit is anders waar het betreft de in de tenlastelegging genoemde schade die betrokkene 4 heeft opgelopen, te weten een hartstilstand. Deze gezondheidsschade is kort na de behandeling met iboga(ïne) ontstaan, terwijl uit de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg kan worden afgeleid dat hartritmestoornissen - die kunnen leiden tot een hartstilstand - een bekende bijwerking van het gebruik van iboga(ïne) vormen. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat enige andere, buiten het gebruik van ibogaïne gelegen oorzaak voor het bij betrokkene 4 ontstaan van die hartstilstand niet is gebleken of aannemelijk is geworden, is het hof van oordeel dat tussen de toediening van de ibogaïne en het optreden van de hartstilstand een oorzakelijk verband bestaat.

De aldus opgetreden hartstilstand kan naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een (tijdelijke) verslechtering van de lichamelijke gesteldheid en daarmee als schade in de zin van artikel 96 van de Wet BIG. De behandeling met iboga(ïne) vond buiten noodzaak plaats en de schade is derhalve ook buiten noodzaak veroorzaakt.

Voorafgaand aan de behandeling heeft betrokkene 4 zijn hart laten onderzoeken bij een cardioloog. Nu er door de cardioloog geen afwijkingen waren geconstateerd, en ook anderszins niet gebleken is van een gezondheidssituatie waarin de toediening van ibogaïne bij neven tot hartfalen zou kunnen leiden, kan niet worden gesteld dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat haar handelen bij betrokkene 4 een hartstilstand of de aanmerkelijke kans daarop zou veroorzaken. Van afwezigheid van alle schuld is echter geen sprake, nu hartritmestoornissen - welke kunnen leiden tot een hartstilstand - blijkens de deskundigenrapportages en verklaringen van de deskundigen Wolters en Fromberg een bekende bijwerking van ibogaïne vormen.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokkene 4 buiten noodzaak heeft behandeld met ibogaïne, ten gevolge waarvan betrokkene 4 een hartstilstand heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Feit 1: Als degene die, niet ingeschreven staande in een register, bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken.

Feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Feit 7: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafoplegging

Feit 1: voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 3 jaar.

Feit 2A, 4, 5, 7 en 8: gevangenisstraf voor de duur van 141 dagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^